Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2588

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
C/02/324384 / FA RK 16-7146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoek gezagsbeëindiging, nu nog niet kan worden vastgesteld dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en haar hechtingsrelatie met de minderjarige is nog altijd in stand. Bezien dient te worden of de moeder in staat is de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/324384 / FA RK 16-7146

datum uitspraak: 23 maart 2017

beschikking oordeel rechtbank over noodzaak beëindiging ouderlijk gezag

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL, hierna te noemen de raad,

gevestigd te Breda.

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te Rotterdam, hierna te noemen [geboortedatum] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder minderjarige] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Bergen op Zoom,

MEVROUW EN DE HEER [pleegouders] , de oma moederszijde en haar echtgenoot, tevens de pleegouders, hierna ook te noemen de pleegouders,

wonende te Bergen op Zoom,

JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de SJB,

gevestigd te Roosendaal.

De rechtbank merkt als informant aan:

[vader minderjarige] , hierna te noemen de vader,

wonende te Rotterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de brief van 8 december 2016 van de GI, met daarin het verzoek aan de raad het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag inzake [geboortedatum] moet volgen;

- het rapport van de raad van 8 december 2016, ingekomen bij de griffie op

12 december 2016, waarin de raad de rechtbank vraagt te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over [geboortedatum] noodzakelijk is, met bijlagen;

- de bereidverklaring van de SJB van 19 december 2016.

Op 28 februari 2017 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar raadsman mr. B.J. Visser,

- de vader,

- de pleegouders,

- een vertegenwoordiger van de raad,

- een vertegenwoordiger van de GI,

- een vertegenwoordigster van de SJB.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [geboortedatum] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van de kinderrechter van 31 december 2015 is de ondertoezichtstelling van, de toen nog ongeboren, [geboortedatum] uitgesproken. Sinds 22 februari 2016 is [geboortedatum] - met een machtiging van de kinderrechter - uit huis geplaatst bij oma mz en haar echtgenoot. Sindsdien verblijft [geboortedatum] in dit perspectief biedende pleeggezin. Deze maatregelen duren nog steeds voort.

De GI, die de ondertoezichtstelling over [geboortedatum] uitvoert, heeft op 8 juni 2016 de raad verzocht om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder van [geboortedatum] .

De raad heeft op 8 december 2016 aan de GI laten weten dat gedurende het onderzoek onvoldoende gronden zijn geconstateerd om over te gaan tot een verzoek voor een gezagsbeëindigende maatregel.

De GI heeft op 8 december 2016 de raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen, of beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [geboortedatum] noodzakelijk is.

De raad heeft bij brief van 8 december 2016 de rechtbank gevraagd om een oordeel of beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is.

De SJB heeft zich bij brief van 19 december 2016 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De raad heeft verzocht te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over [geboortedatum] noodzakelijk is.

Het verzoek van de raad is ter zitting gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI ter vervanging van de gecertificeerde instelling in het kader van de ondertoezichtstelling met zaaknummer [zaaknummer 1] Bij beschikking van heden is het verzoek van de GI met zaaknummer [zaaknummer 2] ingewilligd, in die zin dat de GI is vervangen door de SJB.

Standpunt van de raad

Ter onderbouwing van het verzoek gezagsbeëindiging heeft de raad – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen.

De raad heeft in het rapport van 8 december 2016 en ter zitting aangevoerd dat [geboortedatum] uit twee verslaafde ouders is geboren. Ondanks het feit dat hij momenteel in zijn ontwikkeling geen zorgelijke signalen laat zien, blijft dit een punt van zorg en zal zijn verdere ontwikkeling nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden. De eerste anderhalve maand van zijn leven woonde [geboortedatum] bij zijn ouders. Binnen deze opvoedingssituatie is hij blootgesteld aan de verslavingsproblematiek, relatieproblematiek en persoonlijke problematiek van beide ouders, hetgeen in februari 2016 tot een spoeduithuisplaatsing heeft geleid. Sindsdien wordt [geboortedatum] verzorgd en opgevoed door de oma moederszijde en haar echtgenoot. [geboortedatum] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat binnen dit netwerkpleeggezin. Hij is een vrolijke en nieuwsgierige baby.

Ten aanzien van de moeder heeft de raad aangevoerd dat er ernstige zorgen bestaan over haar persoonlijke problematiek. Bij de moeder is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis en een angststoornis. In het dagelijkse leven heeft de moeder met name last van stemmingswisselingen en ervaart zij moeite met het verwerken van tegenslagen. Ook is er vanaf haar 21e levensjaar sprake van middelengebruik (alcohol en GHB), waarvoor de moeder meermaals opgenomen is geweest. Sinds de uithuisplaatsing van [geboortedatum] heeft de moeder middels verschillende hulpverleningstrajecten (GGZ, Altrecht) getracht om van haar middelenmisbruik af te komen, hetgeen tot op heden niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Zij heeft vanaf de uithuisplaatsing viermaal een fikse en heftige terugval gehad in haar middelengebruik. Ook is er in deze periode tweemaal sprake geweest van een suïcidepoging met een opname op de Intensive Care als gevolg. Ondanks dat de moeder van goede wil is om haar verslavingsproblematiek aan te pakken en zij meermaals te kennen heeft gegeven dit te willen doen voor [geboortedatum] , is het haar tot op heden niet gelukt om dit vol te houden. De moeder is onvoldoende in staat om, zeker in situaties van stress en spanning, sterker te zijn dan haar verslaving en dan in het belang van [geboortedatum] te handelen. Het lukt haar verder onvoldoende om op de cruciale momenten de juiste hulp en/of ondersteuning voor zichzelf te realiseren. Het handelen van de moeder heeft er onder andere toe geleid dat de bezoekmomenten van [geboortedatum] en frequentie hiervan door de GI zijn teruggebracht van één keer één uur in de twee weken naar één keer één uur in de vier weken. Een andere zorg van de raad is de negatieve verstandhouding tussen de ouders. De ouders zijn in het afgelopen jaar onvoldoende in staat gebleken om op constructieve wijze met elkaar te communiceren over zaken aangaande [geboortedatum] .

De raad ziet als sterk punt dat de moeder sinds februari 2016 op verschillende manieren heeft getracht om met haar verslavingsproblematiek aan de slag te gaan. Ondanks de meerdere terugvalmomenten, vindt de raad het een kracht van de moeder dat zij in staat is om inzicht te tonen in haar ziektebeeld en dat zij blijft vechten om haar problematiek aan te pakken. Een ander sterk punt acht de raad dat de bezoekmomenten tussen de moeder en [geboortedatum] als positief worden omschreven. De moeder is liefdevol en betrokken naar hem toe en weet op de juiste wijze bij hem aan te sluiten. In de periode dat [geboortedatum] nog bij de ouders woonde, zijn ook positieve punten gezien in de opvoedingsvaardigheden van de moeder.

De raad is van mening dat, gelet op de zorgen en sterke punten van de moeder, er momenteel te weinig bekend is over de huidige (on)mogelijkheden van de moeder in relatie tot de opvoeding en verzorging van [geboortedatum] op de langere termijn. Momenteel kan er nog niets gezegd worden over in hoeverre de moeder op termijn in staat zal zijn om de zorg en opvoeding van [geboortedatum] weer op zich te nemen. In dit kader wijst de raad erop dat gezien wordt dat de moeder, ondanks forse terugvalmomenten, wel meermaals op eigen initiatief de noodzakelijke hulp heeft opgezocht om zodoende aan haar problematiek te werken. Daarnaast heeft de moeder niet in de meest gunstige omstandigheden, onder andere door het te laat inzetten van nazorg, aan haar problematiek kunnen werken. Al met al kan in deze fase nog niet gesteld worden dat de moeder niet in staat is om op termijn haar problematiek de baas te worden en de verzorging en opvoeding van [geboortedatum] weer op zich te nemen. Dit geldt te meer nu de moeder sinds september 2016 opnieuw is opgenomen en nog aan het begin van haar behandeltraject staat. Daarnaast zal een zorgteam van Juzt zich de komende tijd gaan inzetten om de verstandhouding tussen de ouders en tussen de vader en de pleegmoeder op positieve wijze aan te pakken. De raad acht een gezagsbeëindigende maatregel dan ook thans nog niet op zijn plaats. Daartoe acht de raad tevens redengevend dat onvoldoende is gebleken dat de GI minder vergaande opties heeft overwogen, zoals het toewerken naar een vrijwillig kader indien de moeder de huidige plaatsing van [geboortedatum] blijft ondersteunen. Op dit moment acht de raad echter een vrijwillig kader nog niet aan de orde, omdat de moeder nog altijd de wens heeft om [geboortedatum] zelf op te voeden. De raad vraagt zich af wat hierin de mogelijkheden zullen zijn indien de moeder in dit proces adequaat ondersteund gaat worden. Deze optie is binnen de ondertoezichtstelling nog onvoldoende uitgediept, hetgeen tevens geldt voor de optie om, indien het gezag van de moeder wel zou worden beëindigd, de pleegouders met de voogdij over [geboortedatum] te belasten. Daarnaast is de raad van mening dat de aanvaardbare termijn van [geboortedatum] nog niet is verstreken. Hij ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en geeft vooralsnog geen blijk last te hebben van de onrustige situatie omtrent zijn ouders of onduidelijkheid over zijn perspectief. De bezoekmomenten met de moeder verlopen positief en er wordt vanuit de moeder op geen enkele manier aan [geboortedatum] getrokken. Voor [geboortedatum] is het bovendien, indien hij ouder is, van belang dat duidelijk moet zijn dat alle mogelijkheden zijn benut om te bezien of hij op kan groeien bij zijn moeder. Hoewel [geboortedatum] zich momenteel in een belangrijk hechtingsproces bevindt en het vanzelfsprekend is dat er snel duidelijkheid dient te komen over zijn perspectief, is de raad van mening dat hij nog enige tijd, maximaal zes maanden, in - beperkte - onzekerheid kan verkeren. De raad benadrukt dat hierbij absoluut niet het nogmaals terugvallen in middelengebruik door de moeder past. Tevens geeft de raad aan dat de moeder na zes maanden mogelijk haar leven nog niet geheel op de rit heeft, maar dat dan wel meer duidelijk zal zijn over haar mogelijkheden. Ook zal dan meer duidelijk zijn over de andere opties dan een thuisplaatsing bij de moeder, zoals hulpverlening in het vrijwillig kader, waarbij een gezagsbeeindiging niet nodig is, en voogdij bij de pleegouders. De raad adviseert de rechtbank dan ook om tot het oordeel te komen dat een beëindiging van het gezag nu niet noodzakelijk is, dan wel om de behandeling van de zaak voor een periode van zes maanden aan te houden.

Standpunten van belanghebbenden en informant

De GI heeft zich in zijn schrijven van 8 december 2016 en ter zitting op het standpunt gesteld dat een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder wel noodzakelijk is. Bij de moeder is sprake van forse psychiatrische- en verslavingsproblematiek. Zij is niet in staat tot enige zelfreflectie en legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Ook lukt het haar niet om met tegenslagen om te gaan. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing van [geboortedatum] voldoende aanbod van zorg en hulpverlening gehad om ervoor te zorgen dat zij weer voor [geboortedatum] kan gaan zorgen. Zij heeft echter onvoldoende willen profiteren van de aangeboden hulpverlening. Zij hield de hulpverlening af en speelde de hulpverleners tegen elkaar uit. Daarbij intimideerde de moeder de pleegouders. Ook dreigde zij tegenover hen met suïcide, waardoor de pleegouders tegen een gezagsbeëindigende maatregel zijn. De GI acht het niet reëel te verwachten dat de moeder, gelet op haar forse problematiek, binnen zes maanden zal zijn uitbehandeld en haar leven op orde heeft. Zij zal nog jaren hulpverlening nodig hebben voordat het zover is. [geboortedatum] kan hierop niet wachten. Zijn toekomstperspectief ligt in het netwerkpleeggezin van de pleegouders. Juzt heeft het netwerkscreeningsonderzoek inmiddels afgerond en is van mening dat dit pleeggezin prima in staat is om [geboortedatum] een stabiele en veilige opvoedingssituatie te bieden. De GI verzoekt de rechtbank dan ook om het gezag van de moeder te beëindigen.

Namens en door de moeder is ter zitting aan de rechtbank verzocht om tot het oordeel te komen dat een beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is. De moeder heeft na de uithuisplaatsing van [geboortedatum] direct hulp gezocht om aan haar problematiek te werken. Dit was moeilijk voor haar, omdat er al snel tegen haar gezegd werd dat [geboortedatum] niet meer bij haar zou worden geplaatst. Zij had hierdoor geen lichtpunt meer in haar leven en kon ook niet voor steun bij haar moeder terecht, omdat zij de pleegmoeder van [geboortedatum] is. Sinds haar verblijf in Den Dolder heeft ze echter geen terugval in middelengebruik meer gehad. Zij zal binnenkort starten met een behandeling voor de bij haar geconstateerde PTSS. Zij verwacht dat deze behandeling 6 tot 8 maanden zal duren. Daarna wil ze graag meewerken aan een traject voor moeder en kind, bijvoorbeeld bij Kompaan en De Bocht. De moeder is van mening dat zij een kans verdient, zeker nu door de raad is aangegeven dat zij in staat moet worden geacht om in de behoeftes van [geboortedatum] te voorzien. Subsidiair verzoekt de moeder om de zaak aan te houden. Zij vraagt zich wel af of de hiervoor door de raad gestelde termijn van zes maanden reëel moet worden geacht, gelet op de bij haar aanwezige problematiek en de duur van de behandeling die hiervoor nodig is.

Door de pleegouders is ter zitting aangevoerd dat de moeder nog een kans moet worden geboden. Daartoe wijzen zij erop dat in het begin de hulpverlening aan de moeder niet adequaat is geweest, waardoor zij meerdere terugvallen heeft gehad. Daarbij heeft de moeder nog nooit een behandeling gehad voor haar psychiatrische problematiek. Dit zal zij de komende periode wel krijgen. Verder heeft [geboortedatum] het goed bij de pleegouders. Voor hem maakt het niet uit als hij nog een half jaar bij de pleegouders zou moeten blijven, voordat hij eventueel bij de moeder thuis kan worden geplaatst. Het zal de moeder ook moed geven om aan haar problematiek te werken.

Door de vader is ter zitting aangevoerd dat [geboortedatum] het momenteel goed heeft bij de pleegouders. De vader vraagt zich af of het gezag over [geboortedatum] voortaan door de moeder en de pleegouders gezamenlijk kan worden uitgeoefend.

De SJB heeft zich ter zitting niet uitgelaten over de onderhavige zaak.

De beoordeling

In artikel 1:267, eerste lid van het BW is bepaald dat beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de raad of het Openbaar Ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot een verzoek overgaat. In het tweede lid is bepaald dat, indien de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De raad die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

In dit criterium voor gezagsbeëindiging is door de wetgever invulling gegeven aan het belang van het kind. Voorwaarde voor gezagsbeëindiging is dat er geen perspectief meer is op terugkeer dan wel verblijf van het kind bij de ouder zonder dat een ondertoezichtstelling nodig is. Wanneer dat het geval is, kan de rechter het gezag van de ouder beëindigen. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3) zal het naar mate de als tijdelijk bedoelde maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing langer duren, steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) kan dragen. Het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder, verdraagt zich daarmee dus in beginsel niet.

Bij de maatregel tot gezagsbeëindiging is, net als bij die van de ondertoezichtstelling, het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind, de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een aanvaardbare termijn is, is mede afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Factoren die volgens de wetgever van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst zijn onder meer:

a. het kind moet zich indien mogelijk volledig en harmonieus in het pleeggezin kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;

b. als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel;

c. in die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

d. de enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de

uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het

verzoek tot beëindiging van het gezag.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk geworden dat de moeder sinds de uithuisplaatsing van [geboortedatum] diverse hulpverleningstrajecten heeft doorlopen om van haar verslavingen af te komen. Desondanks heeft zij in deze periode meerdere terugvallen gehad. Sinds september 2016 verblijft de moeder in Den Dolder en heeft zij geen terugval meer gehad. Zij heeft negatieve urinecontroles en op korte termijn zicht op een 6 tot 8 maanden durende behandeling voor haar PTSS. De moeder is gemotiveerd om zich hiervoor in te zetten en zou hierna graag weer de zorg voor [geboortedatum] op zich willen nemen.

[geboortedatum] verblijft sinds dat hij anderhalve maand oud is bij oma moederszijde en haar echtgenoot. Hij krijgt bij hen de opvoedingssituatie die hij nodig heeft. Hij lijkt zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen, ondanks dat hij uit twee verslaafde ouders is geboren. Dit zal wel een punt van aandacht blijven. In het pleeggezin is er veel ruimte voor de moeder. Zo staan er foto’s van de moeder op het slaapkamertje van [geboortedatum] en heeft [geboortedatum] elke dag via face-time contact met de moeder. De pleegouders doen er veel aan om de band tussen [geboortedatum] en de moeder in stand te houden en zouden graag zien dat de moeder weer in staat is om zelf voor [geboortedatum] te zorgen.

Gelet op de aandacht die de moeder in het pleeggezin krijgt, het feit dat er sprake is van een plaatsing bij de oma van [geboortedatum] en het feit dat de uithuisplaatsing pas sinds februari 2016 wordt uitgevoerd, waardoor nog geen sprake is van jarenlange verlengingen, kan niet zonder meer gesteld worden dat de aanvaardbare termijn voor [geboortedatum] reeds is overschreden. In de afweging ten aanzien van de aanvaardbare termijn speelt het belang van een ongestoord hechtingsproces een belangrijke rol. Een veilig gehecht kind kan zich volledig en harmonieus ontwikkelen. Continuïteit in de opvoedingssituatie is daarbij van wezenlijk belang. [geboortedatum] is gehecht aan zijn pleegouders. Zijn hechtingsrelatie met de moeder is echter ook nog aanwezig en wordt warm gehouden door bezoekmomenten, face-time-contacten en pleegouders. Dit maakt dat de moeder wellicht op termijn ook weer een opvoedingsrelatie met [geboortedatum] aan kan gaan. Dit zou immers voor hem geen breuk in zijn situatie betekenen, omdat alle belangrijke personen die nu in zijn leven zijn, betrokken zullen blijven. Daarbij lijkt de moeder sinds september 2016 op de goede plek te zitten, waar zij afkickt van de verslavende middelen en de behandeling zal krijgen die zij voor de bij haar aanwezige problematiek nodig heeft. Het is onduidelijk of de behandeling zal gaan aanslaan en of de moeder in staat is om niet terug te vallen in haar verslavingen. Deze speciale omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn voor [geboortedatum] nu nog niet verstreken is en thans geen oordeel kan worden gegeven of beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is. Zij zal de behandeling van de zaak aanhouden voor de duur van zes maanden.

Gedurende deze periode krijgt de moeder de laatste kans om te laten zien dat zij haar leven op orde kan houden en vervolgens op afzienbare termijn wel de zorg en opvoeding van [geboortedatum] op zich kan nemen. Zij zal daartoe clean dienen te blijven, mee dienen te werken aan de voor haar noodzakelijke behandeling en haar leven ook verder, zover als mogelijk, weer op de rit dienen te krijgen.

In deze periode dient de SJB, aan wie bij beschikking van heden de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is overgedragen, de doelstelling van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het oog te houden en de moeder daartoe de ondersteunende hulpverlening te geven die zij nodig heeft. Daarnaast dient de SJB te bezien of er bij betrokkenen draagvlak bestaat om de uithuisplaatsing van [geboortedatum] bij de pleegouders in een vrijwillig kader doorgang te laten vinden, mocht de moeder niet in staat blijken om de zorg en opvoeding van [geboortedatum] op zich te nemen. Tevens dient de SJB te bezien of bij een gezagsbeëindiging van de moeder de voogdij kan worden opgedragen aan de pleegouders. Bij dit alles dient het belang van [geboortedatum] leidend te zijn.

De rechtbank verzoekt de SJB om hierover en over de laatste stand van zaken twee weken vóór de na te noemen pro forma datum aan de rechtbank te rapporteren, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raad, de moeder en de pleegouders. De raad, de moeder en de pleegouders worden vervolgens verzocht om vóór de na te noemen pro forma datum hierop een reactie te geven en aan te geven hoe de zaak verder moet worden afgedaan.

Dit betekent dat als volgt wordt beslist. De rechtbank behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van de zaak aan tot 3 oktober 2017 PRO FORMA in afwachting van het rapport van de SJB, de reactie hierop van de raad, de moeder en de pleegouders en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Hamburger, Van Triest en C. de Graaf, kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier

en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017

WV