Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2752

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 2701
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2864, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Successiewet 1956 (art. 32 SW), AWR (5a AWR), BW (1:67, 1:78 en 1:79 BW).

Beroep op partnervrijstelling van de Successiewet terecht afgewezen. Belanghebbende kan niet als echtgenote van erflater worden aangemerkt nu geen sprake is van een ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk. Met de voor ongehuwd samenwonenden geldende eis van inschrijving in de Basisregistratie Personen heeft de wetgever de ruime beoordelingsmarge niet overschreden. Aan de inschrijvingseis is niet voldaan.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 32
Algemene wet inzake rijksbelastingen 5a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 67
Burgerlijk Wetboek Boek 1 78
Burgerlijk Wetboek Boek 1 79
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/41.2.3
Vp-bulletin 2017/40
V-N Vandaag 2017/1270
FutD 2017-1373
NTFR 2017/1702 met annotatie van mr. W. Verstijnen
ERF-Updates.nl 2017-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/2701

uitspraak van 4 mei 2017

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Zwitserland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 22 maart 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag erfbelasting (hierna: aanslag) van € 386.730, [aanslagnummer] wegens een verkrijging in het jaar 2014 en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] te Den Haag, en namens de inspecteur,

[inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Op [2014] is overleden [erflater] (hierna: erflater). Belanghebbende was enig erfgenaam van erflater.

2.2.

Erflater was woonachtig aan [adres] te [plaats] . Erflater stond ten tijde van het overlijden op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP); belanghebbende niet.

2.3.

Belanghebbende heeft aangifte erfbelasting gedaan. Bij het opleggen van de aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte en is de waarde van de nalatenschap vastgesteld op € 998.222 en de belaste verkrijging, na toepassing van een vrijstelling van € 2.092, op

€ 996.130. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking € 16.500 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.4.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen en de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat erflater en belanghebbende feitelijk samenwoonden en dat zij beschikken over een gezamenlijk graf.

2.6.

In geschil is het antwoord op de vraag of de partnervrijstelling van artikel 32, eerste lid, sub 4, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) kan worden toegepast op de verkrijging door belanghebbende.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat indien erflater en belanghebbende gehuwd waren in de zin van artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de AWR, dan wel indien zij als ongehuwd samenwonenden voldeden aan de voorwaarden van artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR in samenhang met artikel 1a, eerste lid, van de SW er sprake is van partnerschap voor de toepassing van artikel 32, eerste lid, sub 4, van de SW.

Huwelijk

2.8.

Iemand wordt echtgenoot van degene met wie hij civielrechtelijk in het huwelijk treedt. Blijkens art. 1:67, eerste lid, van het BW, is daarvoor vereist dat de aanstaande echtgenoten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden. Het bewijs van het bestaan van een huwelijk kan op grond van artikel 1:78 van het BW niet anders worden geleverd dan door de huwelijksakte of door een akte van omzetting. Indien het huwelijksregister niet heeft bestaan, verloren is gegaan of indien daaraan de huwelijksakte ontbreekt, kan een huwelijk op grond van artikel 1:79 van het BW worden bewezen door getuigen of bescheiden. Van een huwelijksakte die ‘ontbreekt’ aan het huwelijksregister is naar het oordeel van de rechtbank sprake indien de in art. 1:67, eerste lid, van het BW bedoelde verklaring is afgelegd en de ambtenaar van de burgerlijke stand ten onrechte de huwelijksakte niet heeft opgemaakt en aangeboden ter registratie in het huwelijksregister.

2.9.

Belanghebbende heeft aangevoerd een huwelijk ‘op singuliere wijze’ te hebben gesloten met erflater. Onder singulier huwelijk verstaat zij een huwelijk dat op bijzondere wijze is gesloten. Zij heeft ter onderbouwing van haar stelling een beeldregistratie overgelegd. Nu vast staat dat belanghebbende en erflater niet de in 1:67 van het BW bedoelde verklaring ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben afgelegd, is geen sprake van een rechtsgeldig gesloten huwelijk. Belanghebbende is gelet op het voorgaande niet aan te merken als erflaters echtgenote in de zin van artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de AWR.

Ongehuwd samenwonen

2.10.

Op grond van artikel 1a, eerste lid van de SW geldt voor partnerkwalificatie van ongehuwden onder meer de voorwaarde dat zij in de BRP of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland op hetzelfde woonadres staan ingeschreven. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is vermeld voldeden erflater en belanghebbende niet aan het gezamenlijke inschrijvingscriterium. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden voor partnerschap voor toepassing van de SW. Dat belanghebbende enig erfgenaam van erflater was, met hem feitelijk samenwoonde en een gezamenlijk graf met hem heeft, doet aan het voorgaande niet af en kan dus niet tot een ander oordeel leiden.

2.11.

Het is de keuze van de wetgever geweest om onder meer een objectief criterium in de vorm van de inschrijving in de BRP als voorwaarde te stellen. De voorwaarde zoals die in de wettekst is geformuleerd is duidelijk. Het stellen van de inschrijvingseis valt binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.

Het buiten toepassing laten van de wettelijke voorwaarden omdat belanghebbende de uitkomst in haar geval onredelijk acht, is niet mogelijk. De rechter moet rechtspreken op grond van de wet. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemeene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen te beoordelen (vergelijk Hoge Raad 12 mei 1976, nr. 17933, BNB 1976/145).

Overig

2.12.

Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van de Grondwet omdat materieel gelijke samenlevingsvormen ongelijk worden behandeld, overweegt de rechtbank het volgende. De SW is een wet in formele zin. Aangezien de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin treedt, kan een verwijzing naar de Grondwet belanghebbende niet baten.

2.13.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

2.14.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 4 mei 2017 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.T.G. de Jong, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.