Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2880

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
5427886 CV EXPL 16-7580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Agentuurzaak. De kantonrechter oordeelt aan de hand van de Haviltex-maatstaf dat deels, ten aanzien van een bepaalde onderneming, sprake is van een agentuurovereenkomst. Opzeggingsperikelen. Geen opzegging met terugwerkende kracht en zonder de opzegtermijn te respecteren. Handelsagent heeft recht op klantvergoeding. Afwijzing van de, onder dwangsom, gevorderde benoeming van een deskundige die de bescheiden kan inzien nodig ter bepaling van de financiële vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 5427886 CV EXPL 16-7580

vonnis d.d. 31 mei 2017

inzake

[eiser] h.o.d.n. [naam 1],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. A.L.T. van Vught, advocaat te Bilthoven,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde] INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. I.O.D.V. Wetzels, advocaat te Breda.

Partijen zullen hierna worden aangeduid met [eiser] en [gedaagde] .

1
1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 18 januari 2017 met de daarin genoemde stukken;

b. de aantekeningen van de griffier van de op 31 maart 2017 gehouden comparitie en de daarbij aan de zijde van [eiser] genomen conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende nadere producties voor comparitie, alsmede de zijdens [gedaagde] in het geding gebrachte producties 16 t/m 21.

Hierna is vonnis bepaald.

2 Het geschil

In conventie:

2.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht te verklaren dat tussen partijen sinds 2006, dan wel een nader door de rechtbank vast te stellen aanvangsjaar, een agentuurovereenkomst bestaat op basis waarvan [eiser] aanspraak kan maken op 4% van de netto omzet die [gedaagde] realiseert op alle verkopen aan groepsvennootschappen van de [naam 2] (waaronder in het bijzonder [naam 3] ) en aan [naam 4] ;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan groepsvennootschappen van de [naam 2] (waaronder in het bijzonder [naam 5] ) over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 4] over de periode van 15 maart 2011 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft;

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een klantvergoeding voor [naam 3] ex artikel 7:442 BW, gelijk aan de gemiddelde aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie voor de door [gedaagde] aan [naam 3] verrichte leveringen, berekend naar het gemiddelde van de aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie over de periode 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2016;

5. [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte schriftelijke opgave van de op basis van het petitum onder 2, 3 en 4 verschuldigde bedragen, onder verstrekking van de gegevens waarop deze berekening berust (ex artikel 7:433 BW), een en ander met het recht voor [eiser] om inzage te verlangen in de nodige bewijsstukken, zo nodig bijgestaan door een accountant (conform artikel 7:433, lid 2 BW), een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

6. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

2.2

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

In reconventie

2.3

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad om:

1. te verklaren voor recht dat er tussen partijen geen (mondelinge) agentuurovereenkomst is gesloten en/of de rechtsverhouding ook niet als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd;

2. te verklaren voor recht dat, indien de kantonrechter van oordeel is dat er wél een agentuurovereenkomst tussen partijen is gesloten en/of de rechtsverhouding wél als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd, de agentuurovereenkomst dan wel rechtsverhouding per 1 juli 2014 is geëindigd, althans per 18 januari 2016, althans per 1 oktober 2016;

3. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de teveel dan wel ten onrechte betaalde 4% commissie over de netto omzet op alle aan [naam 3] verkopen van [gedaagde] over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2014, zijnde een bedrag van € 10.856,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW;

4. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

2.4

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3 De beoordeling

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk worden besproken.

In conventie en reconventie

3.1

De volgende feiten zijn in rechte komen vast te staan:

1. [gedaagde] is een handelsonderneming op het gebied van rubber grondstoffen en rubber reprocessing en is in 1974 opgericht. Thans wordt de huidige directie gevormd door [voornaam 1] [gedaagde] en diens zoon [voornaam 2] [gedaagde] . De vader van [eiser] , [voornaam 3] [eiser] , is van 1980 tot en met juni 2000 bij [gedaagde] als technisch manager werkzaam geweest. Na zijn pensioen, tot aan zijn overlijden in januari 2010, is [voornaam 3] [eiser] bij [gedaagde] werkzaam geweest als technisch adviseur. [eiser] is in 1997 in dienst getreden bij [gedaagde] als productiemedewerker. Die arbeidsovereenkomst is in 1998 beëindigd. [eiser] is sinds 2002 handelsagent voor [naam 6] .

2. [naam 6] is een producent van rubberproducten en kent meerdere vennootschappen (naar Duits recht). Eén van die vennootschappen is [naam 5] , hierna verder aangeduid met [naam 3] . Ook [naam 4] is een producent van rubberproducten.

3. Op 6 februari 2006 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren: R. ( [voornaam 1] ) [gedaagde] , H. ( [voornaam 3] ) [eiser] en E. ( [voornaam 4] ) [eiser] . Hiervan is een verslag gemaakt dat als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd. In dit verslag staat (o.m.):

“(…) [naam 6] heeft momenteel 3 verschillende toepassingen waar ze

materialen van [gedaagde] International zou willen inzetten.

1) Chopped en Baled. Hiermee willen ze waarschijnlijk een stootbuffer

mee gaan maken. [naam 6] heeft dit nog niet verder toegelicht.

2) Gegranuleerd in Big bags. Dit “granulaat” wil [naam 6] aan een

mengsel toevoegen dat gebruikt wordt als vulling van

spoorwegovergangen.

(…)

Communicatie Alle klanten die Door [naam 7] [kantonrechter: [voornaam 4] [eiser] ]

aangebracht worden zullen ook door [naam 7] verzorgd worden. D.w.z. dat

[naam 7] met regelmaat contact houdt met deze klanten en de eerste

contacten altijd via [naam 7] gaan.

(…)

Verkoop prijzen De verkoop prijzen opgegeven door [naam 8] [kantonrechter: [voornaam 1] de

Ruijter] zullen altijd geleverd werk zijn. Kleinere zendingen b.v.

tot € 30.000,- zullen aan [naam 7] gefactureerd worden. Verkopen die hier

bovenuit gaan zullen rechtstreeks gefactureerd worden aan de klant en

[naam 7] zal hier een vaste commissie van ontvangen van 4 - 6 %.

(…)

Commissie De commissie die uitbetaald moet worden zal na ontvangst betaling

klant einde maand uitbetaald worden. (…)”

Dit verslag is opgemaakt door [eiser] .

4. [eiser] heeft ter zake van provisie facturen gezonden aan [gedaagde] , namelijk op:

13-12-2008 ten bedrage van € 1.725,50;

8-11-2009 ten bedrage van € 2.018,85;

31-12-2009 ten bedrage van € 1.220,13;

20-5-2011 ten bedrage van € 2.823,81;

20-5-2011 ten bedrage van € 2.810,32;

20-5-2011 ten bedrage van € 1.111,54;

27-10-2011 ten bedrage van € 6.293,98;

2-4-2012 ten bedrage van € 2.550,83;

2-4-2012 ten bedrage van € 3.657,32;

11-1-2013 ten bedrage van € 2.510,42;

3-5-2013 ten bedrage van € 1.322,41;

18-7-2013 ten bedrage van € 2.679,47;

8-10-2013 ten bedrage van € 1.340,55;

18-7-2014 ten bedrage van € 3.970,61;

7-4-2015 ten bedrage van € 5.519,02;

16-4-2015 ten bedrage van € 1.367,32.

Al deze facturen zijn door [gedaagde] voldaan en deze zien allen op leveringen aan [naam 3] .

5. Bij brief van 25 december 2015 van [eiser] aan [gedaagde] is verzocht om betaling van provisie over verkopen in 2015. [eiser] heeft op basis van een inschatting een factuur gemaakt ten bedrage van € 11.664,20 nu hij geen overzichten had ontvangen van leveringen aan [naam 3] . Deze factuur is niet betaald. In een e-mailbericht aan [eiser] van 5 januari 2016 naar aanleiding van de factuur over 2015, schreef [voornaam 2] [gedaagde] (o.m.) het volgende:
“(…) In de begeleidende brief geef je aan dat er een afspraak is van 2008 voor de verkoop - ik heb je trouwens om het contract gevraagd in het verleden, maar deze is er schijnbaar niet.

De afspraak liep in het verleden in ieder geval en inderdaad na 2014 niet meer. Je geeft ook aan dat ik toezegging heb gedaan om afspraken nagekomen dienen te worden en je alle facturen zou ontvangen. Dit is niet correct. Ik heb aangegeven dit met de directie te bespreken en als de afspraak staat dit inderdaad te doen. Ik heb met de directie gesproken en er is geen overeenkomst in 2015. Reden hiervoor zijn de resultaten. (…)”

In het verlengde van dit bericht heeft [voornaam 2] [gedaagde] op 18 januari 2016 een e-mail bericht aan [eiser] gezonden met (o.a.) de volgende inhoud:

“(…) Alle contracten worden herzien en voor de formaliteit deel ik dan hierbij mede, mocht er in jouw ogen een lopende overeenkomst zijn, dan deze per 1 januari 2016 ontbonden is. Wij stellen ons op het standpunt dat wij niet betalen voor services die niet geleverd worden. (…)”

6. Op of omstreeks 28 december 2004 heeft er een bezoek plaatsgehad bij [naam 4] waarvan als onderdeel van productie 5 een bezoekverslag is overgelegd. Bij fax-bericht van 21 december 2004 van [eiser] aan zijn vader heeft [eiser] de afspraak bij [naam 4] voor 28 december 2004 bevestigd en bij faxbericht van 2 januari 2005 van [eiser] aan [gedaagde] heeft [eiser] de gemaakte afspraken voortvloeiend uit de bespreking op 28 december 2004, opgesomd (prod. 18).

7. Als productie 19 heeft [eiser] een e-mail overgelegd van [voornaam 1] [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van diens offerte van rubber grondstoffen van [gedaagde] aan [naam 3] . In dit bericht maakt [voornaam 1] [gedaagde] kritische opmerkingen over de prijsstellingen die [eiser] in zijn offerte hanteert.

8. Als productie 6(a) heeft [eiser] een e-mail overgelegd van 17 januari 2014 van [voornaam 2] [gedaagde] aan [eiser] waarin (o.m.) het volgende staat:

“(…) 1. Allereerst wat betreft jouw positie en rol voor ons is het duidelijk dat jij ons vertegenwoordigd bij [naam 6] . Je werkt ook voor [naam 6] , maar niet in de relatie met ons. Dit is belangrijk omdat je onze belangen behartigt. Zowel bij Strail als andere divisies, mits je daar je aandacht en tijd aan kan besteden zoals je zelf aangaf. Gezien je relaties en ervaring binnen de [naam 2] verwachten we dat op de hoogte worden gehouden van ontwikkelingen en mogelijkheden die zich voordoen. Daarnaast promoot je ons product binnen de firma. (…) Zoals afgesproken kan je een opzet van een contract sturen waarin jij de vertegenwoordiging voor [naam 6] hebt. Dan ligt dat vast.”

Dit contract is niet tot stand gekomen.

9. Als productie 6(b) heeft [eiser] een e-mail overgelegd van 3 december 2008 afkomstig van [voornaam 1] [gedaagde] aan [eiser] waarin het volgende is geschreven:

“Beste Edward,

De oorzaak ligt in het feit dat zij direct bij ons bestellen. Dit gaat automatisch in ons systeem zonder daar melding aan jou over te maken. Zij melden zichzelf ook niet bij jou. Dit zou je dan eerst moeten corrigeren. Wij zullen toekomstig orders bevestigen aan jou c.q. kopiëren en met betrekking tot niet ontvangen commissies, zie bijgevoegd nota’s laatste leveringen Strail waarvoor je ons een commissienota kunt sturen.”

Dit bericht is aan [eiser] gezonden naar aanleiding van diens daaraan voorafgaande vraag, waarom hij geen informatie meer krijgt m.b.t. “Strail”.

10. Bij e-mail van 5 maart 2013 van [voornaam 2] [gedaagde] aan [eiser] heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd contact op te nemen met een zekere Wolfgang Penker om daarmee samenwerking tussen Penker c.q. de firma Gmundner GmbH en [gedaagde] te bespreken.

11. [eiser] heeft aan de firma’s De Vleeschouwer, Universal Rubber en Ravestein Rubber facturen verzonden ter zake van leveringen van producten van [gedaagde] aan die firma’s.

12 [gedaagde] heeft correspondentie gevoerd met [naam 3] daterend tussen 1992 en 1996.

3.2

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van een agentuur-overeenkomst. Hij voert daartoe aan dat hij op verzoek van [gedaagde] sedert 2004 actief binnen zijn netwerk heeft bemiddeld om producten van [gedaagde] aan de man te brengen. Deels verkocht [eiser] producten van [gedaagde] op eigen naam, en dus als wederverkoper, maar bij grotere orders handelde hij als handelsagent en bracht hij rechtstreeks overeenkomsten tot stand voor [gedaagde] . Deze werkwijze is aan de orde gekomen en overeengekomen in de bespreking van 6 februari 2006 waar het verslag van is overgelegd, aldus [eiser] . Dat sprake was van een agentuurovereenkomst met betrekking tot de onderneming [naam 3] , blijkt uit de provisie die aan [eiser] jarenlang is betaald voor leveringen aan [naam 3] . Verder heeft [eiser] de samenwerking met [naam 4] tot stand gebracht, met daaruit voortvloeiende overeenkomsten tot levering van rubberproducten door [gedaagde] . Echter heeft [gedaagde] steeds geweigerd om de verdere contacten met [naam 4] via [eiser] te laten lopen, zodat [eiser] geen aanspraak heeft kunnen maken op provisie. Voorts stelt [eiser] dat de agentuur-overeenkomst nimmer is opgezegd. Eerst bij brief van 14 april 2016, een schrijven van de advocaat van [gedaagde] aan (de raadsman van) [eiser] , heeft [gedaagde] gesteld dat, indien sprake zou zijn van een agentuurovereenkomst, deze (uiteindelijk) tegen 1 oktober 2016 is opgezegd, zodat [gedaagde] tot die datum commissie verschuldigd is over de verkopen aan [naam 3] en [naam 4] Gelet op artikel 7:442 BW bestaat recht op een klantvergoeding bij beëindiging van de agentuurovereenkomst, aldus [eiser] .

3.3

Het verweer van [gedaagde] komt er kort weergegeven op neer dat geen sprake is van een agentuurovereenkomst maar van ten hoogste een accountmanagerschap voor [naam 3] . Een agentuurovereenkomst is nooit op schrift gesteld. Het verslag van de bespreking van 6 februari 2006 kan daartoe niet dienen, aldus [gedaagde] . Ook uit de betalingen die aan [eiser] zijn gedaan kan niet worden afgeleid dat sprake is van een agentuurovereenkomst. Bovendien heeft [eiser] nimmer daadwerkelijk bemiddeld bij overeenkomsten en heeft hij de ondernemingen [naam 3] en [naam 4] ook niet als klant aangebracht omdat [gedaagde] reeds zelf daarvoor contacten met die ondernemingen had gelegd. Veel overeenkomsten zijn door inspanningen van [gedaagde] zelf tot stand gekomen en er was evenmin sprake van een exclusieve vertegenwoordiging van [eiser] voor [gedaagde] bij [naam 3] . [gedaagde] heeft [eiser] verzocht de relatie tussen [gedaagde] en [naam 3] te onderhouden en om feedback te geven van de ontwikkelingen bij [naam 3] opdat [gedaagde] daarop kon reageren. [gedaagde] heeft echter moeten constateren dat [eiser] al lange tijd de vestiging van [naam 3] niet meer had bezocht en dus ook niet heeft gewezen op het feit dat [naam 3] een bepaald soort grondstof betrok van een concurrent van [gedaagde] . Het was bij uitstek de opdracht van [eiser] om dit soort zaken aan [gedaagde] te melden. Uiteindelijk heeft [gedaagde] zelf zodanig met [naam 3] onderhandeld, dat zij de leverancier van die grondstoffen kon worden. Ter zitting is door [voornaam 1] [gedaagde] nog nadrukkelijk gesteld dat de opdracht die aan [eiser] was gegeven, op verzoek van diens vader aan hem is verstrekt om daarmee enerzijds tot uitdrukking te brengen dat [gedaagde] veel respect en waardering had voor het werk van de vader van [eiser] en om anderzijds [eiser] in de gelegenheid te stellen een start te maken in de branche van [gedaagde] , een en ander ook omdat [eiser] bij [naam 6] ‘dicht op het vuur zat’.

3.4

Aan de orde is de vraag of tussen partijen een agentuurovereenkomst tot stand is gekomen. Uitgangspunt daarbij is de wettelijke definitie uit artikel 7:428 BW. Er dient sprake te zijn van een opdracht door [gedaagde] (de principaal) aan [eiser] (de handelsagent), van een beloning en van bemiddeling van overeenkomsten voor rekening van de principaal, een en ander zonder dat de handelsagent ondergeschikt is aan de principaal. Nu geen schriftelijk stuk is opgemaakt waarin partijen hun (rechts-)positie hebben vastgelegd, moet naar het oordeel van de kantonrechter aan de hand van de Haviltex-maatstaf de vraag worden beantwoord. Dat betekent dat het antwoord op de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten, afhankelijk is van wat zij jegens elkaar hebben verklaard, en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

T.a.v. [naam 3]

3.5

Naar het oordeel van de kantonrechter is met betrekking tot [naam 3] inderdaad sprake van een agentuurovereenkomst. Daarbij neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. De samenwerking is aan de orde gekomen in de bespreking van 6 januari 2006. Hetgeen daarover in het verslag is opgenomen, is door [gedaagde] onvoldoende inhoudelijk betwist. [gedaagde] heeft daarover als verweer aangevoerd dat die bespreking of dat verslag onvoldoende tot uitdrukking brengt dat partijen een agentuurovereenkomst hebben gesloten. Maar die bespreking en dat verslag staat niet op zichzelf. Uit de betaalde commissiefacturen moet worden afgeleid dat partijen ook uitvoering hebben gegeven aan, althans een deel van, die afspraken. In het bijzonder wijst de kantonrechter er op dat [eiser] 4% commissie in rekening heeft gebracht. De uitvoering van de afspraken van 6 januari 2006, blijkt ook uit de facturen die [eiser] heeft overgelegd en die betrekking hebben op verkopen van [gedaagde] voor rekening van [eiser] , onder andere aan [naam 3] maar ook aan andere firma’s. Voorts blijkt uit de overgelegde producties dat [eiser] , minst genomen, heeft getracht contacten of overeenkomsten voor [gedaagde] aan te gaan. Dat bij de firma [naam 4] uiteindelijke geen provisie aan [eiser] is betaald, neemt niet weg dat aannemelijk is dat [eiser] dat contact wel heeft gestimuleerd teneinde voor [gedaagde] overeenkomsten te sluiten waaruit een provisie zou kunnen volgen. Dit alles gaat veel verder dan wat [gedaagde] als omschrijving geeft van de relatie met [eiser] : het account met [naam 3] onderhouden en terugkoppeling geven van ontwikkelingen bij dat bedrijf. Dat is ook niet goed in overeenstemming te brengen met de uitlatingen zijdens [gedaagde] zoals hiervoor onder de feiten onder 8 en 9. Anders gezegd, uit de gedragingen van [gedaagde] tot 2015 heeft [eiser] ter zake de contacten met [naam 3] mogen afleiden dat hij handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 3] . [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de conclusie moet volgen dat zij aan [eiser] heeft duidelijk gemaakt dat hun relatie zich beperkte tot het genoemde ‘accountmanagerschap’, daargelaten wat de inhoud van een dergelijk taak of functie zou zijn. [gedaagde] heeft zich beraden op de relatie die zij met [eiser] had, toen zij tot de ontdekking kwam dat [eiser] al geruime tijd niet meer [naam 3] had bezocht en [eiser] een factuur over 2015 had ingediend, zonder dat daaraan facturen van [gedaagde] ten grondslag waren gelegd zoals in voorgaande jaren. [gedaagde] meende in deze handelswijze van [eiser] te zien dat [eiser] op makkelijke wijze wenste te factureren, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond. Eerst vanaf dat moment (25 december 2015) is [gedaagde] ondubbelzinnig in haar ontkenning van een (agentuur-)overeenkomst. Het voorgaande anders gezegd: in 2006 is een werkwijze afgesproken die in de betaling van de facturen haar uitvoering heeft gekregen en die door [eiser] niet anders behoefde te worden opgevat als een vergoeding voor de bemiddeling van overeenkomsten bij [naam 3] voor [gedaagde] . Nu geen sprake was van een dienstverband of een ondergeschiktheid van [eiser] jegens [gedaagde] , is aan de definitie van artikel 7:428 BW voldaan.

T.a.v. de [naam 2] en [naam 4]

3.6

De hiervoor geschetste feiten en omstandigheden die aanleiding gaven te beslissen dat [eiser] handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 3] , ontbreken als het gaat om de contacten met andere onderdelen van de [naam 2] . Belangrijk daarbij is dat [gedaagde] geen uitvoering heeft gegeven aan de gestelde afspraak en niet is - voldoende - gesteld of gebleken dat [eiser] daartegen protesteerde. Ook is hetgeen [eiser] heeft aangevoerd omtrent zijn inspanningen bij [naam 4] niet voldoende, gelet op de betwisting van [gedaagde] ten aanzien van dit contact. Hoewel de stelling van [gedaagde] , dat [eiser] slechts op verzoek van zijn vader, [voornaam 3] [eiser] , bij de bespreking aanwezig was in zijn functie van vertegenwoordiger van [naam 6] en/of Maplan, niet in overeenstemming te brengen is met de stukken van productie 18, volstaan deze stukken niet om daarmee de stelling van [eiser] voldoende te onderbouwen. Immers, in productie 18 is een faxbericht overgelegd waarin [eiser] zijn vader er van op de hoogte stelt dat hij een afspraak heeft gemaakt om [naam 4] te bezoeken met zijn vader (niet andersom). Het tweede deel van die productie bevat een afsprakenlijst naar aanleiding van een overleg waarbij ook [voornaam 1] [gedaagde] aanwezig was. Gelet op de afspraken die daarbij kennelijk gemaakt zijn met [voornaam 1] [gedaagde] , namelijk dat hij aanbiedingen zal doen aan [naam 4] (en niet [eiser] ), is een verwijzing naar deze producties onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [eiser] uit de gedragingen van [gedaagde] mocht afleiden dat hij ook handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 4]

3.7

De gevraagde verklaring voor recht onder 1. kan derhalve worden gegeven voor zover deze ziet op de firma [naam 3] en waarbij [eiser] aanspraak kan maken op 4% (commissie) van de netto omzet van [gedaagde] bij [naam 3] .

Einde van de agentuurovereenkomst en de gevolgen daarvan

3.8

In de laatste alinea van punt 12 van de dagvaarding, stelt [eiser] te berusten in het feit dat [gedaagde] de agentuurovereenkomst met hem heeft opgezegd met ingang van 1 oktober 2016. Hieruit moet volgen dat [eiser] zich niet verzet tegen een opzegging en dat in rechte er van moet worden uitgegaan dat deze rechtsgeldig is geschied. Indien en voor zover [gedaagde] stelt dat een andere datum voor opzegging heeft te gelden, kan zij daarin niet worden gevolgd. De opzegging zoals verwoord in de e-mail van 18 januari 2016 (productie 4 bij dagvaarding) kan niet als rechtsgeldige opzegging worden aangemerkt omdat daar de opzegtermijn van artikel 7:437 BW niet is aangehouden en zelfs is opgezegd met terugwerkende kracht: “Alle contracten worden herzien en voor de formaliteit deel ik dan hierbij mede, mocht er in jouw ogen een lopende overeenkomst zijn, dan deze per 1 januari 2016 ontbonden is.”. Er is ook geen reden om een andere datum voor de beëindiging van de agentuurovereenkomst aan te nemen, zoals door [gedaagde] in reconventie onder 2 van het petitum in reconventie is gevorderd. De daar genoemde datum van 1 juli 2014 wordt, zo begrijpt de kantonrechter, door [gedaagde] onderbouwd met haar stelling dat [eiser] sedert die dag niet meer bij [naam 3] op bezoek is geweest. Echter die enkele stelling volstaat niet als opzegging. Immers, [gedaagde] heeft [eiser] daarvan destijds geen mededeling gedaan en ook hierbij is de wettelijke opzegtermijn niet gerespecteerd. Dat laatste geldt ook voor de stelling dat is opgezegd op 18 januari 2016. Deze datum leidt de kantonrechter af uit de hiervoor genoemde e-mail van dezelfde datum.

3.9

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] recht heeft op 4% provisie tijdens de duur van de agentuurovereenkomst met [naam 3] tot 1 oktober 2016. Indien en voor zover [gedaagde] wil betogen dat [eiser] over de periode van juli 2014 tot 1 oktober 2016 geen recht op provisie heeft omdat hij in die periode [naam 3] niet (actief) heeft bezocht en er geen overeenkomsten door zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen, faalt dit. Immers, uit artikel 7:431 eerste lid onder c BW volgt dat er ook recht op provisie is, indien overeenkomsten zijn afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring van de handelsagent. Ook de stelling van [gedaagde] met betrekking tot de overeenkomst(en) ter zake de grondstoffen waarvan [gedaagde] heeft aangevoerd dat die door haarzelf zijn gesloten nadat haar gebleken was dat [eiser] haar (ten onrechte) er niet van op de hoogte had gesteld dat een concurrent die grondstoffen leverde aan [naam 3] (het materiaal ‘Chopped and Baled’), kan niet leiden tot een ander oordeel. Uit overgelegde e-mail- correspondentie blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat [eiser] heeft getracht ‘Chopped and Baled’ aan de man te brengen bij [naam 3] , maar daarvan werd weerhouden door [gedaagde] omdat deze niet kon instemmen met de prijsstellingen die [eiser] wenste te hanteren. Later heeft [gedaagde] ter zake ‘Chopped and Baled’ zelf overeenkomsten met [naam 3] gesloten. Dit maakt dat het bepaalde in artikel 7:435 eerste lid BW opgeld doet: [eiser] heeft ook recht op provisie indien [gedaagde] geen gebruik maakt van [eiser] bij het sluiten van deze overeenkomsten.

3.10

[eiser] vraagt vermeerdering van de verschuldigde commissie met de wettelijke handelsrente, ingaande op 1 januari van het jaar volgende op het jaar waarop de provisie betrekking heeft. [gedaagde] heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. Gelet op het bepaalde in artikel 6:119a BW, tweede lid, zal de kantonrechter bepalen dat de wettelijke handelsrente ingaat op 1 februari van het jaar, volgende op het jaar waarop de provisie betrekking heeft.

3.11

Aldus kan ook de vordering onder 2 van het petitum worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet van alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 3] [naam 9] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, vermeerderd met de wettelijke handelsrente op de wijze als hiervoor overwogen.

3.12

Op grond van het voorgaande moet het onder 3 van het petitum gevorderde (commissie over de verkopen aan [naam 4] ) worden afgewezen.

De klantvergoeding

3.13

De berekening van de omvang van de klantvergoeding verloopt in drie fasen:

(i) kwantificeren van de voordelen die de transacties met de door de agent aangebrachte klanten de principaal opleveren (artikel 7:442 lid 1 onder a BW); (ii) beoordelen of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de agent gederfde provisie (artikel 7:442 lid 1 onder b BW); en (iii) toetsen of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. In de rechtspraak is uitgemaakt (ECLI:NL:HR:2012:BW9865) dat het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie voor de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met bedoelde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2857).

3.14

Op grond hiervan moet naar het oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt worden genomen, het bedrag aan provisie over de periode 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016, zijnde 4% over de netto omzet die [gedaagde] bij [naam 3] heeft gerealiseerd over deze periode. [gedaagde] heeft ten aanzien van de correctiefactoren a, b of c geen stellingen naar voren gebracht, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. De vraag is vervolgens of in de stelling van [gedaagde] dat [eiser] sedert medio 2014 de onderneming [naam 3] niet (of amper) heeft bezocht, alsmede de stelling dat [gedaagde] zelf een overeenkomst heeft uit onderhandeld ter zake de levering van ‘Chopped and Baled’, aanleiding moet zijn het bedrag billijkheidshalve te matigen. Het enkele feit dat [eiser] de vestiging van [naam 3] niet heeft bezocht, biedt onvoldoende aanleiding tot matiging. Immers, niet het al dan niet frequente bezoek aan een klant, maar de door tussenkomst van de handelsagent gerealiseerde omzet, is bepalend voor de provisie. Voor zover de overeenkomst met betrekking tot ‘Chopped and Baled’ wel aanleiding tot matiging zou kunnen zijn, kan de kantonrechter geen matiging bepalen, bij gebreke aan door [gedaagde] verstrekte omzetcijfers daaromtrent. Dit laatste gebrek moet voor rekening en risico komen van [gedaagde] . Ten slotte moet het bedrag over de laatste twaalf maanden worden vergeleken met de omzet van de laatste 5 jaren, nu het niet hoger kan zijn dan het gemiddelde over die jaren.

3.15

Het voorgaande leidt er toe dat het gevorderde onder 4 van het petitum kan worden toegewezen.

3.16

Het voorgaande leidt er eveneens toe dat het gevorderde onder 5 van het petitum voor toewijzing gereed ligt, zij het beperkt tot [naam 3] [naam 9] . Gelet op het bepaalde in artikel 7:433, tweede lid BW, is [eiser] bevoegd inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken nodig voor het bepalen van zijn recht op provisie en kan hij zich daartoe laten bijstaan door een deskundige. [eiser] vraagt veroordeling daartoe, onder oplegging van een dwangsom. Nu de betrokkenheid van een deskundige afhankelijk is van aanvaarding daarvan door [gedaagde] en bij afwijzing de mogelijkheid bestaat om benoeming daarvan door de voorzieningenrechter te verzoeken, staat dit in de weg aan het opleggen van een dwangsom. De dwangsom wordt daarom beperkt tot de veroordeling tot het verstrekken van inzage in de bewijsstukken en, gelet op een redelijke termijn waarin [gedaagde] in de gelegenheid moet worden gesteld die bewijsstukken te produceren, ingaande 2 maanden nadat dit vonnis aan [gedaagde] is betekend.

3.17

Omdat hiervoor is overwogen en beslist dat er tussen [eiser] en [gedaagde] een agentuurovereenkomst heeft bestaan ter zake [naam 3] , moet de door [gedaagde] verzochte verklaring voor recht (onder 1.) dat zulks niet het geval is, worden afgewezen. Uit het voorgaande moet tevens volgen dat die agentuurovereenkomst is geëindigd op 1 oktober 2016. Omdat [eiser] deze einddatum heeft geaccepteerd, bestaat er tussen partijen daarover thans geen geschil meer, zodat [gedaagde] geen rechtens te respecteren belang heeft bij de (onder 2.) verzochte verklaring voor recht inhoudende dat de agentuurovereenkomst (uiterlijk) op 1 oktober 2016 is geëindigd. Hier wordt herhaald dat, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 3.8, een eerdere einddatum moet worden afgewezen.

3.18

[gedaagde] legt aan haar vordering onder 3. van het petitum in reconventie ten grondslag dat [eiser] sedert medio 2014 de vestiging van [naam 3] niet meer heeft bezocht, zodat de provisie die zij aan [eiser] heeft betaald over de periode juli 2014 tot en met 31 december 2014 ten onrechte is betaald.

3.19

Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen valt af te leiden, moet deze stelling worden verworpen. Niet het enkele feit dat [eiser] [naam 3] heeft bezocht is bepalend voor de vraag of aanspraak bestaat op provisie. Zoals uit de provisiefacturen uit eerdere jaren valt af te leiden, heeft [eiser] steeds overeenkomsten tot stand gebracht tussen [gedaagde] en [naam 3] . In hoeverre daaraan telkens bezoeken van [eiser] aan [naam 3] ten grondslag hebben gelegen, is gesteld noch gebleken. Er is dus geen aanleiding om, nu [eiser] [naam 3] niet heeft bezocht, op grond van dit enkele feit de omzet die na medio 2014 is gerealiseerd niet toe te rekenen aan de inspanningen van [eiser] , temeer nu tevens gesteld noch gebleken is dat [eiser] niet bereid was zijn verplichtingen na te komen.

3.20

De vorderingen van [gedaagde] moeten dus worden afgewezen.

Voorts in conventie

3.21

Nu [gedaagde] in conventie grotendeels in het ongelijk is gesteld, moet zij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . De kantonrechter stelt deze kosten tot op heden als volgt vast:

dagvaarding € 99,87

griffierecht € 79,00

salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten à € 250,00 per punt)

totaal € 678,87.

Voorts in reconventie

3.22

Nu [gedaagde] in reconventie in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden vastgesteld op € 250,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser] .

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

4.1

verklaart voor recht dat tussen partijen sinds 2006 een agentuurovereenkomst bestaat op basis waarvan [eiser] aanspraak kan maken op 4% van de netto omzet die [gedaagde] realiseert op alle verkopen aan [naam 3] ;

4.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 5] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft;

4.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een klantvergoeding voor [naam 3] ex artikel 7:442 BW, gelijk aan de gemiddelde aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie voor de door [gedaagde] aan [naam 3] verrichte leveringen, berekend naar het gemiddelde van de aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie over de periode 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2016;

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van een correcte schriftelijke opgave van de op basis van de hiervoor onder 4.2 en 4.3 verschuldigde bedragen, onder verstrekking van de gegevens waarop de berekening berust (ex artikel 7:433 BW), een en ander met het recht van [eiser] om inzage te verlangen in de daarop betrekking hebbende bewijsstukken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, ingaande de dag volgend op de dag waarop 60 dagen verstreken zijn na betekening aan [gedaagde] van dit vonnis, zulks tot een maximum van € 20.000,00;

4.5

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 678,87;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

4.6

wijst de vorderingen af;

4.7

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 250,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser] ;

in conventie en in reconventie:

4.8

verklaart de hiervoor gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen en is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.