Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3843

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
02/821168-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dealen harddrugs, bezit automatisch vuurwapen, strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/821168-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd,

te 4337 PE Middelburg, Torentijdweg 1,

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2017, waarbij de officier van justitie mr. G.V. van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

feit 1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot

en met 14 december 2016 te Goes telkens opzettelijk

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd,

hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,

en/in elk geval op of omstreeks 14 december 2016 te Goes opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) (een) middelen als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

hij op of omstreeks 14 december 2016 te Goes een of meer wapens van categorie

II, te weten een pistoolmitrailleur (Skorpion) en/of een magazijn passend bij

een pistoolmitrailleur, en/of munitie van categorie III, te weten 13

kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, voor wat betreft een bewezenverklaring van het tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank. Zij merkt daarbij wel op dat de periode van dealen korter is geweest dan vermeld in de tenlastelegging, namelijk vanaf 1 september 2016 in plaats van 21 juni 2016 en dat er onvoldoende bewijs aanwezig is in het dossier voor het aanwezig hebben van cocaïne.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een (grotendeels) bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte1;

- het proces-verbaal bevindingen contacten [verdachte] en bekende harddrugsgebruikers2;

- het proces-verbaal bevindingen, klant [naam klant]3;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] (als verdachte)4;

- De processen-verbaal pillen-poeders5;

- de kennisgevingen van inbeslagneming6.

de periode van dealen

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte vanaf 1 september 2016 is begonnen met dealen en dat derhalve een kortere handelsperiode bewezen moet worden verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden verklaard. Zij neemt daartoe het volgende in aanmerking.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het nummer [telefoonnummer] , in gebruik zijnde bij verdachte, blijkt dat er in de periode van 21 juni 2016 tot en met 13 oktober 2016 ongeveer 100 keer contact is geweest met [naam klant] . [naam klant] staat bekend als harddrugsgebruiker. Uit getapte gesprekken blijkt dat verdachte en [naam klant] in oktober en november 2016 regelmatig contact hebben over het leveren van drugs. Zo werd er onder andere gesproken over: ‘.. [naam] , wil je ook wat wit meenemen om te snuiven?’ en ‘.. neem nog een tientje extra mee’. Volgens de rechtbank blijkt niet dat de gesprekken vanaf 21 juni 2016 tot 1 september 2016 van andere aard waren. Verdachte heeft vervolgens zelf in zijn verklaring afgelegd bij de politie op 14 december 2016 verklaard dat hij zeker 6 à 7 maanden geleden is begonnen met dealen. Hij heeft vervolgens nogmaals verklaard dat het aantal van 6 à 7 maanden klopt, maar dat het een schatting betreft. De rechtbank constateert derhalve dat verdachte daarmee heeft verklaard rond juni 2016 begonnen te zijn met dealen. Voornoemde bewijsmiddelen worden daarnaast ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] . Hij heeft op 29 december 2016 verklaard dat hij zo’n driekwart jaar drugs bij verdachte heeft gekocht. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij pas in september 2016 is begonnen met dealen ongeloofwaardig.

de aanwezigheid van een hoeveelheid cocaïne

Op 15 december 2016 heeft er een doorzoeking van de woning van verdachte aan [adres] plaatsgevonden. In de woning werd het volgende in beslag genomen, 2,0 gram (inclusief verpakking) wit poeder en 0,5 gram (netto gewicht) wit poeder. Beide poeders zijn indicatief getest en gaven een positieve reactie op cocaïne.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aanwezig heeft gehad. Het ontbreken van een NFI-rapportage betreffende de cocaïne doet daar niet aan af. Naast de indicatieve test bevat het dossier immers de eigen verklaring van verdachte dat de 2,0 gram cocaïne van hem was. Dit is voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte7;

- het proces-verbaal betreffende een op een vuurwerp gelijkend voorwerp met munitie8.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot

en met 14 december 2016 te Goes telkens opzettelijk

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd,

hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,

en/in elk geval op of omstreeks 14 december 2016 te Goes opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) (een) middelen als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

op of omstreeks 14 december 2016 te Goes een of meer wapens van categorie

II, te weten een pistoolmitrailleur (Skorpion) en/of een magazijn passend bij

een pistoolmitrailleur, en/of munitie van categorie III, te weten 13

kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarden dienen een meldplicht bij GGZ Emergis Middelburg en een behandelverplichting in een intramurale instelling opgelegd te worden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevraagde partiële vrijspraak in de strafmaat verdisconteerd dient te worden. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het reclasseringsadvies en aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes maanden schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs, te weten in cocaïne en heroïne. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte aanzienlijk meer klanten heeft gehad dan hijzelf heeft verklaard, mede gelet op de veelvuldige contacten met harddrugsgebruikers. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen schade berokkent aan de gezondheid van de gebruikers. Met name de verslavende werking van deze middelen brengt criminaliteit en de daarmee gepaard gaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee. Met de handel in deze middelen is verdachte hieraan voorbijgegaan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur (Skorpion) met bijbehorend magazijn en munitie. De combinatie van voornoemde strafbare feiten, drugshandel en het bezit van een vuurwapen, acht de rechtbank strafverzwarend.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 18 mei 2017 waaruit blijkt dat hij eerder veroordeeld is voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank slaat ook acht op de straffen die in soortgelijke zaken in Nederland worden opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het rapport van 14 juni 2017 dat door Reclassering Nederland over verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat hij de delicten heeft gepleegd vanuit een financieel motief, maar tevens om te kunnen voorzien in zijn eigen drugsgebruik. Vanuit het verdiepingsonderzoek van Emergis Forensische Zorg Zeeland komt naar voren dat een klinische behandeling geïndiceerd is vanwege het ernstige middelengebruik van verdachte. Gelet op het feit dat er sprake is van wederzijdse beïnvloeding tussen het middelengebruik en het criminele gedrag is een ambulant traject gezien de ernst van de problematiek, de beïnvloeding vanuit het netwerk en de verwachtingen van verdachte niet voldoende. Geadviseerd wordt om aan verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een klinische behandeling opleggen.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden opgelegd moet worden. Nu echter sprake is van dusdanige problematiek bij verdachte die opname in een kliniek behoeft is de rechtbank van oordeel dat ook een substantieel voorwaardelijk deel moet worden opgelegd. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank, mede gelet op de impact van een klinische behandeling, tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp te weten een personenauto is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat dit voorwerp aan verdachte toebehoort en dat de handel in drugs het feit gepleegd is met behulp van dit voorwerp. Uit observaties blijkt immers dat verdachte de auto heeft gebruikt om drugs te leveren.

7.2

De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 200,00, aan [verdachte] , omdat het geldbedrag onder hem in beslag is genomen en hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 22 (tweeëntwintig) maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen twee dagen na zijn invrijheidsstelling zal melden bij Emergis Verslavingsreclassering te 4337 EA Middelburg, Vrijlandstraat 33e en zich daarna gedurende een door de Verslavingsreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de Verslavingsreclassering dat noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de behandelaars van verdachte in overleg met de Verslavingsreclassering nodig achten, zal laten opnemen in de Forensische Verslavingskliniek Rotterdam (Blaak)– Stichting Antes, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die verdachte in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende [verdachte] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 200,00;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een personenauto, Rover 75 1.8 l 2002 kl: zwart, met kenteken [kenteken]

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, G.H. Nomes en mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juni 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche Zeeland, onderzoek Gavle, OPS-dossiernummer ZB1R016031, doorgenummerd van 1 tot en met 281. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2017.

2 Het proces-verbaal bevindingen contacten [verdachte] en bekende harddrugsgebruikers van 7 november 2016, pagina’s 19 t/m 22.

3 Het proces-verbaal van bevindingen contact [verdachte] en vermoedelijke klant [naam klant] van 21 december 2016, pagina’s 128 t/m 131.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] (als verdachte) van 29 december 2016, pagina’s 179 t/m 183.

5 De processen-verbaal pillen-poeders van 15 december 2016, pagina 271 en pagina 273.

6 De kennisgevingen van inbeslagneming van 15 december 2016, pagina 272 en pagina 274.

7 De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2017.

8 Het proces-verbaal betreffende een op een vuurwerp gelijkend voorwerp met munitie van 9 januari 2017, pagina’s 279 t/m 281.