Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2886

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-05-2017
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
AWB - 12 _ 29PJ
Formele relaties
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2020:1674
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Prejudicieel verzoek
Inhoudsindicatie

Door intrekking van het beroep door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds komt de Hoge Raad niet toe aan beantwoording van de door de rechtbank in die procedure gestelde (tweede) vraag (ECLI:NL:RBZWB:2016:4828). Omdat bij de rechtbank behoefte bestaat aan beantwoording van die vraag heeft de rechtbank in de onderhavige procedures, na akkoord van partijen, de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende aanvullende vraag voorgelegd:

Is de vergelijkingsmaatstaf anders indien ook binnenlandse particuliere aandeelhouders participeren in het in het buitenland gevestigd beleggingsfonds?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1299 met annotatie van Jasper Korving
V-N 2017/29.10 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/1233
FutD 2017-1355
NTFR 2017/1740 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 12/29, 12/30 en 12/152 tot en met 12/154

Beslissing van 8 mei 2017

Beslissing als bedoeld in afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Loop van het geding

1.1.

Bij beslissing van 1 augustus 2016 heeft de rechtbank in deze zaken vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot die beslissing, wordt verwezen naar die beslissing.

1.2.

Op 3 maart 2017 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:342) beslist dat, alvorens op de door de rechtbank gestelde vragen kan worden beslist, prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden beantwoord.

1.3.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 19 april 2017 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om op grond van artikel 27ga van de AWR in de onderhavige zaken een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Bij deze brief zijn partijen ook geïnformeerd over de wijziging van de samenstelling in de zetel in verband met het defungeren van een van de rechters.

1.4.

Belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 20 april 2017 meegedeeld dat zij akkoord is met de aanvullende vraag.

1.5.

De inspecteur heeft bij brief van 2 mei 2017 gemeld dat hij geen bezwaar heeft tegen de inbreng van de aanvullende vraag.

2 Overwegingen

2.1.

Bij beslissing van 1 augustus 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:4828) heeft de rechtbank in procedures van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds (hierna: het Engelse fonds) ook vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De eerste vraag in die procedure is dezelfde als de eerste vraag die in de onderhavige procedure is gesteld. De tweede vraag in de procedure van het Engelse fonds (hierna: de tweede vraag) is in de onderhavige procedure niet gesteld omdat deze reeds in de eerstgenoemde procedure was gesteld.

2.2.

Ook in de nationale prejudiciële procedure van het Engelse fonds heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:346) beslist dat, alvorens op de door de rechtbank gestelde vragen kan worden beslist, prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden beantwoord. Daarbij is ook een vraag gesteld naar aanleiding van de tweede vraag.

2.3.

Na de in 2.2 vermelde beslissing heeft het Engelse fonds zijn beroepen ingetrokken. De rechtbank zal daarom de Hoge Raad berichten dat zij de door haar gestelde vragen in de procedures van het Engelse fonds intrekt.

2.4.

Bij de rechtbank bestaat echter wel behoefte aan beantwoording van de tweede vraag. De rechtbank zal daarom de tweede vraag (alsnog) stellen in de onderhavige procedure, nu het antwoord op die vraag van belang kan zijn bij de bepaling welke feiten vastgesteld dienen te worden in deze procedure (en in de vele andere vergelijkbare aanhangige procedures), en om de redenen vermeld in rov. 4.8.4.3 en 4.9, slotalinea, van haar in 2.1 vermelde beslissing.

2.5.

In aanmerking genomen dat beide partijen daarmee instemmen zal de rechtbank een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

De rechtbank:

– legt, in aanvulling op de bij beslissing van 1 augustus 2016 gestelde vragen, de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vraag voor:

1b. Bij ontkennende beantwoording van de eerste vraag: is de vergelijkingsmaatstaf anders indien ook binnenlandse particuliere aandeelhouders participeren in het in het buitenland gevestigd beleggingsfonds?

– houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is genomen op 8 mei 2017 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: