Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3770

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
02/331501 HA RK 17-118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/331501 HA RK 17-118

Beslissing van 15 juni 2017 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

raadslieden mr. P.H.L.M. Souren en mr. C.N.M. Dekker, beiden advocaat te Amsterdam.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer van 1 juni 2017, met daarin opgenomen het door verzoeker mondeling gedane verzoek tot wraking;

  • -

    de ter zitting van de wrakingskamer door de voorzitter van de meervoudige strafkamer overlegde en voorgelezen schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek;

  • -

    het door de Officier van Justitie ter zitting van de wrakingskamer overgelegde en voorgelezen stuk, met twee bijlagen;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 14 juni 2017, waarbij aanwezig waren: verzoeker, bijgestaan door raadsman mr. P.H.L.M. Souren, de rechters van de meervoudige strafkamer, [rechters], en de Officier van Justitie, [naam].

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de leden van de meervoudige strafkamer, bestaande uit [rechters] (hierna: de meervoudige strafkamer), in de zaak met parketnummer [nummer] (hierna: de hoofdzaak) op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek.

2.2.

Blijkens zijn hiervoor genoemde schriftelijke reactie, berust de meervoudige kamer niet in het verzoek tot wraking.

3 Feiten

3.1.

In de hoofdzaak wordt aan verzoeker tenlastegelegd het beïnvloeden van getuigen, het bezit van harddrugs en het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs.

3.2.

In het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer van 1 juni 2017 staat onder meer:

“De voorzitter vermaant verdachte goed op te letten en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

(…)

De voorzitter deelt mee dat de raadkamer zojuist een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Daarbij heeft de raadkamer het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond verklaard.

Mr. Dekker:

Ik wil een preliminair verweer voeren. Er is maar één moment waarop ik dit kan doen.

De voorzitter:

U onderbreekt mij. Ik ga eerst iets zeggen. De zaak zal vandaag pro forma worden behandeld.

Mr. Dekker onderbreekt de voorzitter nogmaals en voert aan:

Dit is het moment waarop de verdediging een preliminair verweer wenst te voeren.

De voorzitter:

Gaat uw gang, maar ik zou eerst graag willen dat u mij laat uitpraten. Ik heb slechts nog gezegd dat deze zitting een pro forma karakter draagt. Dit is vooraf aangekondigd. Deze zitting betreft nog geen regiezitting, een regiezitting zal later volgen. We gaan het vandaag hebben over de stand van zaken in het onderzoek en over de voorlopige hechtenis.

Mr. Dekker:

Ik zou graag een paar minuten overleggen met mijn confrère.

De voorzitter staat dit toe en schorst het onderzoek ter zitting. De rechtbank trekt zich terug in raadkamer. Na ongeveer tien minuten wordt de zitting hervat.

Mr. Souren:

De verdediging heeft zich gebogen over het besluit van de rechtbank.

De voorzitter:

Besluit?

Mr. Souren:

De beslissing om geen preliminaire verweren toe te laten.

De voorzitter:

Een besluit in die zin is niet genomen. Ik zei: “Ga uw gang.”

Mr. Souren:

Uw laatste woorden waren “we gaan het hebben over de stand van zaken en de voorlopige hechtenis”. De verdediging heeft derhalve geen andere keus om het rechterlijk college te wraken op twee gronden.

(…)

De voorzitter deelt mee dat zij zich niet bewust is van het feit dat er door de rechtbank een besluit is genomen in de zin zoals door de verdediging bedoeld.

(…)”

4 Standpunten partijen

4.1.

Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de meervoudige strafkamer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:

  • -

    de toelichting en de motivering van de beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift meebrengen dat de meervoudige strafkamer, die dezelfde samenstelling kent als de kamer die bedoelde beslissing heeft genomen, niet meer onbevangen over de preliminaire verweren kon oordelen omdat de preliminaire verweren min of meer gelijk zijn aan de bezwaren in het bezwaarschrift;

  • -

    het besluit is genomen om geen preliminaire verweren toe te staan.

4.2.

De meervoudige strafkamer heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat hij niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat:

  • -

    hij niet wist dat de preliminaire verweren dezelfde inhoud hadden als het reeds behandelde bezwaarschrift tegen de dagvaarding. En de bezwaarschriftprocedure ter zake de dagvaarding voorts een heel ander toetsingskader kent dan de te voeren preliminaire verweren;

  • -

    er niet is besloten om geen preliminaire verweren toe te staan.

5 Standpunt Officier van Justitie

De Officier van Justitie heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de meervoudige strafkamer niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat:

  • -

    in de bezwaarschriftprocedure slechts wordt getoetst of de vervolging lichtvaardig is ingesteld, terwijl in de hoofdzaak in min of meer volle omvang wordt beslist over de ontvankelijkheid van het OM;

  • -

    er nog geen besluit was genomen of de verdediging preliminaire verweren kon voeren.

6 De beoordeling

6.1.

Op grond van 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer hebben de rechters niet de schijn van vooringenomenheid gewekt. De wrakingkamer neemt daarbij het volgende in aanmerking.

6.3.1.

De wrakingskamer overweegt dat het toetsingskader dat de rechtbank hanteert bij de behandeling van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding een andere is dan het toetsingskader dat de rechtbank hanteert bij de vraag, in de hoofdzaak, of het Openbaar Ministerie al dan niet ontvankelijk is (vgl. r.o. 5.4.2 van HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9320, NJ 1998, 186). Reeds daarom valt niet in te zien waarom de meervoudige kamer enige schijn heeft gewekt die zou kunnen duiden op een vooringenomenheid in de zin van randnummer 6.2.

Voorts - en bovendien- staat vast dat verzoeker de gewenste preliminaire verweren niet eens heeft gevoerd, zodat bezwaarlijk gevreesd kan worden dat de kamer niet onpartijdig zal gaan oordelen in de situatie dat verzoeker de verweren naar voren heeft gebracht.

6.3.2.

De grief dat de meervoudige strafkamer heeft beslist om geen preliminaire verweren te laten voeren mist feitelijke grondslag. De wrakingskamer verwijst in dit opzicht naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan niet door verzoeker wordt betwist dat dit een juiste weergave bevat van hetgeen ter zitting is opgemerkt. In dat proces-verbaal staat dat de voorzitter van de meervoudige strafkamer, na het voor de tweede keer door de raadsman uitspreken van de wens een preliminair verweer te voeren, heeft gezegd: “Gaat uw gang”. En verder dat de voorzitter van de meervoudige strafkamer, na de opmerking van de raadsman dat de verdediging zich heeft gebogen over de beslissing om geen preliminaire verweren toe te laten, heeft gezegd: “Een besluit in die zin is niet genomen.”

Aan het vorenstaande doet niet af dat de voorzitter bij de weergave van hetgeen ter zitting zou worden besproken niet expliciet en met zoveel woorden het voeren van preliminaire verweren heeft genoemd.

6.4.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechters van de meervoudige strafkamer ten aanzien van hem vooringenomenheid koesteren objectief gerechtvaardigd is.

6.5.

Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6.6.

De Officier van Justitie geeft de wrakingskamer in overweging om, op grond van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, niet in behandeling wordt genomen omdat verzoeker het instrument van wraking zou misbruiken. De wrakingskamer ziet hiertoe, hoewel in de hoofdzaak reeds eerder een wraking had plaatsgevonden, thans geen aanleiding.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer: [nummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 15 juni 2017, door mr. Poerink, voorzitter, mr. ing. Peters en mr. van Kralingen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.