Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2587

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
C/02/327890 / JE RK 17-430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vots van de ongeboren vrucht bij een zwangerschap van zestien weken. In de jurisprudentie wordt pas na vierentwintig weken zwangerschap toepassing gegeven aan artikel 1:2 BW als dit voor de ongeboren vrucht van belang wordt geacht. De overweging hierbij is dat de moeder tot dat moment het recht heeft om de zwangerschap af te breken en door de medische wetenschap in Nederland de levensvatbaarheidsgrens op die termijn is vastgesteld. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt van deze lijn afgeweken en daarvan is in dit geval geen sprake.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2017/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/327890 / JE RK 17-430

datum uitspraak: 22 maart 2017

nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL, hierna te noemen de Raad,

[de ongeboren vrucht] te Breda.

betreffende

[de ongeboren vrucht] , hierna te noemen de ongeboren vrucht.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

LEGER DES HEILS JEUGDZORG & RECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

[de ongeboren vrucht] te Rotterdam,

[moeder ongeboren vrucht] , hierna te noemen de moeder,

wonende te Etten-Leur,

[vader ongeboren vrucht] , hierna te noemen de vader,

wonende te Etten-Leur,

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 maart 2017 en de daarin vermelde stukken;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 maart 2017.

De feiten

Het ouderlijk gezag over de ongeboren vrucht wordt uitgeoefend door de moeder. De vader heeft de ongeboren vrucht erkend.

Het verzoek

De Raad heeft de voorlopige ondertoezichtstelling verzocht van de ongeboren vrucht voor de duur van drie maanden.

Het standpunt van belanghebbenden

Door de Raad wordt aangevoerd dat de ongeboren vrucht ernstig in zijn veiligheid en ontwikkeling wordt bedreigd, omdat de moeder dagelijks blowt en dat zij tijdens haar zwangerschap ook alcohol gebruikt. Tot 4 maart 2017 verbleef de moeder binnen een doorstroomvoorziening van de Sociaal Maatschappelijke Opvang in Breda. De moeder is niet teruggekeerd van haar verlof en verblijft op een onbekende locatie, waarschijnlijk in het bijzijn van haar partner, die bekend is met harddrugs- en alcoholgebruik en ook bekend is met dealen. De moeder werkt volgens de Raad niet mee aan het door Novadic Kentron en Veilig Thuis opgestelde veiligheidsplan. Zij stelt zich onbegeleidbaar op, komt afspraken met hulpverlening niet na, is onbereikbaar voor Veilig Thuis en is steeds moeilijker bereikbaar voor Novadic Kentron. Er is volgens de Raad dan ook onvoldoende zicht op de veiligheid en ontwikkeling van de ongeboren vrucht. Bij de moeder is sprake van psychische problematiek, een belast verleden en een verstandelijke beperking. Daarnaast is er sprake van schuldenproblematiek, heeft zij geen zorgverzekering en is er justitiële problematiek. Een ander zoontje van moeder verblijft bij familie in België. De Raad is van mening dat de ongeboren vrucht reeds als geboren dient te worden aangemerkt, omdat de moeder tekort schiet in haar zorg voor de ongeboren vrucht. Volgens de Raad heeft de ongeboren vrucht recht op bescherming en dienen alle middelen die daarvoor beschikbaar zijn – zoals een voorlopige ondertoezichtstelling – te worden ingezet. Het is de Raad gebleken dat de moeder de intentie heeft om het kind geboren te laten worden, daarom heeft de ongeboren vrucht nu reeds, ook al is de moeder nog maar 16 weken zwanger, recht op bescherming. De recente positieve ontwikkelingen vormen voor de Raad geen aanleiding om het verzoek te herzien, nu deze nog pril zijn en de bestendigheid daarvan nog moet blijken.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij niet instemt met het verzoek van de Raad. Zij geeft aan dat zij inmiddels een zorgverzekering heeft en dat zij onder behandeling is bij een gynaecoloog. Inmiddels woont zij met haar partner in een woning te Etten-Leur en staan zij op dat adres ingeschreven. Zij ontvangt een uitkering. De moeder ondergaat urinecontroles bij Novadic-Kentron en heeft daar tevens ambulante hulp aangevraagd. Deze hulp zal zij onder begeleiding van Bemoeizorg realiseren. Sinds de moeder twee weken geleden is vertrokken bij daklozenopvang ’t IJ te Breda gebruikt zij geen alcohol meer. Met het GHB-gebruik is zij zeven maanden geleden gestopt. Zij blowt nog wel om rustig te worden. Volgens de moeder heeft de gynaecoloog aangegeven dat blowen niet meer schadelijk is dan roken tijdens de zwangerschap. De moeder erkent dat zij in het verleden niet goed voor zichzelf heeft gezorgd, maar zij doet haar best om haar situatie te verbeteren. De moeder geeft voorts aan dat volgens de gynaecoloog het kindje zich goed ontwikkelt.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij de zorgen van de Raad niet herkent. Hij geeft aan dat nu hij een vast woonadres heeft, hij in staat is om zijn zaken op orde te krijgen. Hij is bezig om in aanmerking te komen voor een uitkering. Volgens de vader doen hij en de moeder alles om de zwangerschap voorspoedig te laten verlopen. Hij stemt niet in met het verzoek van de raad.

De beoordeling

De Raad heeft de voorlopige ondertoezichtstelling verzocht van de ongeboren vrucht van de moeder, wiens zwangerschap op het moment van de zitting 16 weken duurt. De Raad wijst in zijn verzoek op artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat: “Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.”.

In de jurisprudentie wordt er pas na vierentwintig weken zwangerschap toepassing gegeven aan artikel 1:2 BW als dit voor de ongeboren vrucht van belang wordt geacht. De overweging hierbij is dat de moeder tot dat moment het recht heeft om de zwangerschap af te breken en door de medische wetenschap in Nederland de levensvatbaarheidsgrens op die termijn is vastgesteld. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt tot nu toe van deze lijn afgeweken. De kinderrechter stelt vast dat gelet op de huidige inzichten ten aanzien van de (vroege) ontwikkeling van foetussen, het wetsvoorstel verplichte GGZ en de wetsgeschiedenis, hier anders over gedacht kan worden.

Uit het voorgaande volgt dat de kinderrechter thans dient af te wegen of in dit geval de noodzaak van inzet van gedwongen hulpverlening aan de ongeboren vrucht van de moeder en daarmee aan de moeder, zo zwaar weegt dat de ongeboren vrucht, hoewel nog niet levensvatbaar, al op dit moment als geboren dient te worden aangemerkt en daarmee drager wordt van het recht op bescherming en goede zorg.

De Raad heeft aangevoerd dat door de leefstijl van de moeder, haar middelengebruik en haar hulpmijdende gedrag de ongeboren vrucht in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Door de ouders zijn de door de Raad genoemde zorgen gemotiveerd weersproken. De vader heeft de ongeboren vrucht inmiddels erkend en neemt hiermee verantwoordelijkheid voor de ongeboren vrucht. De ouders hebben eigen woonruimte betrokken waarbij zij in het BRP staan ingeschreven en hebben daarna gewerkt aan het realiseren van een gunstig klimaat waarin het kind geboren kan worden. De moeder heeft een zorgverzekering afgesloten en zij ontvangt een uitkering. Daarnaast staat de moeder onder behandeling van een gynaecoloog, ontvangt zij begeleiding vanuit Bemoeizorg en heeft zij hulp aangevraagd bij Novadic-Kentron. Zij is bereid om mee te werken aan urinecontroles en geeft aan dat zij haar uiterste best gaat doen om van de alcohol af te blijven. GHB gebruikt zij al langere tijd niet meer. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat haar middelengebruik beperkt blijft tot blowen. De kinderrechter stelt vast dat dit, evenals roken, een negatief effect heeft op de ongeboren vrucht. De ongeboren vrucht wordt wel in haar ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter is echter van oordeel dat dit feit alleen, de moeder blowt bij wijze van zelfmedicatie, niet maakt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond van een ondertoezichtstelling is vervuld, met name nu de moeder wel contact heeft met Novadic-Kentron en andere hulpverleningsinstanties. De kinderrechter ziet dat ouders hun best doen om hun leven goed op de rit te krijgen.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van dringende redenen om af te wijken van de lijn in de jurisprudentie en de ongeboren vrucht nu al als geboren aan te merken en een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat de ouders behandeling, begeleiding en hulpverlening in een vrijwillig kader accepteren, dat zij bereikbaar zijn en dat zij zich inspannen om hun leven op orde te krijgen. Dat de moeder nog blowt is zeker niet optimaal voor de ontwikkeling van de ongeboren vrucht en maakt haar nog kwetsbaar voor andere middelen waarvoor zij verslavingsgevoelig is. De hulpverlening aan de moeder op dit vlak is onlangs opgestart en er bestaat de mogelijkheid dat de moeder met de nodige behandeling er in slaagt om ook dit gebruik te beëindigen. De kinderrechter raadt dit de moeder ten zeerste aan. Het blowen maakt, gelet op alle hulpverlening die reeds ingezet en door de ouders wordt geaccepteerd, echter niet dat nu een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk wordt geacht. Het verzoek van de Raad zal dan ook nu worden afgewezen.

Op het moment dat de moeder de noodzakelijk geachte hulpverlening niet meer accepteert of op het moment dat het op andere vlakken niet goed met haar gaat, kan de Raad echter een nieuw verzoek indienen dat na indiening opnieuw beoordeeld zal worden.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de Raad af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.