Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:354

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
02-821123-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring art. 227b Sr. Bijstandsfraude. Gezamenlijke huishouding op basis van eigen verklaring verdachte en het – volgens Nibudnorm – gestegen waterverbruik in de woning van verdachte en gedaalde waterverbruik in de woning van de medeverdachte. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821123-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres verdachte]

raadsman: mr. N.P.P.C. Langenberg, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 december 2016. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. Bezem, en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

primair

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 te Breda, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van

zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, niet opgegeven en/of verzwegen dat zij samenwoonde met [naam] en/of met hem een gezamenlijke huishouding voerde;

subsidiair

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 te Breda, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, niet opgegeven en/of verzwegen dat zij samenwoonde met [naam] en/of met hem een gezamenlijke huishouding voerde.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samenwoonde aan de [adres verdachte] en met medeverdachte [naam] een gezamenlijke huishouding voerde. Volgens de officier van justitie heeft verdachte opzettelijk nagelaten deze informatie te verstrekken aan de gemeente, terwijl zij wist dat deze informatie van belang was voor de vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van de bijstandsuitkering. Het benadelingsbedrag voor de gemeente Breda bedraagt ruim € 60.000-.

De officier van justitie baseert zich daarbij op de (stelselmatige) observaties door de sociale recherche van de gemeente Breda, de verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam] , de verklaringen van diverse getuigen en de gegevens omtrent het waterverbruik van de woningen gelegen aan de [adres verdachte] en aan het [adres 1] .

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, de gehele tenlastegelegde periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie stelt subsidiair dat het primair tenlastegelegde in ieder geval vanaf 12 juni 2014 tot en met 31 oktober 2015 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie volgt 12 juni 2014 als peildatum uit de gegevens omtrent het waterverbruik. De officier van justitie stelt dat in de periode na deze peildatum een extreem laag waterverbruik van de woning van de medeverdachte [naam] aan het [adres 1] en een hoger waterverbruik van verdachtes woning aan de [adres verdachte] is gemeten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor vrijspraak van het tenlastegelegde en betwist primair uitdrukkelijk dat verdachte en medeverdachte [naam] in de periode van 11 april 2011 tot en met 31 oktober 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De verdediging stelt subsidiair dat van een gezamenlijke huishouding hooguit sprake zou kunnen zijn vanaf april 2015. Voorts stelt de verdediging dat verdachte niet bewust heeft getracht de gemeente Breda te misleiden en dat verdachte alle relevante informatie omtrent haar leefsituatie heeft doorgegeven aan haar contactpersonen bij de gemeente. Derhalve betwist de raadsman dat verdachte haar inlichtingenplicht niet zou zijn nagekomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte een strafrechtelijk verwijt in de zin van artikel 227b dan wel artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht kan worden gemaakt, in die zin dat verdachte al dan niet opzettelijk heeft verzwegen dat zij samenwoonde dan wel een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze zaak het volgende voorop.

Sinds 1 januari 2015 geldt de Participatiewet in plaats van de Wet werk en bijstand (WWB). De artikelen 3 en 17 van de Participatiewet, die in deze strafzaak van belang zijn, zijn gelijkluidend aan de artikelen 3 en 17 van de WWB.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet dient de uitkeringsgerechtigde uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze gegevens van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Dit geldt ook voor gegevens die betrekking hebben op het gaan samenwonen met een ander en/of het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een ander. Indien wordt nagelaten deze gegevens tijdig te verstrekken, kan dit leiden tot een strafrechtelijk verwijt in vorenbedoelde zin.

Volgens artikel 3, derde lid, van de Participatiewet is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien (i) de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en (ii) uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander. Daarbij zijn objectieve omstandigheden van belang en niet de subjectieve beleving van de betrokkenen.

Verdachte ontving met ingang van 21 juli 2009 een uitkering op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder plus een toeslag.1 Verdachte heeft met [naam] een kind dat door hem is erkend. Verdachte staat samen met haar twee kinderen ingeschreven op het adres [adres verdachte] .2 [naam] staat ingeschreven op het adres [adres 1] .3

Verdachte heeft op 17 november 2015 verklaard dat zij en [naam] sinds een jaar weer wilden samenwonen. Hij kwam elke dag om zijn dochter te zien en bleef 1 tot 2 keer per week slapen. Als ze genoeg had gekookt, at hij mee. Sinds dat zij werkt, is [naam] gemiddeld 5 dagen in de week in haar woning en blijft hij ook slapen. [naam] gaat meestal mee om boodschappen te doen die zij over het algemeen betaalt. Soms is ze het vergeten en haalt en betaalt [naam] de boodschappen. Hij maakt van alle faciliteiten in de woning gebruik.4 Ze heeft nooit uit eigen beweging gemeld dat ze een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] .5


[naam] heeft verklaard dat, sinds [verdachte] werkt, hij altijd in haar woning is om, tijdens haar afwezigheid, voor de kinderen te zorgen. Buiten die tijdstippen komt hij ook regelmatig in de woning.6

Uit het onderzoek met betrekking tot het pand [adres 1] , blijkt dat het waterverbruik in de periode van 12 juni 2014 tot en met 17 juni 2015 9 m3 bedroeg.

De jaren daarvoor bedroeg het respectievelijk 29 m3, 22 m3 en 29 m3. De Nibudnorm voor een eenpersoonshuishouden bedraagt 46 m3. Het waterverbruik van het pand [adres verdachte] bedroeg in de periode van 7 juli 2014 tot 12 juni 2015 328 m3. De Nibudnorm voor een driepersoons- en vierpersoonshuishouden bedraagt 127 dan wel 159 m3. 7

Uit de verklaringen van verdachte en [naam] blijkt dat het zwaartepunt van het leven van [naam] vanaf enig moment is gaan liggen in de woning van verdachte en er dus sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf.

De rechtbank leidt uit de gegevens met betrekking tot het waterverbruik af dat hiervan sinds 14 juni 2014 sprake is geweest. Vanaf die datum is het waterverbruik in de woning van [naam] beduidend afgenomen en lag dit verbruik zelfs ver onder de Nibudnorm voor een eenpersoonshuishouden. In diezelfde periode is het waterverbruik in de woning van verdachte juist beduidend gestegen en ligt het verbruik ver boven de Nibudnorm voor een driepersoonshuishouden.
Verdachte en [naam] hebben voor dit verbruik geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De rechtbank gaat er dan ook, gelet op de aanwezige bewijsmiddelen, van uit dat zij vanaf 14 juni 2014 een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van verdachte.

De omstandigheid dat [naam] met de uitkeringsverstrekkende instantie heeft afgesproken dat hij tijdens de werkzaamheden van verdachte op de kinderen paste, maakt voorgaande niet anders. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat sprake was van een verdergaande situatie dan het enkel op de kinderen passen tijdens de werkzaamheden van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het voeren van deze gezamenlijke huishouding vanaf 11 april 2011. De rechtbank hecht minder waarde aan de verklaringen van verdachte en [naam] dat zij vanaf 11 april 2011 een gezamenlijke huishouding voerden, nu het vrij algemene verklaringen betreffen, waaruit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de wet. Hetzelfde heeft te gelden voor de getuigenverklaringen waarnaar de officier van justitie heeft verwezen.
Daar komt bij, dat uit de verklaring van getuige [getuige] , afgelegd bij de rechter-commissaris, volgt dat [getuige] gedurende een periode van twee jaar samen met [naam] op het [adres 1] heeft gewoond en er in die periode een controle in die woning heeft plaatsgevonden. Uit het memo ter zake blijkt dat er op 11 september 2013 een onderzoek c.q. controle heeft plaatsgevonden in de woningen van verdachte en medeverdachte [naam] , waarbij [getuige] in de woning van [naam] werd aangetroffen.. Uit dit onderzoek zijn geen noemenswaardige feiten en omstandigheden gebleken die wezen op het voeren van een gezamenlijke huishouding van verdachte en [naam] . Sterker, er wordt gerelateerd dat de kleding, persoonlijke spullen en administratie van [naam] in zijn woning aanwezig waren. Ook is niet gebleken dat dit onderzoek consequenties heeft gehad voor de uitkeringen van verdachte of [naam] .

Nu verdachte in de ten laste gelegde periode samenwoonde met [naam] en zij samen met hem een gezamenlijke huishouding voerde, had zij de gemeente hiervan op de hoogte moeten stellen gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten. Verdachte wist immers, gelet op de (inlichtingen)formulieren8 die zij maandelijks voor haar uitkering moest invullen, dat deze informatie van belang was voor de beoordeling van haar recht op een bijstandsuitkering dan wel voor de hoogte of de duur van die bijstandsuitkering. Bovendien blijkt uit het dossier dat in het verleden (de hoogte van) haar uitkering verschillende keren is aangepast, omdat zich veranderingen voordeden in de samenwoning met [naam] .9

Indien men het recht op een uitkering op grond van de sociale zekerheidswetgeving geniet, is men gehouden om te allen tijde gegevens die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op die uitkering aan de betrokken uitkeringsinstantie door te geven. Dit geldt zondermeer indien die gegevens zien op het voeren van een gezamenlijke huishouding. Verdachte heeft evenmin op andere wijze de gemeente op de hoogte gesteld van de gewijzigde woonsituatie.

Naar oordeel van de rechtbank kan het, gelet op de omvang en de intensiteit van het samenwonen, niet anders zijn dan dat verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een uitkering. De rechtbank is daarom van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2011 12 april 2014 tot en met 31 oktober 2015 te Breda, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van

zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, niet opgegeven en/of verzwegen dat zij samenwoonde met [naam] en/of met hem een gezamenlijke huishouding voerde;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van twee jaar als stok achter de deur. De officier van justitie heeft in zijn strafeis rekening gehouden met de hoogte van het benadelingsbedrag voor de gemeente en het blanco strafblad van verdachte.

6.2

Het standpunt van de raadsman

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft niet opgegeven dat zij samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde met een ander gedurende de periode van 12 juni 2014 tot en met 31 oktober 2015. Als gevolg hiervan heeft de gemeente Breda de aanvraag voor een bijstandsuitkering niet op juiste wijze kunnen beoordelen en heeft verdachte ten onrechte een hogere bijstandsuitkering ontvangen. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat en heeft de gemeenschap schade geleden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank voorts het volgende in aanmerking.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een benadelingsbedrag van ruim

€ 60.000,- voor de gemeente Breda. Het benadelingsbedrag is van invloed op de strafmaat.

Gelet op de bewezenverklaring en de daarin opgenomen periode zal het benadelingsbedrag door de rechtbank ongeveer 1/3 lager worden geschat. Bijgevolg zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken geldt als uitgangspunt bij een benadelingsbedrag tussen de € 10.000,- en € 70.000,- het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tussen de 2 en 5 maanden of een taakstraf.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat zij een blanco strafblad heeft.

Gelet op bovenvermelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 100 uur met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27 en 227b van het Wetboek van Strafrecht en artikel 17 van de Participatiewet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uur;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Linden, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 januari 2017.

1 Het schriftelijk bescheid, zijnde het besluit tot wijziging bijstandsuitkering van 30 juli 2009, p. 535.

2 Het proces-verbaal algemeen deel, p. 16.

3 Het proces-verbaal algemeen deel, p. 15.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 637.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 639.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [naam] , p. 631.

7 Het proces-verbaal algemeen deel, p. 16.

8 Informatieformulieren, p. 538-564.

9 Het proces-verbaal algemeen deel, p. 18.