Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2845

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
17/1755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontheffing artikel 5 Regeling beperking geluidhinder luchtvaart | reguliere trainingen | geen (inter)nationale oefening | voorlopige voorziening | schorsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/1755 WET VV

uitspraak van 31 maart 2017 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

en

de minister van Defensie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Defensie Helikopter Commando (DHC), te Breda,

gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari 2016 (bestreden besluit) van de minister inzake het verlenen van een ontheffing aan de commandant van het DHC. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M. Besselink. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam betrokkene] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is woonachtig in de nabijheid van de militaire luchthaven Gilze-Rijen.

Op 10 november 2016 heeft de commandant van het DHC een verzoek om ontheffing van de Regeling beperking geluidhinder luchtvaart (Regeling) ingediend voor de EHGR (militaire luchthaven Gilze-Rijen) en de EHDL (militaire luchthaven Deelen).

Bij het bestreden besluit heeft de minister de gevraagde ontheffing verleend. De ontheffing is – voor zover het de militaire luchthaven Gilze-Rijen betreft – verleend van het verbod op vluchten voor oefendoeleinden op werkdagen na 00:00, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel e, onder 1, van de Regeling. De ontheffing heeft betrekking op bepaalde dagen, in totaal 21, van 00:00 tot 01:00 uur in de weken 14, 17, 18, 23, 27 en 32.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij als omwonende van de vliegbasis Gilze en Rijen al ontoelaatbaar veel lawaaioverlast, zowel overdag als ’s avonds, van de militaire helikopters van de vliegbasis Gilze en Rijen ondervindt. Verzoeker is van mening dat de genoemde extra oefenvluchten geheel overbodig zijn gezien de reeds aanwezige zeer royale mogelijkheden in dezen. Elk jaar wordt een andere motivatie aangevoerd om deze ontheffing te legaliseren en ieder jaar wordt de periode van ontheffing aanmerkelijk langer.

Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat – gelet op het gebruik om jaarlijks een ontheffing te vragen – niet meer gaat om een uitzondering.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder e, van de Luchtvaartwet – voor zover hier van belang – kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen.

Op grond van artikel 174 van de Wet geluidhinder kan, indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

De in deze artikelen bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit beperking geluidhinder luchtvaartuigen (Besluit).

Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat met betrekking tot het uitvoeren van vluchten door de minister voorschriften worden gegeven ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen. Deze voorschriften zijn neergelegd in de Regeling.

Op grond van artikel 1 van de Regeling – voor zover hiervan belang – moeten met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen binnen de plaatselijke verkeersleidingsgebieden rond militaire luchthavens de volgende voorschriften worden nagekomen:

e. 1˚ het vliegen voor oefendoeleinden is voor militaire luchtvaartuigen niet toegestaan op werkdagen na 00.00 uur plaatselijke tijd tot 07.00 uur plaatselijke tijd of zoveel eerder als de uniforme daglichtperiode aanbreekt, en op vrijdagen vanaf 17.00 uur, zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen.

Artikel 5 van de Regeling bepaalt:

  1. De minister van Defensie kan ten behoeve van nationale of internationale oefeningen ontheffing verlenen van artikel 1, onderdeel e, onder 1˚, en onderdeel f, onder 1˚.

  2. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  3. De ontheffing kan onder beperking worden verleend.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 5, eerste lid, van de Regeling volgt dat de minister bevoegd is om ten behoeve van nationale of internationale oefeningen ontheffing te verlenen van artikel 1, onderdeel e, onder 1 (het vliegen voor oefendoeleinden na 00:00 uur). Gelet hierop dient allereerst de vraag beantwoord te worden of de voorliggende ontheffing is verleend ten behoeve van nationale of internationale oefeningen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Memorie van Toelichting (MvT; Staatscourant 2014 nr. 28717) bij de wijziging van artikel 5 van de Regeling volgt dat onder een (inter)nationale oefening iets anders moet worden verstaan dan het reguliere trainingsprogramma. In de MvT is namelijk opgenomen: “Voorts wordt in artikel 5 bepaald dat de ontheffingsverlening geschiedt ten behoeve van nationale of internationale oefeningen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat verhoogde of verlengde inzet in een missiegebied het noodzakelijk maakt dat ook buiten het reguliere trainingsprogramma moet worden geoefend.”

Uit de aanvraag en de toelichting ter zitting is gebleken dat de reden voor de aanvraag van de ontheffing is gelegen in het feit dat het helikopterpersoneel goed getraind dient te zijn. Het vliegen bij duisternis vraagt extra aandacht en training ten opzichte van het vliegen bij dag, vandaar dat dit op regelmatige basis dient plaats te vinden. Nu de missie in Mali is beëindigd, zijn er weer meer helikopters beschikbaar en dient de geoefendheid van het terugkerend personeel ook weer op peil te worden gebracht. Bij DHC bestaat – mede gelet hierop – de behoefte om gedurende het gehele jaar bij duisternis te kunnen trainen. In de zomermaanden is het steeds later donker, om toch genoeg training bij duisternis te hebben is het derhalve nodig om tot 01:00 (LT) op Gilze Rijen te kunnen vliegen.

Gelet op het bovenstaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de minister niet bevoegd tot het verlenen van de aangevraagde ontheffing. Immers de vluchten na 00:00 uur op Gilze Rijen vinden plaats in het kader van het reguliere trainingsprogramma en niet ten behoeve van een nationale of internationale oefening.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Deze voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de minister aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoeker te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.