Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3837

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB 17_636
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld, omdat onduidelijkheid is blijven bestaan over de werkzaamheden die de belanghebbende verricht voor het bedrijf dat hij in het verleden heeft opgericht. Schending inlichtingenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/636 PW

uitspraak van 19 juni 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] te Prinsenbeek, in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind over de goederen van [naam persoon1] (belanghebbende), eiseres,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2016 (bestreden besluit) van Baanbrekers inzake de afwijzing van de namens belanghebbende ingediende aanvraag om bijzondere bijstand.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 mei 2017. Eiseres is verschenen. Daarnaast zijn verschenen belanghebbende en [naam begeleider1] (ambulant begeleider van belanghebbende). Baanbrekers heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L. Burg.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Belanghebbende ontvangt een Wajong-uitkering. Sinds 2015 zit hij in een schuldsaneringstraject op grond van de Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Bij beschikking van 12 april 2016 heeft de kantonrechter zijn goederen onder bewind gesteld.

Eiseres heeft op 28 april 2016 (namens belanghebbende) een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht en bewindvoering.

Baanbrekers heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de verstrekte informatie of gegevens. Dit onderzoek bestond onder meer uit het raadplegen van internet en het voeren van een gesprek met belanghebbende op 6 juli 2016. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport handhaving van 12 juli 2016.

Bij besluit van 15 juli 2016 (primair besluit) heeft Baanbrekers de aanvraag afgewezen. Voor zover de aanvraag ziet op kosten die zijn opgekomen vóór 28 april 2016, heeft Baanbrekers deze afgewezen omdat bijzondere bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verstrekt. Voor zover de aanvraag ziet op de overige kosten, stelt Baanbrekers dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat belanghebbende de inlichtingenplicht en medewerkingsplicht heeft geschonden.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft Baanbrekers de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Baanbrekers stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Het gesprek dat op 6 juli 2016 heeft plaatsgevonden, mocht worden gevoerd zonder dat de begeleider van belanghebbende daarbij aanwezig was. Baanbrekers leidt dit af uit medische stukken die zijn opgevraagd, de eigen bevindingen en de aard van het gesprek (de vragen die zijn gesteld). Er zijn verschillen tussen de gegevens die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen en wat belanghebbende in het gesprek op 6 juli 2016 heeft verklaard. Uit onderzoek en waarnemingen blijkt dat hij grote banden heeft met het bedrijf [naam bedrijf1] Er is een gerechtvaardigd vermoeden dat hij mogelijk inkomsten heeft uit (zwarte) arbeid of dat er sprake is van op geld waardeerbare arbeid. Belanghebbende heeft niet-consistente verklaringen afgelegd over het verrichten van werkzaamheden voor [naam bedrijf1] . Er is onvoldoende aangetoond of hij recht heeft op bijzondere bijstand, nu niet is voldaan aan de inlichtingenplicht.

3. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. In 2015 was het mogelijk om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen. Het was haar niet bekend dat er op dit punt sprake is van een gewijzigde toepassing van de beleidsregels. Baanbrekers heeft dit ten onrechte niet gecommuniceerd. Het gesprek op 6 juli 2016 met belanghebbende had niet zonder begeleiding mogen plaatsvinden. Belanghebbende mag vanuit de Wajong onbetaald werk verrichten en dit doet hij bij [naam bedrijf1] . De bedragen die hij heeft ontvangen, is een vergoeding voor gemaakte onkosten en zijn geen betalingen voor gedane arbeid.

Grondslag van de afwijzing

4. De rechtbank staat eerst stil bij de vraag wat de grondslag voor de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand is.

In het primaire besluit heeft Baanbrekers een onderscheid gemaakt tussen kosten die zijn opgekomen vóór en kosten die zijn opgekomen na de aanvraagdatum (28 april 2016). Zo zijn de kosten die zijn opgekomen vóór de aanvraagdatum afgewezen omdat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Dit volgt uit artikel 44 van de Participatiewet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Baanbrekers deze afwijzingsgrond in het bestreden besluit niet gehandhaafd. In het bestreden besluit stelt Baanbrekers zich namelijk op het standpunt dat ‘de aanvraag’ dient te worden afgewezen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (schending inlichtingenplicht) in samenhang met artikel 35 van de Participatiewet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze afwijzingsgrond dus ook op de kosten die zijn opgekomen vóór de aanvraagdatum. Baanbrekers heeft immers ten aanzien van die kosten geen voorbehoud gemaakt in het bestreden besluit, bijvoorbeeld door voor die kosten te verwijzen naar het primaire besluit of het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

5. De afwijzing van de (gehele) aanvraag is dus in het bestreden besluit gebaseerd op artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet in samenhang met artikel 35 van de Participatiewet. Voor zover eiseres gronden heeft ingediend die zien op het niet toekennen van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht (artikel 44 van de Participatiewet), behoeven deze gronden dus geen bespreking meer.

Toetsingskader

6. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en daarna of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Als die vragen bevestigend worden beantwoord dient ten slotte de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Geschil

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van griffierecht en (aanvangskosten van) bewindvoering zich voordoen, dat deze kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Tussen partijen is wel in geschil of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Baanbrekers stelt zich namelijk op het standpunt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat er onduidelijkheid is blijven bestaan over de (eventuele) inkomsten van belanghebbende.

Flexstage

8. Uit het dossier komt naar voren dat belanghebbende het bedrijf [naam bedrijf1] heeft opgericht. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat dit bedrijf sinds 15 augustus 2012 niet meer op naam van belanghebbende staat. [naam bedrijf1] staat nu op naam van [naam persoon2] . Uit onderzoek van Baanbrekers is onder meer het volgende gebleken:

  • -

    Uit bankafschriften uit 2016 blijkt dat belanghebbende vergoedingen van [naam bedrijf1] ontvangt in verband met cursusgeld en reiskosten;

  • -

    Het adres van belanghebbende staat als bezoekadres vermeld op de website van [naam bedrijf1] ;

  • -

    Op de website staat ook vermeld dat belanghebbende eigenaar is van [naam bedrijf1] en dat [naam persoon2] in 2013 het team als mede-eigenaar heeft versterkt;

  • -

    In 2014 is er een artikel gepubliceerd op de website, waarin staat dat belanghebbende accountmanager is bij [naam bedrijf1] en verantwoordelijk is voor de planning;

  • -

    Belanghebbende heeft op LinkedIn een actief profiel, waarin staat dat hij werkt voor [naam bedrijf1] ;

  • -

    Op 13 juni 2016 heeft belanghebbende een vacature op LinkedIn geplaatst voor personeel voor [naam bedrijf1] .

9. Op 6 juli 2017 heeft er vanuit Baanbrekers een gesprek plaatsgevonden met belanghebbende. Belanghebbende heeft tijdens dit gesprek onder meer het volgende verklaard:

  • -

    Hij verricht momenteel geen betaalde of onbetaalde werkzaamheden voor een bedrijf of organisatie; hij verricht helemaal geen werkzaamheden;

  • -

    De bijschrijvingen van [naam bedrijf1] op zijn bankrekening zijn onkostenvergoedingen;

  • -

    Een bijschrijving op zijn bankrekening voor cursusgeld is omdat hij dan een cursus heeft gevolgd; dit geld heeft hij moeten voorschieten en dat geld krijgt hij dan terug;

  • -

    Een bijschrijving op zijn bankrekening voor reiskosten is omdat hij soms aanwezig is bij evenementen van [naam bedrijf1] , om mee te kijken;

  • -

    Zijn adres staat niet als bezoekadres op de website van [naam bedrijf1] , en als dat wel zo is dan betreft het een fout;

  • -

    Belanghebbende werft geen mensen voor [naam bedrijf1] ;

  • -

    Belanghebbende is niets bij [naam bedrijf1] , hij is een oud-werknemer, de oprichter van het bedrijf;

  • -

    Als Baanbrekers zegt dat belanghebbende nog als mede-eigenaar op de website staat, dan is dat zo.

10. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek van Baanbrekers naar voren komt dat belanghebbende (nog steeds) vergaande bemoeienis heeft met [naam bedrijf1] . De vermelding van zijn adres op de website als bezoekadres, de vermelding op de website dat hij mede-eigenaar is, en het werven van mensen voor [naam bedrijf1] duiden niet op een slechts oppervlakkige betrokkenheid bij het bedrijf. Belanghebbende heeft ook geen verklaring kunnen geven voor deze onderzoeksresultaten. Integendeel, hij heeft slechts ontkend dat zijn adres op de website vermeld staat en dat hij mensen werft voor het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van belanghebbende om deze discrepanties weg te nemen. Hij is hier niet in geslaagd.

Uit de verklaringen van belanghebbende, onder andere ter zitting, komt verder naar voren dat hij ook feitelijk werkzaamheden verricht voor [naam bedrijf1] . Zo geeft hij toelichting en uitleg over het opbouwen van podia bij cursussen van [naam bedrijf1] . Ook is hij aanwezig bij festivals, waarbij hij uitleg geeft over hoe iets geïnstalleerd moet worden.

Daarnaast heeft belanghebbende ook geen afdoende verklaring kunnen geven voor het feit dat hij een onkostenvergoeding krijgt voor het bijwonen van cursussen. De stelling van belanghebbende dat hij het cursusgeld eerst heeft moeten voorschieten en dat hij dit geld dan later terugkrijgt, acht de rechtbank onlogisch en ongeloofwaardig. Dit geldt helemaal nu belanghebbende zelf ook een toelichting/uitleg geeft tijdens deze cursussen.

Al deze omstandigheden bij elkaar maken het niet aannemelijk dat belanghebbende slechts vrijwilligerswerk verricht voor [naam bedrijf1] of dat er enkel sprake is van het af en toe meelopen op festivals. Baanbrekers heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er onduidelijkheden zijn blijven bestaan ten aanzien van zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf1] . Belanghebbende heeft deze onduidelijkheden niet weg kunnen nemen.

11. Eiseres heeft aangevoerd dat het gesprek op 6 juli 2016 met belanghebbende niet zonder een begeleider had mogen plaatsvinden. Volgens eiseres is belanghebbende niet zelfredzaam op het gebied van zijn financiën en zijn dagbesteding, maar zijn er tijdens het gesprek wel vragen gesteld over stortingen en betalingen op zijn bankrekening. Eiseres is van mening dat er hierdoor een verkeerd beeld is geschetst.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende voorafgaand aan het gesprek van 6 juli 2016 de vraag of er omstandigheden zijn waardoor hij niet in staat is het gesprek te voeren, ontkennend heeft beantwoord. Het gesprek zag niet alleen op stortingen en betalingen op de bankrekening van belanghebbende. Er zijn ook feitelijke vragen gesteld aan belanghebbende over zijn bemoeienis met [naam bedrijf1] . De rechtbank ziet niet in dat de antwoorden van belanghebbende op deze vragen niet betrokken zouden kunnen worden bij het onderzoek. Niet is gebleken dat belanghebbende niet in staat kan worden geacht om naar juistheid en consistent te verklaren. Belanghebbende heeft ter zitting – in aanwezigheid van eiseres en zijn begeleider – een toelichting gegeven op de onkostenvergoedingen die hij van [naam bedrijf1] heeft ontvangen. Deze toelichting sluit aan bij wat belanghebbende hierover op 6 juli 2016 heeft verklaard. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze verklaringen buiten beschouwing te laten.

Conclusie

12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.