Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2852

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2017
Datum publicatie
15-05-2017
Zaaknummer
02-993004-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 4 jaar als extern boekhouder van een bedrijf stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin valse inkoopfacturen met betrekking tot de aankoop van diesel op te nemen. Vervolgens heeft verdachte mede op basis van deze valse administratie opzettelijk onjuiste (suppletie)aangiften omzetbelasting gedaan. Bewijsuitsluiting van verklaringen van verdachte die hij als getuige heeft afgelegd, terwijl er al een redelijke vermoeden van schuld aan strafbare feiten moest zijn ontstaan.

Totaal nadeel: ruim 400.000 euro. Er is sprake van forse overschrijding van de redelijke termijn. Straf: 240 uur taakstraf en 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/993004-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 mei 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Loevendie, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 april 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Van Horen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is vervolgens gesloten op 1 mei 2017.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand

maart 2007 tot en met de maand december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal

en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van)

de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf 1] , zijnde (dat deel van) die

(bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft hij,

verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) toen daar (telkens)

opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of

verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:

- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 2] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-012a) en/of

- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] , (telkens) gericht

aan [bedrijf 1] (D-013a) en/of

- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 4] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-014a en D-132) en/of

- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 5] , (telkens) gericht aan

[bedrijf 1] (D-015),

(telkens) terzake de inkoop door [bedrijf 1] en/of de levering aan [bedrijf 1]

van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen

de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid

(telkens) geen levering(en) aan [bedrijf 1] hebben/heeft plaatsgevonden

door de/het op die factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrdijf en/of tegen de op

die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(art. 225 lid 1 jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

S [bedrijf 6] ., verder te noemen ' [bedrijf 6] ', op een

of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand maart 2007 tot

en met de maand december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen,

althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de

(bedrijfs-)administratie van [bedrijf 1] , zijnde (dat deel van) die

(bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft [bedrijf 6]

en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel

van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of verwerkt, althans

doen of laten opnemen en/of verwerken:

- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 2] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-012a) en/of

- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] , (telkens) gericht

aan [bedrijf 1] (D-013a) en/of

- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 4] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-014a en D-132) en/of

- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 5] , (telkens) gericht aan

[bedrijf 1] (D-015),

(telkens) terzake de inkoop door [bedrijf 1] en/of de levering aan [bedrijf 1]

van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen

de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid

(telkens) geen levering(en) aan [bedrijf 1] hebben/heeft plaatsgevonden

door de/het op die factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrdijf en/of tegen de op

die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

(art. 225 lid 1 jo art. 47 en 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart

2008 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of

Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

en/of anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

(suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1]

over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124,

D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan, immers hebben/heeft hij, verdachte en/of [bedrijf 1] en/of (een

of meer) (andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het voornoemde,

bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde

(suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting, (telkens) een te laag, althans

onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl die/dat feit(en)

(telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 6] verder te noemen ' [bedrijf 6] ', op een

of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot

en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen,

althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

B.V. en/of anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

(suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1]

, over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124,

D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 6] en/of [bedrijf 1] en/of (een of

meer) (andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het voornoemde,

bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde

(suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting, (telkens) een te laag, althans

onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl die/dat feit(en)

(telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, hebbende

hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en)

en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 en 51 Wetboek

van Strafrecht)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht\

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart

2008 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of

Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen,

* (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van

[bedrijf 1] , over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124,

D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) - zijnde (telkens) (een)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen

- als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande

dat gebruikmaken (telkens) hierin dat hij, verdachte en/of (een of meer van)

zijn medeverdachte(n) die/dat (suppletie)aangiftebiljet(ten) voornoemd

(telkens) heeft ingezonden, althans ingediend bij de (bevoegde inspecteur van)

de Belastingdienst en/of

* (telkens) opzettelijk (een) (afschrift(en) van) voornoemd(e) vals(e) of

vervalst(e) (suppletie)aangiftebiljet(ten) voorhanden heeft gehad, terwijl

hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) (telkens) bestemd

waren/was voor gebruik, als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op die/dat

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting en/of op die/dat

afschrift(en) van die/dat (suppletie)aangiftebiljet(en) voor de omzetbelasting

over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan

belasting werd vermeld;

(art. 225 lid 2 jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 6] , verder te noemen ' [bedrijf 6] ', op een

of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot

en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen,

althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen,

* (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van

[bedrijf 1] , over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124,

D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) - zijnde (telkens) (een)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen

- als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande

dat gebruikmaken (telkens) hierin dat [bedrijf 6] en/of (een of meer van) haar

medeverdachte(n) die/dat (suppletie)aangiftebiljet(ten) voornoemd (telkens)

heeft ingezonden, althans ingediend bij de (bevoegde inspecteur van) de

Belastingdienst en/of

* (telkens) opzettelijk (een) (afschrift(en) van) voornoemd(e) vals(e) of

vervalst(e) (suppletie)aangiftebiljet(ten) voorhanden heeft gehad, terwijl de

B.V. en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) (telkens) bestemd waren/was voor

gebruik, als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op die/dat

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting en/of op die/dat

afschrift(en) van die/dat (suppletie)aangiftebiljet(en) voor de omzetbelasting

over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan

belasting werd vermeld,

hebbende hij, verdachte (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

(art. 225 lid 2 jo art. 47 en 51 Wetboek van Strafrecht)

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand

juni 2007 tot en met de maand juli 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of

Steenbergen en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met [bedrijf 1] en/of anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (onder meer)

(een) aangifte(n) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1]

, over het/de aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018)

en/of 4e kwartaal 2007 (D-020) en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008

(D-028) en/of maart 2009 (D-033) en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e

kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers

hebben/heeft hij, verdachte en/of [bedrijf 1] en/of (een of meer)

(andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het voornoemde, bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangifte(n)

omzetbelasting (telkens) een te laag, althans een onjuist, bedrag aan

omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te

weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 6] verder te noemen ' [bedrijf 6] ', op een of

meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juni 2007 tot en

met de maand juli 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen en/of

Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

. en/of anderen of een ander, althans alleen, (telkens)

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (onder meer) (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1] , over het/de

aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018) en/of 4e kwartaal 2007 (D-020)

en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008 (D-028) en/of maart 2009 (D-033)

en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 6] en/of [bedrijf 1]

en/of (een of meer) (andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het

voornoemde, bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst

ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting (telkens) een te laag, althans een

onjuist, bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe

strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 en 51 Wetboek van

Strafrecht)

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten onrechte eerst een drietal keren is gehoord als getuige, voordat hij als verdachte werd aangemerkt, aangezien al bij zijn eerste verhoor als getuige op 3 juni 2012 een redelijke verdenking voor de ten laste gelegde feiten aanwezig was. Daardoor is hij op ontoelaatbare wijze tekort gedaan in zijn rechten. Dit zou volgens de raadsman moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van dit verweer.

Het strafrechtelijk onderzoek is gestart naar aanleiding van een tipgesprek van medewerkers van de Belastingdienst met [naam 1] op 10 februari 2011. Tijdens dit tipgesprek, weergegeven in document D-001, heeft [naam 1] melding gemaakt van fraude die gepleegd zou zijn door [medeverdachte 1] en zijn echtgenote [medeverdachte 2] . Volgens [naam 1] is verdachte “op de hoogte van de fraude met de valse facturen” en zou verdachte bereid zijn te praten met de Belastingdienst over de fraude door [medeverdachte 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat ten aanzien van verdachte op dat moment een redelijk vermoeden van schuld aan fraude aanwezig was, met name nu [naam 1] tijdens dit gesprek niet nader heeft gespecificeerd hoe verdachte op de hoogte was van die vermeende fraude en wat de rol van verdachte was in het geheel.

Ook de bevindingen tot aan het eerste verhoor van verdachte op 3 juni 2012, te weten het ingestelde boekenonderzoek en het derdenonderzoek, waaruit een redelijk vermoeden van fraude met betrekking tot aangiften omzetbelasting en valsheid van geschrift door [bedrijf 1] kan worden afgeleid, wijst nog niet specifiek in de richting van verdachte, ook niet als daarbij zou zijn betrokken dat verdachte al eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Tijdens het eerste verhoor van verdachte op 3 juni 2012, toen als getuige, wordt door verdachte gesproken over een vermoeden van fraude door [medeverdachte 1] met betrekking tot het werken met Bulgaarse chauffeurs zonder tewerkstellingsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank komen ook tijdens dit verhoor geen zaken naar voren waaruit de conclusie kan worden getrokken dat er ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten aanwezig zou moeten zijn.

Dit was echter anders tijdens het tweede verhoor van verdachte, wederom als getuige, op 5 juni 2012. Een dag eerder, op 4 juni 2012 was de tipgever [naam 1] nader gehoord door de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. [naam 1] vertelde dat verdachte vraagtekens had bij facturen van inkopen van tegels en facturen van diesel. Volgens [naam 1] moest verdachte deze facturen inboeken van [medeverdachte 1] en zijn echtgenote en twijfelde verdachte of alles volgens de regels verliep. Verdachte vertrouwde het niet, aldus [naam 1] . Gelet op hetgeen in deze verklaring van 4 juni 2012 van [naam 1] over verdachte wordt verklaard, leidt de rechtbank af dat er een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten ten aanzien van verdachte moest zijn ontstaan bij de opsporingsambtenaren. Verdachte was immers de boekhouder, die facturen zou hebben ingeboekt waaraan hij zelf twijfelde.

Toen verdachte op 5 juni 2012 wederom werd gehoord, had hij dan ook als verdachte dienen te worden aangemerkt en had hem in elk geval de cautie moeten worden verleend. Dit is echter niet gebeurd. Op 5 juni 2012 en ook nog op 6 juni 212 is verdachte als getuige gehoord en is hem ten onrechte niet de cautie gegeven. Evenmin is hem toen gezegd dat hij het recht had om een advocaat te raadplegen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van deze verhoren op 5 en 6 juni 2012 sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Nu bij deze verhoren een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijk mate is geschonden en bewijsmateriaal door dat verzuim bij het 2e en 3e getuigenverhoor op 5 en 6 juni 2012 is verkregen, waardoor verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze verhoren bewijsuitsluiting als rechtsgevolg aan de orde is.

Voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. Dit rechtsgevolg komt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake.

Met betrekking tot het verweer dat de redelijke termijn is overschreden overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de verdediging voorstaat kan een enkele overschrijding van de redelijke termijn het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie niet aantasten. De Hoge Raad heeft immers bij zijn arrest van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358) geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit is sindsdien bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ook: HR 8 september 2015; NJ 2016, 40). De rechtbank acht geen termen aanwezig om hiervan af te wijken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Wel is het zo dat de nadelige gevolgen van de termijnoverschrijding dienen te worden gecompenseerd. Indien de rechtbank daar aan toe zou komen, zal dat bij het bepalen van de strafmaat aan de orde komen.

Zowel het vormverzuim met betrekking tot het onterecht horen van verdachte als getuige alsmede de forse termijnoverschrijding bieden, ook in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om te beslissen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nu er evenmin andere gronden zijn die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2

De bewijsoverwegingen

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst ten aanzien van de onder feit 1 vermelde inkoopfacturen bij een boekenonderzoek bij [bedrijf 1] , de verklaringen die zijn afgelegd door personen die werkzaam zijn/waren bij de bedrijven die op deze inkoopfacturen als leverancier zijn vermeld en de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] (hierna ook te noemen [medeverdachte 2] ) over deze facturen – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 genoemde inkoopfacturen vals zijn in die zin dat de leveringen die op deze inkoopfacturen zijn vermeld niet hebben plaatsgevonden. Deze inkoopfacturen zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] , waardoor (een deel van) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt.

Verdachte heeft ter zitting over deze facturen verklaard dat hij vanaf eind 2007, toen hij deze facturen kreeg, het vermoeden had dat er iets niet aan klopte. Ze waren amateuristisch opgemaakt. Hij heeft de facturen desondanks ingeboekt, hoewel hij daar een onprettig gevoel bij kreeg. Voor wat betreft de facturen van [bedrijf 4] heeft verdachte op zitting verklaard dat het er duimendik bovenop lag dat die facturen vals waren.

De rechtbank leidt uit deze verklaring ter zitting af dat verdachte in elk geval ten tijde van het ter beschikking komen van de facturen van [bedrijf 4] wist dat die facturen vals waren. Met betrekking tot de eerdere facturen (die van [bedrijf 3] , [bedrijf 2] en [bedrijf 5] is de rechtbank van oordeel dat verdachte in elk geval welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die facturen vals waren. Hij heeft, vermoedende dat die facturen niet klopten, nagelaten bij de op de facturen vermelde bedrijven te controleren of daadwerkelijk goederen, waaronder diesel, was ingekocht van die bedrijven, en heeft de facturen klakkeloos ingeboekt in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1]

De gedragingen van verdachte, zoals hierboven weergegeven, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, te weten het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] , dat het

- bij gebrek aan contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. In die zin heeft verdachte met opzet gehandeld.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank eveneens dat verdachte blijkens de handgeschreven tekst op document D-136 een voorbeeld (met specificatie van het aantal, de periode en het totaalbedrag) heeft gemaakt voor een aantal facturen over het jaar 2008. Deze tekst sluit bijna naadloos aan bij de inkoopfacturen van [bedrijf 5] over 2008. Met name het totaalbedrag van die facturen komt nagenoeg overeen met het door verdachte vermelde bedrag.

Voor het maken van deze aantekeningen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke verklaring afgelegd, terwijl de rechtbank hem hiertoe meermalen en indringend heeft uitgenodigd. De rechtbank kan geen andere reden bedenken dan dat verdachte met deze aantekeningen een voorstel op papier heeft gezet dat zou moeten leiden tot het opmaken van valse facturen.

Deze omstandigheid versterkt de overtuiging van de rechtbank dat verdachte met opzet heeft gehandeld bij het verwerken van de valse facturen in de administratie van [bedrijf 1]

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder de verklaring van verdachte op zitting - is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 vermelde valse inkoopfacturen (m.u.v. de inkoopfacturen van [bedrijf 4] met een factuurdatum in 2010) zijn verwerkt in de bij de Belastingdienst ingediende suppletieaangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] over de jaren 2007, 2008 en 2009. Mede gelet op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard, zijn daarmee deze suppletieaangiften opzettelijk onjuist gedaan.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat de boekingen in de administratie de basis vormden voor de aangiften die hij heeft opgemaakt en heeft ingediend.

Nu door het opzettelijk verwerken van de valse inkoopfacturen in de suppletieaangiften omzetbelasting onterecht omzetbelasting is teruggevraagd - en ook door de Belastingdienst is uitbetaald - is voldaan aan het vereiste dat het indienen van deze suppletieaangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst / FIOD en de verklaring van verdachte op zitting – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 3 vermelde maand- en kwartaalaangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] opzettelijk onjuist en/of onvolledig zijn gedaan.

Verdachte heeft immers verklaard dat hij de kosten van [bedrijf 1] , waaronder de brandstofkosten, bij gebreke van inkoopfacturen heeft geschat. Door op basis van slechts een kennelijk ongefundeerde schatting te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat op deze aangiften een te laag bedrag aan omzetbelasting werd geheven, waarmee voldaan is aan het vereiste dat het indienen van deze suppletie-aangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Verdachte heeft bij de FIOD ontkend dat hij de aangifte over het 2e kwartaal 2010 heeft gemaakt. Nu uit het dossier niet op te maken valt dat verdachte deze aangifte wel heeft gedaan, zal de rechtbank verdachte ten aanzien van deze aangifte (van het tweede kwartaal van 2010) vrijspreken.

Ten aanzien van alle feiten

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met [bedrijf 1] dat [bedrijf 1] als medepleger van de aan verdachte bewezen verklaarde feiten dient te worden aangemerkt.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand

maart 2007 tot en met de maand december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal

en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging

met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van)

de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf 1] , zijnde (dat deel van) die

(bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft hij,

verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) toen daar (telkens)

opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of

verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:

- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 2] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

. (D-012a) en/of

- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] , (telkens) gericht

aan [bedrijf 1] (D-013a) en/of

- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 4] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-014a en D-132) en/of

- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 5] , (telkens) gericht aan

[bedrijf 1] (D-015),

(telkens) terzake de inkoop door [bedrijf 1] en/of de levering aan [bedrijf 1]

van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen

de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid

(telkens) geen levering(en) aan [bedrijf 1] hebben/heeft plaatsgevonden

door de/het op die factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrdijf en/of tegen de op

die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart

2008 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of

Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

en/of anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

(suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1]

over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124,

D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan, immers hebben/heeft hij, verdachte en/of [bedrijf 1] en/of (een

of meer) (andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het voornoemde,

bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde

(suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting, (telkens) een te laag, althans

onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl die/dat feit(en)

(telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

3. primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand

juni 2007 tot en met de maand juli 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of

Steenbergen en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met [bedrijf 1] en/of anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (onder meer)

(een) aangifte(n) voor de omzetbelasting, (telkens) ten name van [bedrijf 1]

, over het/de aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018)

en/of 4e kwartaal 2007 (D-020) en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008

(D-028) en/of maart 2009 (D-033) en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e

kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers

hebben/heeft hij, verdachte en/of [bedrijf 1] en/of (een of meer)

(andere) medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het voornoemde, bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangifte(n)

omzetbelasting (telkens) een te laag, althans een onjuist, bedrag aan

omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te

weinig belasting werd geheven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert volgens de schriftelijk aan de rechtbank overgelegde vordering aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur plus een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met als bijzondere voorwaarde het opleggen van een beroepsverbod ten aanzien van de administratieve sector met inbegrip van het leidinggeven in de administratieve sector.

De officier van justitie heeft ter zitting zijn schriftelijke eis bijgesteld in die zin dat hij met de bijzondere voorwaarde van het opleggen van het beroepsverbod bedoelt deze voorwaardelijk op te leggen. Slechts indien verdachte in herhaling zou vallen, zou verdachte dit beroepsverbod opgelegd dienen te krijgen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman volstaat een voorwaardelijke straf, gelet op de ernst van de vormverzuimen, te weten dat verdachte ten onrechte niet vanaf het begin als verdachte maar eerst als getuige is gehoord en dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 4 jaar als extern boekhouder van het bedrijf [bedrijf 1] stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin valse inkoopfacturen met betrekking tot de aankoop van diesel op te nemen. De werkelijk door [bedrijf 1] ingekochte diesel is contant en zonder factuur geleverd zonder daarover accijns en BTW te betalen.

Vervolgens heeft verdachte mede op basis van deze valse administratie opzettelijk onjuiste (suppletie)aangiften gedaan op grond waarvan door de Belastingdienst ten onrechte omzetbelasting aan [bedrijf 1] is terugbetaald.

De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Verdachte heeft door zijn handelen welbewust de Nederlandse Staat en daarmee de maatschappij benadeeld. Bij belastingheffing zijn immers gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig zijn. Verdachte heeft deze gemeenschapsbelangen geschonden. Hij heeft als professioneel boekhouder een voorbeeldfunctie en zijn bonafide cliënten moeten vertrouwen in hem kunnen stellen. Bovendien is het voor het systeem van belastingheffing van essentieel belang dat de Belastingdienst vertrouwen kan stellen in de juistheid van bepaalde geschriften. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd.

In vergelijking met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] acht de rechtbank de rol van verdachte van wezenlijk belang. Hij is immers degene geweest die de valse facturen in de administratie heeft verwerkt en op grond van die valse administratie suppletieaangiften omzetbelasting gedaan. Voorts is hij - door in de maand- en kwartaalaangiften omzetbelasting bij gebrek aan inkoopfacturen inkoopkosten van diesel te schatten - degene geweest die eigenhandig, overigens met medeweten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , deze aangiften valselijk opmaakte.

Anderzijds is niet gebleken dat verdachte de initiator van het frauduleuze handelen is geweest en dat hij door zijn handelen extra inkomen heeft verworven. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat verdachte onder een zekere druk heeft gestaan van [medeverdachte 1] om te handelen zoals hij heeft gedaan, maar had het wel op zijn weg gelegen om direct te stoppen met zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] toen hij in de gaten kreeg dat er iets niet klopte door het ontbreken van inkoopfacturen en de vele contante betalingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Ook neemt de rechtbank ten gunste van verdachte in haar overwegingen mee dat verdachte uiteindelijk zelf is gestopt bij [bedrijf 1] en goeddeels openheid van zaken heeft gegeven over zijn handelen.

Uit de berekeningen die door de Belastingdienst zijn gemaakt komt met betrekking tot de onderhavige bewezenverklaarde feiten een totaal belastingnadeel naar voren van ruim 400.000 euro.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank voorts acht

geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten van het LOVS ten aanzien van fraude, die voor een zaak als onderhavige waarbij sprake is van een benadelingsbedrag van € 400.000,=, als uitgangspunt een gevangenisstraf aangeven tussen de 12 en 18 maanden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden.

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank onderzocht of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Volgens vaste jurisprudentie begint de redelijke termijn te lopen op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht, waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Daarbij wordt als uitgangspunt van de redelijke termijn in eerste aanleg een termijn van twee jaar gehanteerd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten geldt als begin van de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak 5 juni 2012 (de dag van het getuigenverhoor waarop hij als verdachte had moeten worden gehoord). Tot aan de dag van de uitspraak geldt derhalve een termijn van bijna 5 jaar. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 3 jaar. Op grond hiervan zal strafvermindering worden toegepast.

Wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank in plaats van de in beginsel passende gevangenisstraf van 12 maanden een maximale taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar opleggen.

Deze voorwaardelijke straf acht de rechtbank noodzakelijk om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Bij de duur van de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf houdt de rechtbank, naast de ernst, de duur en de hoeveelheid van de feiten, rekening met de omstandigheid dat verdachte zich in januari 2008 eveneens heeft beziggehouden met het als boekhouder opzettelijk onjuist doen van een aangifte omzetbelasting bij de Belastingdienst, voor welk feit hij op 22 december 2010 is veroordeeld. Hoewel in dit verband artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, kan uit dat gegeven wel een oordeel worden getrokken omtrent de persoon van verdachte, namelijk dat verdachte relatief gemakkelijk te beïnvloeden is, wanneer hem door een opdrachtgever wordt gevraagd te sjoemelen met aangiften voor de Belastingdienst. Ook om die reden acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur noodzakelijk.

Ten aanzien van de door de officier van justitie geëiste straf om verdachte in voorwaardelijke zin een beroepsverbod op te leggen in de administratieve sector, overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de onderhavige feiten zijn gepleegd in de periode van maart 2007 tot en met december 2010 en er dus inmiddels al bijna zes en een half jaar verstreken zijn, terwijl niet is gebleken dat verdachte in het kader van zijn functie als boekhouder nadien wederom soortgelijke feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank een al dan niet voorwaardelijke oplegging van deze op zich zware sanctie, niet langer opportuun. De rechtbank zal deze (voorwaardelijke) straf dan ook niet aan verdachte opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte

onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 3 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 mei 2017.