Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3708

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
16_10130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om overname betalingsverplichtingen in verband met betalingsonmacht van werkgever. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Geen schriftelijke arbeidsovereenkomst en geen salarisbetalingen. Ook opstelling van de werkgever na een verkeersongeluk wijst niet op een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Weliswaar is een arbeidsverhouding aangemeld in Suwinet, zijn er loonaangiftes gedaan en is eiser aangemeld bij het pensioenfonds, maar dit zou ook kunnen berusten op een fout van de werkgever. Dit zou bijvoorbeeld verklaren waarom de loonaangiftes na drie maanden abrupt zijn gestopt. De door eiser genoemde persoonlijke omstandigheden geven geen inzicht in wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de rechtsverhouding en op welke wijze zij uitvoering hebben gegeven aan de rechtsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/10130 WW

uitspraak van 13 juni 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: [gemachtigde eiser] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Zwolle), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 oktober 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake het recht op een uitkering wegens betalingsonmacht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (zijn stiefvader) en [familielid1] (moeder). Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de rechtbank Overijssel [bedrijf1] . ( [bedrijf1] ) in staat van faillissement verklaard.

Op 17 mei 2016 heeft de curator – op basis van de hem ter beschikking staande informatie – de arbeidsovereenkomst tussen eiser en [bedrijf1] opgezegd.

Eiser heeft op 27 mei 2016 bij het UWV een aanvraag om overname van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van de werkgever ingediend. Volgens eiser was hij sinds 1 september 2015 in dienst bij [bedrijf1] .

Bij besluit van 29 juni 2016 (primair besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiser afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit, kort samengevat, op het volgende standpunt. Naast een dienstverband als werknemer is het ook mogelijk dat iemand zich als zelfstandige verhuurt. Er kan niet op overtuigende wijze worden geconcludeerd dat eiser per 1 september 2015, dan wel tot 11 mei 2016 (datum faillissement), in dienst was van [bedrijf1] . Ook is niet gebleken dat eiser [bedrijf1] tijdig en voortvarend heeft aangesproken of heeft laten aanspreken op het niet uitbetalen van loon (waarvan eiser stelt dat hij daar recht op heeft). Daarom is terecht gesteld dat eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW) geen recht heeft op een uitkering wegens betalingsonmacht van [bedrijf1] .

3. Eiser voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een malafide werkgever. Uit onderzoek is gebleken dat eiser zwakbegaafd is en problemen heeft in het sociaal functioneren en oordeelsvorming. Daarnaast staat hij al jaren onder bewind. Het is dus niet aannemelijk dat hij enige vorm van zelfstandig ondernemerschap kan uitvoeren. Twee collega’s hebben verklaard dat zij eiser kennen als een collega-werknemer. Het besluit van het UWV berust alleen op onjuiste aannames.

Beoordeling

4. De vraag die beantwoord moet worden, is de vraag of eiser kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Hiervoor is vereist dat eiser in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot de werkgever.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval, in onderling verband gezien. Het gaat dan niet alleen om de rechten en verplichtingen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar ook om de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding.

Omstandigheden van het geval

5. Eiser heeft verklaard dat hij op 1 september 2015 een arbeidsovereenkomst heeft getekend met [bedrijf1] , voor de duur van één jaar. Eiser heeft geen kopie van de arbeidsovereenkomst gekregen. Het UWV heeft stukken opgevraagd bij de curator. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst is niet boven tafel gekomen.

6. Uit Suwinet blijkt wel dat [bedrijf1] een arbeidsverhouding met eiser heeft aangemeld, ingaande op 1 september 2015. De eerste drie maanden (september tot en met november 2015) heeft [bedrijf1] loonaangiftes ingediend bij het UWV, maar daarna niet meer.

7. Eiser heeft een brief ontvangen van het Pensioenfonds Vervoer, waarin staat dat hij per 1 september 2015 in dienst is bij [bedrijf1] . De eerste drie maanden (september tot en met november 2015) heeft [bedrijf1] aan het pensioenfonds melding gemaakt van de gewerkte uren en het uurloon, maar daarna niet meer. Eiser is niet afgemeld bij het Pensioenfonds Vervoer.

8. Eiser heeft nooit loon uitbetaald gekregen, ook niet over de maanden september tot en met november 2015. Eiser heeft ook nooit salarisstroken ontvangen. Uit eisers bankafschriften blijkt alleen dat hij onkostenvergoedingen heeft ontvangen van [bedrijf1] .

9. Eiser heeft op 27 februari 2016 in Frankrijk, als bestuurder van een vrachtauto van [bedrijf1] , een verkeersongeval gekregen. Eiser is als gevolg van dit ongeluk opgenomen geweest in een ziekenhuis in Frankrijk. [bedrijf1] heeft geen ziektegeld uitgekeerd. Daarnaast is eiser niet begeleid tijdens zijn ziekte. Ook is er vanuit [bedrijf1] niets gedaan om eiser vanuit het ziekenhuis in Frankrijk naar Nederland te krijgen. De transportkosten per ambulance zijn door eisers stiefvader betaald.

Overwegingen rechtbank

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [bedrijf1] . Er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat hij en [bedrijf1] bij het aangaan van hun rechtsverhouding een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben beoogd. Daarnaast zijn er door [bedrijf1] geen salarisbetalingen gedaan. Ook de opstelling van [bedrijf1] na eisers ongeluk wijst niet op een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Deze zaken bij elkaar duiden er dus niet op dat eiser werknemer was.

Weliswaar staat daar tegenover dat er een arbeidsverhouding is gemeld in Suwinet, dat er bij het UWV loonaangiftes zijn gedaan en dat eiser is aangemeld bij het Pensioenfonds Vervoer, maar deze zaken hebben betrekking op een beperkte periode, namelijk van september tot en met november 2015. Het UWV heeft ten aanzien van deze omstandigheden gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat [bedrijf1] er na verloop van tijd achter is gekomen dat eiser geen werknemer was, maar dat eiser zich als zelfstandige had verhuurd. Het UWV zegt dus niet met zekerheid dat eiser zelfstandige was, maar dat de genoemde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk maken dat eiser werknemer was in de zin van de WW. De rechtbank is het hier mee eens. Nu er geen arbeidsovereenkomst ligt en er geen salarisbetalingen zijn gedaan, is het (ook) mogelijk dat de aanmeldingen in Suwinet en bij het Pensioenfonds Vervoer berusten op een door [bedrijf1] gemaakte fout. Dit zou bijvoorbeeld verklaren waarom de loonaangiftes abrupt zijn gestopt per 1 december 2015.

Eiser is van mening dat er (andere) omstandigheden zijn die duiden op een privaatrechtelijk dienstverband. Eiser heeft daarbij gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden die maken dat het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige niet voor de hand ligt, en de omstandigheid dat er sprake is van een malafide werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hierbij echter om bijkomstige omstandigheden waaraan minder gewicht kan worden toegekend. Deze omstandigheden geven namelijk geen inzicht in wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de rechtsverhouding en op welke wijze zij uitvoering hebben gegeven aan de rechtsverhouding. Ten aanzien van de verklaringen van twee collega’s die eiser heeft overgelegd overweegt de rechtbank dat uit die verklaringen niet blijkt hoe eisers collega’s hebben kunnen vaststellen dat eiser als werknemer in dienst was (en niet als zelfstandige was ingehuurd).

Volgens het UWV is het – alles bij elkaar opgeteld – onvoldoende duidelijk gebleven of eiser werknemer of zelfstandige was. De rechtbank is het daarmee eens. Er zijn te weinig gegevens, ook in samenhang bezien, om een privaatrechtelijk dienstverband aan te nemen. Het UWV heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht had op een uitkering wegens betalingsonmacht.

De rechtspraak waarnaar eisers gemachtigde ter zitting heeft verwezen, brengt geen verandering in dit oordeel van de rechtbank. Het gaat in die uitspraken bijvoorbeeld om een situatie waarin uitdrukkelijk was gebleken dat er geen sprake was geweest van een arbeidsovereenkomst en een andere situatie waarin juist uitdrukkelijk het tegendeel was gebleken, om de positie van een directeur-grootaandeelhouder, om het ontbreken van een gezagsverhouding en om andere kwesties, maar niet om situaties die op de relevante (hiervoor besproken) onderdelen gelijk zijn aan de situatie van eiser. Verder heeft eisers gemachtigde gewezen op artikel 2.11 van de Wet wegvervoer goederen en op diverse publicaties over zelfstandigen zonder personeel. Ook deze stukken maken het oordeel van de rechtbank niet anders.

11. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. C.E.M. Marsé, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.