Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2585

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
C/02/324092 / JE RK 16-2208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en uitbreiding van de omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/324092 / JE RK 16-2208

datum uitspraak:

beschikking beperking contact ouder met gezag en minderjarige

in de zaak van

[moeder minderjarige] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[vader minderjarige] hierna te noemen de vader, wonende te Roosendaal,

beide ouders worden bijgestaan door mr. C.C. Sneper,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te Bergen op Zoom, hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

LEGER DES HEILS JEUGDZORG & RECLASSERING, hierna te noemen de GI,

wonende te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het beroepschrift met bijlagen van de ouders van 2 december 2016, ingekomen bij de griffie op 07 december 2016;

- de op respectievelijk 13 januari 2017, 24 januari 2017 en 25 januari 2017 ingekomen aanvullende stukken van mr. Sneper.

Op 13 januari 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is:

- de moeder, bijgestaan door mr. Sneper,

- de vader, bijgestaan door mr. Sneper,

- een vertegenwoordigster van de Raad,

- een vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

De ouders hebben het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

In de beschikking van 3 november 2016 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 augustus 2017.

[voornaam minderjarige] is ook uithuisgeplaatst tot 4 februari 2017 in de beschikking van 3 november 2016 in een voorziening voor pleegzorg.

In een brief van 18 november 2016 heeft de GI geschreven dat de bezoeken van de ouders aan [voornaam minderjarige] door zullen lopen zoals gepland.

De GI heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgenomen van de William Schrikker groep.

De advocaat van de ouders heeft de kans gekregen om na de zitting een leesbare versie van de brief van 18 november 2016 naar de kinderrechter te sturen.

Het verzoek

De ouders hebben verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en een nieuwe contactregeling tussen ouders en [voornaam minderjarige] vast te stellen. Deze omgangsregeling dient dan als volgt te worden opgebouwd:

  • -

    In de maand na de beschikking drie keer in de week een uur omgang, waarbij de ouders in een ruime kamer omgang hebben met hun zoon, onder begeleiding van de pleegmoeder en een professional die de omgangsmomenten observeert en tips en adviezen voor de ouders noteert, zodat de ouders dit kunnen oppakken tijdens verdere bezoeken;

  • -

    In maand twee na de beschikking drie keer per week anderhalf uur omgang waarbij twee keer onder begeleiding van de pleegmoeder en indien nog nodig een professional om de ouder-kind contacten te observeren, waarbij de ouders zelf met pleegmoeder mogen indelen waar de omgang plaatsvindt; en één keer in de week de ouders onbegeleid contact hebben met [voornaam minderjarige] bij hen thuis, waarbij de ouders [voornaam minderjarige] ophalen en terugbrengen in het pleeggezin;

  • -

    In maand drie na de beschikking een evaluatie tussen de GI en de ouders, waarbij onderzocht en besproken kan worden of de omgangsregeling kan worden uitgebreid, waarbij de ouders een onbegeleide omgangsregeling krijgen bij voorkeur bij hen thuis, of een regeling gelet op een eventuele terugplaatsing in het belang van [voornaam minderjarige] is.

Dan wel verzoeken de ouders een regeling vast te stellen die de kinderrechter in goede justitie en in het belang van [voornaam minderjarige] juist acht.

De beoordeling

Dit verzoek van de ouders is tegelijk op een zitting behandeld met het verzoek tot uithuisplaatsing (kenmerk [zaaknummer] . Wel is op de uithuisplaatsing in een andere beschikking beslist.

Op de standpunten van partijen wordt hieronder gereageerd, voor zover relevant voor de beoordeling.

De kinderrechter is het met de ouders eens dat de brief van 18 november 2016 geldt als een schriftelijke aanwijzing. De brief legt een beslissing van de GI vast en de omgang wordt door die brief vastgelegd en vormgegeven. Daarom heeft de brief (rechts)gevolgen voor de ouders. Dat betekent dat de brief een besluit is volgens artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht. De omgang tussen de ouders en [voornaam minderjarige] wordt in de brief minder uren en momenten dan de ouders willen. Om die reden is het ook een beperking van de omgang. Daarom moet de brief gezien worden als een schriftelijke aanwijzing.

Tegen een schriftelijke aanwijzing kunnen de ouders een verzoek tot vervallenverklaring doen. Dit verzoek moet binnen veertien dagen gedaan worden bij de rechtbank. De advocaat van de ouders heeft dit verzoek ingediend. Zelf heeft de advocaat de datum van 2 december 2016 op het verzoek gezet. Volgens het stempel van de rechtbank is het verzoek op 7 december bij de rechtbank binnen gekomen. Op de brief van de GI staat de datum 18 november 2016. Is het verzoek daarom later dan veertien dagen na de brief binnengekomen? Volgens artikel 1:264 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, beginnen de veertien dagen pas te lopen op de dag na het versturen of uitreiken van de brief. Op de brief staat niet wanneer deze verstuurd of uitgereikt is. Daarom is het niet zeker wanneer de veertien dagen zijn begonnen en is het dus ook niet duidelijk of de ouders te laat zijn met hun verzoek. Die onzekerheid zal de kinderrechter in het voordeel van de ouders uitleggen. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de ouders wel behandelen.

Vervolgens beoordeelt de kinderrechter of de schriftelijke aanwijzing op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Dat betekent dat de GI eerst contact heeft met de ouders om te kijken of zij het eens zijn met de omgangsregeling zoals de GI die wil. Als de ouders het daar niet mee eens zijn, dan probeert de GI eerst of de ouders door overleg en overreding het toch eens kunnen worden met de omgangsregeling. Lukt dat ook niet, dan kan de GI een vooraankondiging voor een schriftelijke aanwijzing doen. Na die vooraankondiging krijgen de ouders de kans hun mening (zienswijze) te geven. Als de GI daarna alsnog een schriftelijke aanwijzing wil geven, dan moet die schriftelijke aanwijzing goed gemotiveerd worden. Dan moet ook op de mening van de ouders gereageerd worden in die schriftelijke aanwijzing. Dit is allemaal niet gebeurd. De GI heeft wel overleg met de ouders gehad, maar er is geen vooraankondiging gedaan. De ouders hebben daarom niet echt de kans gehad om hun mening te geven en in de schriftelijke aanwijzing wordt ook niet op die mening van de ouders gereageerd.

Daarom is de kinderrechter het met de ouders eens dat de schriftelijke aanwijzing niet op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. De kinderrechter verklaart de schriftelijke aanwijzing om die reden vervallen.

Dan is de vraag hoe de omgangsregeling van de ouders met [voornaam minderjarige] moet worden. De kinderrechter heeft op de zitting ook de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] met de ouders besproken. De kinderrechter heeft gezegd dat het nog lang niet zeker is dat [voornaam minderjarige] weer bij de ouders kan gaan wonen in de toekomst. Dat betekent dat een omgangsregeling aan de ene kant rekening moet houden met de kans dat [voornaam minderjarige] later weer bij de ouders gaan wonen, maar aan de andere kant met de kans dat [voornaam minderjarige] later niet meer bij de ouders gaat wonen. Ook moet de omgangsregeling passen bij de leeftijd van [voornaam minderjarige] (nu ongeveer 6 maanden). De kinderrechter vindt dat bij dit alles een regeling past die ervoor zorgt dat de ouders en [voornaam minderjarige] elkaar zien op momenten die niet te lang duren voor een kind van 6 maanden en die ook niet te ver uit elkaar liggen. Zolang het niet duidelijk is of [voornaam minderjarige] ooit weer bij de ouders gaat wonen, is het het beste als de omgang niet bij de ouders thuis is. Om te kunnen zien of [voornaam minderjarige] ooit weer naar de ouders terug kan, moeten de omgangsmomenten ook begeleid worden. Dan kan de begeleiding zien hoe de ouders het doen en hen tips geven. De kinderrechter vindt dat de regeling zoals de GI die had vastgelegd hier goed bij past. Het is minder dan de ouders zouden willen, maar houdt wel rekening met alles wat de kinderrechter hierboven heeft genoemd.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en uitbreiding van de omgangsregeling toe;

bepaalt de omgangsregeling op twee begeleide momenten per week van 45 minuten per keer, de data waarop de omgang plaatsvindt moet de GI vaststellen.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Tempel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van J. van Gastel als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch