Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3380

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-05-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3867
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

16/3867

Art. 2, zesde lid, van de Wet LB’64 en artt. 3.81 en 3.96, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001; vrijwilligersvergoeding.

Belanghebbende heeft als secretaris werkzaamheden verricht voor het verantwoordingsorgaan van een stichting. Nu de door belanghebbende ontvangen bruto-vergoeding het voor de vrijwilligersregeling gestelde maximumbedrag van € 1.500 overschrijdt is die regeling niet van toepassing. Voor een partiële vrijstelling – zoals belanghebbende voorstaat – biedt de wet geen mogelijkheid. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 2
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 3.96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1432
V-N 2017/44.22.19
FutD 2017-1567
NTFR 2017/2178 met annotatie van mr. drs. A.C.M. Kuypers
NLF 2017/1505 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/3867

uitspraak van 16 mei 2017

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 juni 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2013 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.901 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 400 ( [aanslagnummer] .H.36.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in 2013 als secretaris werkzaamheden verricht voor het verantwoordingsorgaan van [de stichting] (hierna: [de stichting] ). Hij ontving voor het bijwonen van vergaderingen een brutovacatiegeld van € 520 per vergadering. Belanghebbende heeft in 2013 vier vergaderingen bijgewoond en in verband daarmee van [de stichting] , onder inhouding van € 1.082 aan loonheffingen, een bedrag ontvangen van € 2.080 bruto (hierna: vergoeding). [de stichting] heeft bij brief van 22 februari 2016 desgevraagd aan belanghebbende te kennen gegeven dat er in 2013 geen arbeidsovereenkomst tussen hem en [de stichting] bestond.

2.2.

Belanghebbende heeft op 22 maart 2014 aangifte IB/PVV over 2013 gedaan. Hierbij heeft hij de vergoeding tot een bedrag van € 1.500 aangemerkt als vrijgestelde vrijwilligersvergoeding en het restant van € 508 aangegeven als inkomsten uit werk en woning. De inspecteur is bij de aanslag IB/PVV 2013 afgeweken van de aangifte door het bedrag van € 1.500 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning te rekenen.

2.3.

In geschil is of de van [de stichting] ontvangen vergoeding tot een bedrag van € 1.500 kan worden aangemerkt als een vrijgestelde vergoeding ingevolge de zogenoemde vrijwilligersregeling.

2.4.

Aan toetsing aan de vrijwilligersregeling wordt toegekomen indien belanghebbendes werkzaamheden voor het verantwoordingsorgaan voor hem een bron van inkomen vormen. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat zijn werkzaamheden voor het verantwoordingsorgaan circa 100 uren in beslag hebben genomen en voorts dat hij in dit kader geen onkosten heeft gemaakt. Gelet daarop kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat de vergoeding die neerkomt op circa € 20 bruto per uur – niet in verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van de verrichte werkzaamheden. De door belanghebbende ontvangen vergoeding behoort – met voorbijgaan aan de vrijwilligersregeling – tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Daaraan doet het ontbreken van een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [de stichting] niet af.

2.5.

Vrijwilligersvergoedingen van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar zijn niet belast voor de loon- en inkomstenbelasting (artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in samenhang met artikel 3.81 en 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001).

2.6.

Belanghebbende stelt dat hij aan de in 2.5 genoemde voorwaarden voldoet nu in 2013 zijn netto-vergoeding minder dan € 1.500 bedroeg, namelijk € 2.080 min € 1.082 aan loonheffingen dus € 998. Anders dan belanghebbende meent, moet zijn bruto-vergoeding worden getoetst aan de in 2.5 genoemde maximumbedragen. Een andersluidende uitleg zou tot het ongerijmde resultaat leiden dat door inhouding van loonheffingen – volgens belanghebbende heeft [de stichting] ten onrechte loonheffingen ingehouden – de toepasselijkheid van de vrijwilligersregeling kan worden beïnvloed. Nu de door belanghebbende ontvangen bruto-vergoeding het maximumbedrag van € 1.500 overschrijdt is de vrijwilligersregeling niet van toepassing. Ook voor een partiële toepassing van de vrijstelling zoals belanghebbende voorstaat, biedt de wet geen mogelijkheid. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur de door belanghebbende ontvangen vergoeding terecht tot het inkomen uit werk en woning gerekend.

2.7.

Belanghebbende heeft de inspecteur verweten te ‘sjoemelen’ doordat de inspecteur zijn standpunt gaandeweg de bezwaar- en beroepsprocedure steeds heeft bijgesteld. Anders dan belanghebbende ziet de rechtbank dat niet als een ongeoorloofd handelen van de inspecteur. Van de inspecteur wordt juist verlangd dat hij bij zijn standpuntbepaling steeds de op dat moment bekend zijnde feiten en omstandigheden betrekt; bijstelling van standpunten als gevolg van hetgeen belanghebbende inbrengt zijn een logisch gevolg daarvan.

2.8.

Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat hij de van [de stichting] ontvangen vergoeding ook in de aangifte IB/PVV 2012 buiten het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gehouden en dat die aangifte wél is gevolgd. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat over die aangifte nimmer vragen zijn gesteld. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur in een eerder jaar bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Belanghebbende heeft geen bijkomende omstandigheden gesteld die naar het oordeel van de rechtbank de conclusie rechtvaardigen dat deze bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat de aanslag IB/PVV 2012 op een weloverwogen standpunt van de inspecteur berustte ter zake van de door hem voorgestane behandeling van de van [de stichting] ontvangen vergoeding. Bovendien wijken de feiten en omstandigheden in het onderhavige jaar af van de feiten en omstandigheden in 2012 reeds omdat de inspecteur ter zitting onweersproken heeft verklaard dat in dat jaar de van [de stichting] ontvangen vergoeding € 1.040 bedroeg en dus minder dan € 1.500. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom om meerdere redenen.

2.9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2017 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.