Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3847

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
02-820568-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondermijningzaak. Grootscheepse drugshandel gedurende periode van 3 jaren en witwassen van ongeveer 100.000 euro. Voor hoofdverdachte 42 maanden gevangenisstraf voor dealen drugs en witwassen. Voor de medeverdachte enkel veroordeling voor witwassen: taakstraf 240 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820568-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] , te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juni 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Lanslots, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016 te Tilburg , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde cocaïne en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 12 juli 2016, te Tilburg althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig

heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), van meerdere grote (contante) geldbedragen, waaronder een (contant) geldbedrag van 133.570 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze (contante) geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420quater Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

Door de verdediging is ten aanzien van feit 2 betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. De verdediging heeft betoogd dat in de tenlastelegging de feitelijke omschrijving van de elementen waaruit het (medeplegen van) witwassen zou bestaan, ontbreekt, zodat het niet duidelijk is waartegen verdachte zich moet verdedigen. Het feit is daarmee onvoldoende feitelijk omschreven en daarom voldoet de tenlastelegging niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient nietigheid van de dagvaarding te volgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Enkel een tenlastelegging die in de beschrijving van het gebeuren te weinig specifiek is, fysiek onleesbaar is, onduidelijk, innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk is, kan niet dienen als grondslag voor een terechtzitting en leidt daarom tot nietigheid van de dagvaarding. Voor tenlastelegging van een bepaald feit is vereist dat het om een bepaalde geconcretiseerde gedraging gaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven. In de tenlastelegging is één geldbedrag opgenomen, dat in het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162 nader is uitgewerkt in verscheidene kleinere geldbedragen, die tezamen weer het in de tenlastelegging genoemde totale geldbedrag vormen. Indien de tenlastelegging in combinatie met dit proces-verbaal wordt gelezen, weet verdachte waartegen de hem bestaande verdenking bestaat en waartegen hij zich moet verdedigen. Daarmee is de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven en ook overigens is aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldaan.

De dagvaarding is derhalve geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide tenlastegelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op de bekennende verklaring van verdachte op 3 januari 2017 en de processen-verbaal in het dossier, met name de OVC-gesprekken, de observaties en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Van de tenlastegelegde handel in GHB dient verdachte vrijgesproken te worden nu daartoe onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Ten aanzien van feit 2 baseert zij zich op het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden, met die kanttekening dat verdachte heeft verklaard niet de gehele periode van drie jaren aaneengesloten in cocaïne te hebben gehandeld. Er is onvoldoende bewijs voor het dealen van GHB, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 is betoogd dat het niet duidelijk is om welke periode het gaat en dat er diverse bedragen zijn genoemd in het proces-verbaal deelonderzoek witwassen waarvan niet vaststaat dat deze bedragen witgewassen zijn. Er is een contant bedrag van € 7.360,= bij verdachte aangetroffen waarbij van witwassen (nog) geen sprake is. Een bedrag van € 2.625,= is contant op de rekening van verdachte gestort, maar het enkele storten maakt nog niet dat er sprake is van witwassen. De verdediging heeft hiertoe verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:HR:2015:3169. Een bedrag van € 5.400,= is gepind van het bedrag dat is gewonnen bij de Postcodeloterij en dient op het totaalbedrag in mindering te worden gebracht. Ook de post vakanties dient met een bedrag van € 2.330,= te worden verminderd nu deze kosten door vrienden zijn betaald. In 2014 had de partner van verdachte nog legale inkomsten, dus van de rekening van camping [naam] voor het bedrag van € 1.555,85 is niet op voorhand aannemelijk dat dit geld afkomstig is van enig misdrijf. Bij de post voertuigen is een Volkswagen ingeruild van een waarde van € 13.500,= en deze auto is aangeschaft in 2014 toen er nog legale inkomsten waren bij verdachte en medeverdachte. Voornoemde bedragen dienen op het totaalbedrag in mindering te worden gebracht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 1 juni 2017; 1

- het proces-verbaal identificatie gebruiker 31633215637;2

- het proces-verbaal bevindingen aantreffen handelstelefoon onder verdachte [verdachte] ;3

- het proces-verbaal bevindingen; 4

- het proces-verbaal van bevindingen waarin alle activiteiten van verdachte op 1 juli 2016 zijn uitgewerkt; 5

- de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] 6 en [getuige 2] .7

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onderdeel in de tenlastelegging betreffende de GHB. Daartoe is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs nu alleen getuige [getuige 1] heeft verklaard GHB bij verdachte te hebben gekocht en verdachte ontkent GHB te hebben verkocht.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte in de tenlastegelegde periode van drie jaren ook langere perioden niet in drugs handelde. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, nu uit de getuigenverklaringen volgt dat zij wekelijks bij verdachte cocaïne kochten en zij niet hebben verklaard dat zij in een bepaalde periode hiervoor niet bij verdachte terecht konden. De rechtbank acht de gehele periode wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank er wel vanuit gaat dat verdachte bij de start van de handel (in 2013, rond de verjaardag van zijn moeder) op kleine schaal verkocht, maar dat dit allengs meer is geworden tot uiteindelijk de grote omvang en intensiteit zoals die blijkt uit het onderzoek in de zes weken voor de aanhouding van verdachte.

Feit 2:

Naar aanleiding van de verdenking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in drugs, is er onderzoek gedaan naar de financiën van verdachte en zijn partner, medeverdachte [naam medeverdachte] . Uit dit financieel onderzoek kwam naar voren dat zowel verdachte sinds 2014 als medeverdachte [naam medeverdachte] sinds januari 2014 geen legaal inkomen meer hadden. Vanaf 1 januari 2013 stortte [naam medeverdachte] € 49.022,54 aan contant geld op haar bankrekening, vanaf april 2014 bijna maandelijks een bedrag van minimaal € 1.700,=. De vaste lasten werden van de bankrekening van [naam medeverdachte] betaald. Verdachte stortte in totaal € 2.625,= aan contant geld op zijn rekening in 2013 en 2014. Voor dagelijkse boodschappen werd door verdachten vanaf 1 januari 2013 niet meer gepind, met uitzondering van een transactie op de rekening van verdachte van € 218,22. Bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [naam medeverdachte] werden diverse papieren aangetroffen van uitgaven door hen. Aan vakanties werd een bedrag van € 26.065,35 uitgegeven. Aan uitgaven voor de woning en de tuin werd € 13.487,= uitgegeven. Voor de aankoop van voertuigen werd uitgegeven een bedrag van € 30.797,= uitgegeven. Voor een babyborrel werd uitgegeven een bedrag van € 4.212,50. Ten slotte is er onderzoek gedaan naar de bruiloft van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] en daaruit volgde dat een bedrag van € 16.187,59 contant is betaald. Bij aanhouding van verdachte werd een bedrag van € 7.360,= onder hem in beslag genomen. Tegenover deze bedragen stond geen legaal inkomen. 8

De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte, zijn partner [naam medeverdachte] , geldbedragen voorhanden hebben gehad die niet verklaarbaar zijn door legale inkomsten. Verdachte en medeverdachte hebben over de herkomst van de geldbedragen geen concrete, verifieerbare en geloofwaardige verklaringen afgelegd. Verdachte en [naam medeverdachte] hebben weliswaar in 2015 een bedrag van € 75.000,= gewonnen bij de Postcodeloterij, maar dit bedrag is grotendeels besteed aan een aflossing van een deel van de hypotheek en de betaling van een deel van de kosten van de bruiloft.9 Deze betalingen zijn niet meegenomen in de hiervoor genoemde berekeningen.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of verdachte en zijn partner, medeverdachte [naam medeverdachte] , zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen. De rechtbank dient daartoe allereerst de vraag te beantwoorden of de geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf. Nu de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit en het gaat om een eigen misdrijf dat door verdachte is gepleegd, is hier sprake van witwassen mét gronddelict.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Er zijn in de periode vanaf 1 januari 2013 diverse geldbedragen contant op de rekening van medeverdachte [naam medeverdachte] gestort, die zijn gebruikt om vaste lasten voor hun gezamenlijke huishouding te betalen. Ook zijn er grote contante bedragen uitgegeven aan vakanties, de tuin en de aankoop van voertuigen, alsmede voor een babyborrel en blijkbaar zijn in die jaren alle uitgaven aan boodschappen, huishoudelijke spullen en kleding contant betaald. De rechtbank ziet deze uitgaven als handelingen die verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben verricht om de criminele opbrengst veilig te stellen. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen. Dit geldt niet voor alle in het proces-verbaal opgenomen posten. Zo is er een geldbedrag aan contanten bij verdachte aangetroffen, te weten een bedrag van € 7.360,=. Dit geld kan niet als witwasgeld worden aangemerkt omdat verdachte dit geld enkel voorhanden had en er geen verbergings- dan wel verhullingshandeling heeft plaatsgevonden. Ook is het de rechtbank met betrekking tot uitgaven aan auto’s, nu er ook auto’s zijn ingeruild, niet helemaal duidelijk geworden welke bedragen van misdrijf afkomstig waren. Gelet op de onderliggende dossierstukken is wel duidelijk dat een bedrag van ten minste € 100.000,= is witgewassen. Gelet op de omvang van de geldbedragen en de duur van de periode gedurende welke verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zich aan witwassen hebben schuldig gemaakt, te weten in de periode van 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Medeplegen

De rechtbank acht het medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen. Bij verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] was er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het uitgeven van geldbedragen die verdachte verdiende met het dealen in drugs en die op de rekening van [naam medeverdachte] werden gestort. Verdachte en [naam medeverdachte] voerden een gezamenlijke huishouding en van de rekening van [naam medeverdachte] werden gezamenlijke kosten betaald. Ook van de andere bedragen, te weten uitgaven aan vakanties, tuin en auto’s en uitgaven aan levensonderhoud, hebben beide verdachten binnen hun gezamenlijke huishouding, profijt gehad. Uit het strafdossier blijkt bovendien dat [naam medeverdachte] wist dat verdachte zijn inkomen verdiende met de handel in cocaïne10.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016 te Tilburg , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde cocaine en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016, te Tilburg ,althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), van meerdere grote (contante) geldbedragen, waaronder een (contant) geldbedrag van 133.570 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze (contante) geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Ook is met cursief een aanvulling op de tenlastelegging opgenomen. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte heeft verklaard gedurende de drie jaren in bepaalde periodes niet in cocaïne te hebben gehandeld. Verder dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, namelijk dat hij thans werk heeft en dat hij zijn leven goed op orde heeft met zijn partner en kind. Daarnaast is betoogd dat de afnemers veel vrienden en bekenden zijn. De verdediging heeft betoogd dat een straf met daarbij een groot voorwaardelijk deel, gelet op deze omstandigheden, passend is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt gedurende een periode van drie jaar aan het bewerken, verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne. Ten behoeve van de verkoop van cocaïne had verdachte een vaste leverancier van de cocaïne en van het versnijdingsmiddel, beschikte hij over een opslagplaats waar hij de pure cocaïne kon bewerken en onderhield hij een telefoonlijn, waarop bestellingen van drugsgebruikers binnenkwamen. In de periode van mei tot begin juli 2016 ging het daarbij om grootschalige handel, zo blijkt uit het onderzoek van de inbeslaggenomen handelstelefoon [telefoonnummer] waarin vele contacten stonden, waarvan er zeker 40 als kopers van cocaïne aangewezen kunnen worden (zie het proces-verbaal op pagina 808). Uit het politieonderzoek blijkt ook dat verdachte vervolgens hele dagen van adres naar adres in Tilburg reed om de cocaïne te verkopen. Verdachte heeft kennelijk steeds gehandeld uit winstbejag en zich niet bekommerd om het feit dat hij door zijn handelen de verslaving aan harddrugs van zijn klanten in stand hield. Het is alom bekend dat deze verslaving voor de gebruikers van die harddrugs en voor de maatschappij grote nadelige gevolgen heeft.

Daarnaast heeft verdachte zich ook nog samen met zijn partner schuldig gemaakt aan het witwassen van grote contante geldbedragen. Door aldus te handelen, heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten en de lange periode en de omvang waarin is gedeald, rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij in 2004 voor een Opiumwetdelict tot een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.

Alles afwegend acht de rechtbank het passend aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

De rechtbank zal bovendien de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen. De rechtbank overweegt daarbij dat thans een eindoordeel wordt gegeven in deze strafzaak en dat oordeel luidt dat verdachte een langdurige gevangenisstraf zal moeten ondergaan.

7 Het beslag

Op de auto van verdachte, te weten de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] en het daarbij behorende kentekenbewijs, en op een geldbedrag van € 7.380,=, is ook conservatoir beslag gelegd. De rechtbank kan derhalve op dit beslag thans geen beslissing nemen.

De overige in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van gewoontewitwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis:

- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen 4 tot en met 7 van de beslaglijst, te weten: een zwarte mobiele telefoon van het merk Nokia ( G1572025 ), een zwarte leren schoudertas ( G1572178 ), een beige mobiele telefoon van het merk Samsung ( G1572204 ) en een grijs mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy met een beschermhoes Blond Amsterdam ( G1572499 ).

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Peters en mr. Tempelaar, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R016053 (onderzoek Minehead) van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1408. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juni 2017.

2 Het proces-verbaal identificatie gebruiker 31633215637, p. 689.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 809.

4 Het proces-verbaal bevindingen, p. 595 tot en met 600.

5 Het proces-verbaal bevindingen, p. 733 tot en met 739.

6 Het proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 1286.

7 Het proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 1298 en 1299.

8 Het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162 en de daarbij behorende bijlagen, paginanummers 1 tot en met 398 (het witwasdossier), separaat aan het dossier toegevoegd.

9 Het Proces-verbaal bevindingen met nummer 233, opgenomen in het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen, p. 279 en 280.

10 Het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de uitwerking van OVC 328 04-07-2016, pagina 126.