Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3711

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
AWB 16_10002
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3051, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning

Voor het oprichten van een antennemast ten behoeve van mobiele telecommunicatie en het kappen van zeven berken en één dubbelstammige wilg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/10002 WABOA

uitspraak van 16 juni 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te Goirle, eiser,

gemachtigde: mr. B. Smit,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

VodafoneZiggo B.V.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 oktober 2016 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan Vodafone Libertel B.V. (de rechtsvoorganger van derde partij) voor het oprichten van een antennemast ten behoeve van mobiele telecommunicatie en het kappen van 7 berken en 1 dubbelstammige wilg.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van der Meer en [naam vertegenwoordiger]. Derde partij (hierna: Vodafone) heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Karluk-Pellikaan.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 10 december 2015 heeft Vodafone een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een antennemast ten behoeve van mobiele telecommunicatie op het perceel Abcovensedijk ongenummerd te Goirle, kadastraal bekend sectie A, nummer 4571. In deze aanvraag is ook de deeltoestemming kappen aangevraagd voor het kappen van 7 berken en

1. dubbelstammige wilg. Op verzoek van Vodafone heeft het college de termijn om te beslissen op de aanvraag tweemaal verlengd.

Bij besluit van 7 maart 2016 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en strijdig planologisch gebruik en het kappen van 7 berken en 1 dubbelstammige wilg.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser voert, samengevat, aan dat het bouwwerk niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Volgens eiser wordt ten onrechte vastgehouden aan het welstandsniveau dat uit de Welstandsnota volgt. Niet het welstandsniveau voor het gebied dat in de Welstandsnota is aangeduid als ‘W8B Thematische uitbreidingsgebieden: Hoge Wal’ is van toepassing, maar het welstandsniveau dat geldt voor het buitengebied. Het welstandsadvies is niet gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college heeft niet gemotiveerd waarom de afwijking in planologisch opzicht aanvaardbaar is. Eiser stelt daartoe dat ingevolge het Antennebeleid antenne-installaties geen afbreuk mogen doen aan de monumentale waarde van gebouwen. Volgens eiser doet de bouw van een antennemast op slechts 25 meter afstand een grote afbreuk aan de monumentale waarde van zijn pand. Gelet op de korte afstand van het pand tot de antennemast had de gemeentelijke monumentencommissie het college moeten adviseren, aldus eiser. Als de mast omvalt, kan hij het monumentale pand beschadigen. Verder is de locatie van de mast vergelijkbaar met het buitengebied en is het ingevolge het Antennebeleid niet toegestaan om antennemasten in het buitengebied te plaatsen. Voorts is het volgens eiser onbegrijpelijk dat het college na de afwijzing van de eerdere aanvraag van 26 april 2011 thans bereid is om een vergunning te verlenen waarbij een afwijking van het bestemmingsplan wordt toegestaan. Destijds heeft het college geoordeeld dat de antennemast een te grote inbreuk op de omgeving vormde.

Eiser acht het onbegrijpelijk dat één zijde van het beekdal door het bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ wordt beschermd en dat daarop geen mast mogelijk is, terwijl tegen plaatsing aan de andere zijde van de beek geen ruimtelijke bezwaren bestaan. Daarnaast zijn in Provinciaal Milieu- en Waterplan 2012-2021 beide zijden van het beekdal aangemerkt als zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen en is de zijde waar de mast is voorzien aangemerkt als Natuurnetwerk Brabant. Volgens eiser verdraagt de plaatsing van de mast zich niet met de nagestreefde doelen uit het Provinciaal Milieu- en Waterplan en de doelstelling van de provincie voor het Natuurnetwerk Brabant.

Voorts voert eiser onder verwijzing naar het Groenstructuurplan aan dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. Door het toestaan van de mast wordt niet bijgedragen aan een gevoel voor rust, gemoedelijkheid en een dorpse sfeer. Het beleid ten aanzien van dorpsranden wordt volgens eiser geweld aangedaan. Eiser betwist de noodzaak van de antennemast. Hij ondervindt qua bereik geen enkel probleem. De door hem genoemde alternatieven zijn volgens eiser niet voldoende onderzocht. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het vellen of te doen vellen van een houtopstand, die is verleend voor het kappen van acht bomen, heeft volgens eiser een onvoldoende belangenafweging plaatsgevonden.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…);

(…)

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Het tweede lid van artikel 2.10 bepaalt dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Grobbendonck – De Groote Akkers – De Hoge Wal’(het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming Groenvoorzieningen’.

Artikel 11.1 van de planvoorschriften bepaalt dat de tot ‘Groenvoorzieningen’ aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten;

b. uitritten, voet- en fietspaden;

c. nutsvoorzieningen;

d. bermen en bermsloten;

e. evenementen;

f. behoud en ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden;

g. ecologische voorzieningen;

h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 4.11, eerste lid, van de APV Goirle 2016 (APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.11, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV is een houtopstand beschermd wanneer deze bestaat uit meerdere bomen, die tezamen een grondoppervlak hebben van meer dan 100 m².

Ingevolge artikel 4.11, vierde lid kan een vergunning worden geweigerd op grond van onder andere:

a. alternatieven waarbij de houtopstand, vermeld op de Groene kaart, kan worden gespaard;

b. natuurwaarde van de houtopstand;

c. landschappelijke waarde van de houtopstand;

d. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

e. beeldbepalende waarde van de houtopstand;

f. cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

g. waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

h. concreetheid en haalbaarheid project.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het oprichten van de antennemast in strijd is met het bestemmingsplan. Het ter plaatse geldende bestemmingplan staat namelijk op de betreffende locatie met de bestemming ‘Groenvoorzieningen’ de oprichting van een antennemast niet toe. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo juncto artikel 4, vijfde lid, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning verleend. Nu de aangevraagde mast een hoogte heeft van 37,5 meter en de genoemde bepaling van bijlage II van het Bor de oprichting van een dergelijke antennemast toestaat, is de rechtbank van oordeel dat het college bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen.

5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het college in redelijkheid van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning gebruik heeft kunnen maken.

6. Met betrekking tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen van de Welstandscommissie overweegt de rechtbank het volgende. Het plan is meerdere malen voorgelegd aan en beoordeeld door de Welstandscommissie. Op 5 januari 2016 heeft de Welstandscommissie een positief advies ten aanzien van de realisering van het bouwplan uitgebracht. In wat door eiser is aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies. Het is volgens vaste rechtspraak aan eiser om te komen met een deskundig tegenadvies. Dat is niet overgelegd, zodat de rechtbank geen reden ziet waarom het college niet op de adviezen mocht afgaan. Het college heeft zich terecht op de adviezen gebaseerd. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het plan moet worden getoetst aan de welstandscriteria voor het buitengebied overweegt de rechtbank het volgende. Niet ter discussie staat dat het plan is gelegen in het gebied dat in de Welstandsnota is aangeduid als ‘W8B Thematische uitbreidingsgebieden: Hoge Wal’. Hieruit volgt dat het plan dient te worden getoetst aan de criteria die volgens de Welstandsnota gelden voor het gebied met de hiervoor genoemde aanduiding en niet zoals eiser stelt aan de criteria die gelden voor het ‘Buitengebied’. De rechtbank onderschrijft het door het college ingenomen standpunt dat indien de gemeenteraad van oordeel was dat de betreffende locatie voor de welstandstoetsing tot het buitengebied gerekend had moeten worden de raad dit als zodanig had moeten opnemen in de Welstandsnota.

7. Voor wat betreft de beroepsgrond dat het college niet heeft gemotiveerd waarom de afwijking in planologisch opzicht aanvaardbaar is overweegt de rechtbank dat in het Antennebeleid middels een zoneringskaart gebieden zijn benoemd waar plaatsing van vergunningplichtige antennemasten mogelijk is en dat uit het Antennnebeleid blijkt dat de

plaatsingszones tot stand zijn gekomen op basis van een integrale afweging waarbij ruimtelijke, landschappelijke, ecologische, maatschappelijke en technische aspecten zijn meegenomen. Vast staat dat het plan is gesitueerd in een gebied dat in de zoneringskaart is aangewezen als een gebied waar plaatsing van een antennemast mogelijk is, zodat, gelet op genoemde afweging, niet gezegd kan worden dat het college niet heeft gemotiveerd dat de afwijking in planologisch opzicht aanvaardbaar is.

8. De rechtbank kan zich vinden in het door het college ingenomen standpunt dat er, gelet op de afstand tussen eisers woning en de antennemast en de inpassing van de mast tussen opgaand groen, geen sprake is van een onaanvaardbare afbreuk van de monumentale waarde van eisers woning. Voor een andersluidend oordeel heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden.

9. De rechtbank kan zich eveneens vinden in het door het college ingenomen standpunt dat toetsing van de aanvraag door de Monumentencommissie niet aan de orde is. Ingevolge paragraaf 4.6 van het Antennebeleid adviseert de Monumentencommissie over de aanvraag indien sprake is van het oprichten van een mast op, aan of bij een monument. Van een dergelijke situatie is geen sprake nu de antennemast is gesitueerd aan de overzijde van een weg op een ander perceel dan dat van eiser en de afstand tussen eisers monumentale pand en de omheining van de antennemast ongeveer 30 meter bedraagt. Gelet op de afstand tussen de mast en de woning en de voor het plan geldende eisen met betrekking tot veiligheid en constructie kan in redelijkheid niet worden geoordeeld dat een veiligheids- en/of beschadigingsrisico voor eisers woning bestaat als gevolg van het omvallen van de mast.

De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat het op grond van het Antennebeleid niet is toegestaan om de mast op de beoogde locatie te plaatsen. Voor de vraag of de boogde locatie is gelegen in het buitengebied is het college terecht uitgegaan van het ter plaatse geldende planologische regime. Daarbij is de vraag of de beoogde locatie moet geacht te zijn gelegen binnen of buiten de bebouwde kom niet relevant.

10. Voor wat betreft eisers verwijzing naar de afwijzing door het college van de eerdere aanvraag van 26 april 2011 heeft het college terecht gesteld dat dit geen gelijke gevallen zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de aanvraag uit 2011 dateert uit de periode voor de totstandkoming van het Antennebeleid en dat voor de in 2011 aangevraagde locatie sprake is van een ander planologisch regime.

11. Ten aanzien van de beroepsgrond dat plaatsing van de mast zich niet verdraagt met de nagestreefde doelen uit het Provinciaal Milieu- en Waterplan en de doelstelling van de provincie voor het Natuurnetwerk Brabant overweegt de rechtbank als volgt. Door het college is gesteld dat voor de zijde van de beek waar de antenmast is voorzien op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan een beschermingszone geldt en dat de beoogde locatie buiten deze beschermingszone valt. Dit wordt door eiser niet bestreden. Voorts heeft het college gesteld dat het plangebied wel deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland.

Uit de in opdracht van Vodafone uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna blijkt volgens het college dat de mast slechts het effect heeft van oppervlakteverlies van 10 bij 10 meter vrij jong voedselrijk droog loofbos en dat de verbindende functie van het Natuurnetwerk niet wordt aangetast. De rechtbank kan zich met dit standpunt verenigen. Uit hetgeen door eiser is aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat plaatsing van de mast zich niet verdraagt met de nagestreefde doelen uit het Provinciaal Milieu- en Waterplan en de doelstelling van de provincie voor het Natuurnetwerk Brabant.

12. Eiser stelt zich onder verwijzing naar het Groenstructuurplan op het standpunt dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. Door het toestaan van de mast wordt niet bijgedragen aan een gevoel voor rust, gemoedelijkheid en een dorpse sfeer. Het beleid ten aanzien van dorpsranden wordt volgens eiser geweld aangedaan. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de uitgangspunten van het Groenstructuurplan. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. In de eerste plaats is van belang dat het Groenstructuurplan geen regels bevat, maar richting geeft aan de gewenste groenstructuur. Daarnaast is de beoogde locatie met een oppervlakte van 10 bij 10 meter gelegen in een 400 meter lange groene dorpsrand met een breedte variërend tussen de 50 en 100 meter. Hieruit volgt dat de realisatie van de antennemast een geringe impact op de groene dorpsrand heeft en geen onevenredige aantasting van het betreffende groengebied vormt.

13. Voor wat betreft de uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de resultaten van het onderzoek. De quickscan is uitgevoerd door een onderzoeker van een erkend bureau en geeft blijk van voldoende onderzoek. Voorts blijkt uit het onderzoek dat de beschermde kamsalamander weliswaar voorkomt in Goirle, maar deze niet valt te verwachten op de beoogde locatie nu deze locatie een zeer verdroogd en verland wilgenstruweel betreft.

14. Eiser betwist de noodzaak van de antennemast. Hij ondervindt qua bereik geen enkel probleem. De mogelijkheid om een andere en beter geschikte locatie te vinden is volgens eiser niet voldoende onderzocht. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het college heeft zich voor wat betreft de noodzaak van de antennemast gebaseerd op een door Vodafone uitgevoerd onderzoek. Uit dit onderzoek volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de antennemast noodzakelijk is voor het realiseren van een adequaat dekkend netwerk met voldoende capaciteit. Het enkele feit dat eiser en andere buurtbewoners geen problemen ondervinden voor wat betreft het bereik is onvoldoende om de resultaten van het door Vodafone uitgevoerde onderzoek in twijfel te trekken.

Voor wat betreft de door eiser genoemde alternatieven overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), kan, indien het ingediende plan op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dit betekent niet dat het college zelf moet onderzoeken of er alternatieven met een gelijkwaardig resultaat bestaan voor de antennemast. Het college dient de door Vodafone ingediende aanvraag als uitgangpunt te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde alternatieve locaties een gelijkwaardig resultaat hebben en aanmerkelijk minder bezwaren opleveren.

15. Voor zover eiser zich, onder verwijzing naar het rapport van de Gezondheidsraad van 20 juli 2016 en de uitspraak van de AbRS van 26 oktober 2016 (ECLI: NL:RVS:2016:2840), op het standpunt stelt dat er gelet op de gezondheidsrisico’s een onredelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Voor wat betreft de gestelde gezondheidsrisico’s verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de AbRS van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:BR5664), waarin de AbRS heeft overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport "Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008" van maart 2009 heeft vermeld dat volgens de commissie Elektromagnetische velden er geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. Uit het door eiser genoemde rapport van de Gezondheidsraad van 20 juli 2016 blijkt niet dat het standpunt van de Gezondheidsraad nadien is gewijzigd.

16. Ten aanzien van de beroepsgrond dat voor het kappen van acht bomen een onvoldoende belangenafweging plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de acht bomen deel uitmaken van een groter bos en dat het om een relatief klein stukje van het totale bos gaat dat minder goed zichtbaar is vanaf de weg. Verder betreft het jonge en algemeen voorkomende bomen die geen bijzondere natuurwaarde hebben. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank een geringe aantasting van de waarde voor wat betreft landschap, beeldkwaliteit, leefbaarheid en natuur. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de waarden niet opweegt tegen het maatschappelijk belang van het realiseren van de antennemast.

17. De conclusie van het voorgaande is dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten.

18. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.