Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:380

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 2258
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1049, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 16 aanhef en onder d Wet WOZ en art. 2, lid 1, onder g UR uitgezonderde objecten Wet WOZ

Objectafbakening (WOZ) en beroep op vrijstelling openbare erediensten (OZB) door eigenaar van een moskee.

De woning van de imam in de moskee is blijkens de indeling als een zelfstandig WOZ-object aan te merken en moet bij het bepalen van de WOZ-waarde buiten beschouwing worden gelaten, nu niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende als gebruiker van de woning moet worden aangemerkt.

De verzochte vrijstelling is niet van toepassing nu de moskee niet hoofdzakelijk, want niet voor ten minste 70%, is bestemd voor de openbare eredienst.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/369
Belastingblad 2017/121
FutD 2017-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/2258

uitspraak van 25 januari 2017

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] ,

gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 26 februari 2016 op de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (hierna: de moskee), is gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikking) en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen (hierna: OZB) gebruiker 2015.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017 te Breda . Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, [persoon A] (bestuurder), [persoon B] (bestuurder), [gemachtigde 1] , verbonden aan [advocatenkantoor X] te [A] (gemachtigde) en [deskundige] , verbonden aan [Kantoor X] te [A] (deskundige). Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen, [gemachtigde 2] en [taxateur] (taxateur).

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de WOZ-beschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de WOZ-beschikking;

  • -

    vermindert de WOZ-waarde tot € 1.412.000;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.692,34;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de moskee. De moskee bestaat uit een tempel en een multifunctioneel gebouw. Deze twee delen zijn met elkaar verbonden door middel van een glazen traverse.

2.2.

De gebedsdiensten vinden plaats op de begane grond van de tempel. In de kelder van de tempel, die ongeveer een derde van de inhoud van de tempel beslaat, bevindt zich een aula waar voordrachten worden gehouden en waar boeken worden opgeslagen. Ook zijn daar ruimten waar kinderen tijdens de diensten worden opgevangen. Bovenin de tempel bevindt zich de vrouwengalerij. Deze is door middel van een brug in de traverse verbonden met de bovenverdieping van het multifunctionele gebouw.

2.3.

In het multifunctionele gebouw bevindt zich de woning van de imam. Deze woning heeft naast een eigen ingang aan de straatzijde, ook een (af te sluiten) toegang vanuit de binnenzijde van de moskee. Verder bevinden zich in het multifunctionele gebouw toiletten en wasruimten, een bestuurskamer, een drietal leslokalen, een kantine, het kantoor van de imam, een kappersruimte, een kruidenierszaak, een voorraadruimte, een opslagruimte voor schoonmaakmiddelen en een technische ruimte.

2.4.

Aan belanghebbende is een WOZ-beschikking gebruiker afgegeven, waarin de waarde van de moskee is bepaald op € 2.209.000. In hetzelfde geschrift is de heffingsmaatstaf OZB gebruiker vastgesteld op € 2.119.000. Het verschil tussen voornoemde bedragen betreft de aan de woning van de imam toegekende waarde waarvoor een vrijstelling van OZB gebruiker is toegepast. Bij uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarde van de moskee verminderd tot € 1.496.000 en de heffingsmaatstaf OZB gebruiker verminderd tot € 1.412.000.

2.5.

In geschil is of de woning terecht in de WOZ-beschikking is betrokken en of de moskee hoofdzakelijk, dat wil zeggen voor 70% of meer, wordt gebruikt voor het houden van erediensten en daarom moet worden vrijgesteld van OZB op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: de vrijstelling). Indien de vrijstelling niet kan worden toegepast, dan is niet in geschil dat de heffingsgrondslag van de OZB-aanslag juist is vastgesteld.

WOZ-beschikking

2.6.

In artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ is bepaald dat aan een onroerende zaak een waarde wordt toegekend. Hieruit volgt dat de eerste stap in de waardebepaling van die zaak de afbakening van dat te waarderen object is. Deze zogeheten objectafbakening dient te geschieden aan de hand van de in artikel 16 van de Wet WOZ opgenomen regels. Op grond van artikel 16, aanhef, en onderdeel d, van de Wet WOZ wordt voor de toepassing van de Wet WOZ onder meer als één onroerende zaak aangemerkt: een samenstel van twee of meer gebouwde of ongebouwde eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.

2.7.

Vast staat dat de woning van de imam een eigen ingang aan de straatzijde heeft en voorzien is van een eigen keuken en toiletvoorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank is de woning van de imam een zelfstandig WOZ-object, aangezien deze blijkens de indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De woning en de moskee kunnen als één onroerende zaak worden aangemerkt, indien sprake is van een samenstel van gebouwen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en bij elkaar horen. De bewijslast dat hiervan sprake is, rust op de heffingsambtenaar. Tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende is de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet in deze bewijslast geslaagd, te meer nu het gangbaar is dat een imam in dienstbetrekking tot een bestuur van een moskee staat en voorstelbaar is dat het ter beschikking staan van een woning deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden die de imam en het stichtingsbestuur zijn overeengekomen.

2.8.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de gebruiker van de woning dezelfde is als die van het gehele complex, is het WOZ-object te ruim afgebakend. De WOZ-waarde van de moskee moet daarom worden verminderd met de WOZ-waarde van de woning van de imam. Gezien de overeenstemming over de gehanteerde heffingsgrondslag voor de aanslag OZB gebruikers – met voorbijgaan aan de vrijstellingsbepaling waarop belanghebbende zich beroept – moet de WOZ-waarde dan worden verlaagd tot het niveau van OZB-grondslag, zijnde een bedrag van € 1.412.000.

OZB-aanslag

2.9.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ is bepaald dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

2.10.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 mei 1980 (nr. 19 807, BNB 1980/177) geoordeeld dat het begrip openbare eredienst moet worden opgevat overeenkomstig het algemeen geldend spraakgebruik. Voor het antwoord op de vraag of aan het ‘in hoofdzaak’- criterium is voldaan is bepalend in welke mate de inhoud van de gehele onroerende zaak voor de openbare eredienst dan wel voor andere doeleinden wordt gebruikt (HR 4 december 1991, nr. 27661, BNB 1992/47). Ter zitting hebben partijen ook verklaard dat in dit geval een vergelijking op basis van inhoudsgegevens moet worden gehanteerd.

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank moet met betrekking tot het gebruik van de moskee onder ‘openbare eredienst’ worden verstaan: de openbare gebedsdiensten en alle openbare activiteiten die met de openbare gebedsdiensten zozeer zijn verweven dat zij moeten worden geacht daarvan deel uit te maken.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan door de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de moskee een openbaar gebouw is.

2.13.

Niet in geschil is dat de totale inhoud van de moskee 9.078 m3 is. Gezien het feit dat de woning als zelfstandig WOZ-object is aan te merken, moet naar het oordeel van de rechtbank voor het bepalen van het 70%-criterium de totale inhoud van de moskee worden verminderd met de inhoud van de woning. Ter zitting is komen vast te staan dat de totale inhoud exclusief de woning 8.753 m3 is. Aan de vereisten van de vrijstelling is dan voldaan indien ten minste 70% daarvan, zijnde 6.127,1 m3, is bestemd voor openbare erediensten. Dit betekent dat aan de vereisten van de vrijstelling niet is voldaan indien ten minste 2.625,9 m3 niet is bestemd voor openbare erediensten.

2.14.

Naast de gebedsruimte (voor de heren op de begane grond en voor de vrouwen op de bovenverdieping van de tempel) dienen naar het oordeel van de rechtbank ook de was- en toiletruimten die, al dan niet via de traverse, zijn verbonden met de gebedsruimte, te worden gerekend tot ruimten waarvan het gebruik zozeer met de openbare gebedsdiensten zijn verweven dat zij moeten worden geacht daarvan deel uit te maken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een moslim die het verplichte gebed wil verrichten zich daarvoor eerst op een speciale manier moet reinigen en voor dit reinigen eerst zijn behoeften moet hebben gedaan. De was- en toiletruimten zijn daardoor noodzakelijk voor de rituelen die onderdeel uitmaken van het in gezamenlijkheid vereren van een opperwezen.

2.15.

De traverse wordt gebruikt voor zowel het betreden van de ruimten die worden gebruikt voor de openbare eredienst als het betreden van de overige ruimten. De inhoud van de traverse moet dan naar het oordeel van de rechtbank evenredig aan de inhoud van die ruimten worden toegerekend.

2.16.

De rechtbank is van oordeel dat de kelder van de tempel en het multifunctionele gebouw niet kunnen worden gerekend tot ruimten die worden gebruikt voor openbare erediensten zoals bedoeld in 2.11. In die ruimten komen mensen bij elkaar (ook buiten de gebedsdiensten en de daaraan verbonden rituelen om), wordt gewerkt of worden spullen opgeslagen. Dat die ruimten verbonden zijn met de beleving, verdieping en verspreiding van het islamitische geloof is onvoldoende om de ruimten aan te merken als ruimten die worden gebruikt voor openbare erediensten. In dit verband merkt de rechtbank op dat in het in 2.10 aangehaalde arrest BNB 1980/177 in relatie tot het christelijke geloof is geoordeeld dat vergaderingen van het kerkbestuur, catechisatieonderwijs en het kerkelijk jeugdwerk, waarbij wordt getracht aan de jeugd de bijbelse boodschap door te geven en de christelijke beginselen bij te brengen, niet zijn aan te merken als eredienst.

2.17.

De inhoud – en ook de oppervlakte – van de kelder van de tempel en het multifunctionele gebouw tezamen is op basis van hetgeen partijen hebben ingebracht niet vast te stellen. Van de verstrekte oppervlaktematen is een deel onvoldoende gedetailleerd en een deel onleesbaar. Gezien het feit dat de kelder van de tempel reeds een inhoud heeft van 2.390 m3, de kappersruimte een oppervlakte heeft van 5 m2, de kruidenierszaak van 48,7 m2, de bestuurskamer van 21 m2 en het kantoor van de imam van 23 m2, in combinatie met de overige in het multifunctionele gebouw aanwezige ruimten (zie 2.3) waarvan noch de inhoud noch oppervlakte voldoende bepaalbaar is voor de rechtbank, acht de rechtbank aannemelijk dat in totaal meer dan 30% (2.625,9 m3, zie 2.13) van de moskee niet wordt gebruikt voor de openbare eredienst. De moskee is dan niet hoofdzakelijk, want niet voor ten minste 70%, bestemd voor de openbare eredienst, waardoor de vrijstelling niet van toepassing is.

2.18.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat, indien de vrijstelling niet kan worden toegepast, de heffingsmaatstaf voor de OZB-aanslag juist is, is deze aanslag niet te hoog vastgesteld.

2.19.

Gelet op het overwogene in 2.8 is het beroep gegrond verklaard.

2.20.

Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de kosten voor de bijstand door de deskundige, [deskundige] . Belanghebbende heeft aangegeven dat de deskundige 5 arbeidsuren aan de zaak van belanghebbende heeft besteed en de heffingsambtenaar heeft ter zitting het aangegeven aantal uren redelijk te vinden. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat bij gegrondverklaring van het beroep naast de proceskostenvergoeding voor de gemachtigde een vergoeding voor de deskundige kan worden toegekend op basis van vijf uur tegen het gemaximeerde uurtarief. In het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (het Besluit) is een tarief van ten hoogste € 116,09 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Dit betekent dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het tarief van de Wet op de omzetbelasting 1968. Dat geldt echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1222). Nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, wordt het te vergoeden uurtarief met omzetbelasting verhoogd. Dit betekent dat aan belanghebbende een vergoeding van € 702,34 (5 uur à € 116,09 vermeerderd met 21% omzetbelasting) wordt toegekend ter zake van de bijstand van de deskundige. De totale vergoeding bedraagt € 1.692,34 (€ 990 + € 702,34).

Deze uitspraak is gedaan op 25 januari 2017 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.