Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:257

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_2888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wajong. Verlaging met ingang van 1 januari 2018.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de methode SMBA en het ondersteunend medische systeem ICF alsmede het MOI niet in beginsel als rechtens aanvaardbaar te achten voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser ter vaststelling van zijn recht op een Wajong-uitkering. De rechtbank oordeelt dat eisers herbeoordeling op een te vroeg moment heeft plaatsgevonden, gelet op het op korte termijn starten met een nieuw behandeltraject. De rechtbank concludeert dat eiser niet in staat is een periode van een uur aaneengesloten te werken, zodat het arbeidsvermogen ontbreekt. Vanwege zijn klachten pauzeert eiser tijdens zijn activiteiten bij de dagbesteding minstens een keer per uur gedurende 20 minuten. Een dergelijk lange pauze kan niet worden aangemerkt als een normale onderbreking van het productieproces om de betrokkene bij te sturen, zoals bedoeld in het Compendium, waar staat beschreven dat het erom gaat dat het normale productieproces zonder al te veel onderbrekingen door moet gaan. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf en bepaalt dat eiser geen arbeidsvermogen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2888 WAJONG

uitspraak van 16 januari 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. C.P.J. Clarijs,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 maart 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake de verlaging van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van

1 januari 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.B.J. Dekker als waarnemer van zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de begeleider van eiser [naam begeleider] , werkzaam bij [naam bedrijf] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 20 maart 1992, is bekend met PDD-NOS, zwakbegaafdheid en rugklachten. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering sinds 20 maart 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering bedraagt 75% van het minimumloon.

In het kader van de Wajong, zoals die is gewijzigd per 1 januari 2015 met de invoering van de Participatiewet, heeft het UWV eisers arbeidsvermogen beoordeeld.

Bij besluit van 9 november 2015 (het primaire besluit) heeft het UWV vastgesteld dat eiser arbeidsvermogen heeft en dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiser bestrijdt dat hij arbeidsvermogen heeft. Eiser wijst erop dat hij chronische rugklachten heeft en dat een in 2012 uitgevoerde operatie voor zijn scoliose geen effect heeft gehad. Eiser is onder behandeling gekomen van een neuroloog. Deze heeft eiser doorverwezen naar de pijnpoli. Op 1 juni (2016) zal er een multidisciplinaire observatie plaatsvinden om een revalidatietraject uit te zetten. Eiser stelt dat hij als gevolg van de combinatie van chronische pijnklachten en PDD-NOS geen arbeidsvermogen heeft. Uit onderzoek door de gemeente Tilburg uit 2014 is al gebleken dat geen sprake zou kunnen zijn van werkhervatting. Eiser bezoekt tweemaal per week de dagbesteding bij GGZ, op donderdag en vrijdag van 13.00 uur tot 14.15 uur. Daarnaast sport eiser op advies van het ziekenhuis drie keer per week en volgt hij eens per twee weken schilderles. Hiernaast ontvangt eiser vier uur per week begeleiding individueel en groepsbegeleiding. Deze activiteiten zijn voor eiser het maximaal haalbare. Werkhervatting is volgens eiser niet mogelijk. Wellicht wel na het volgen van een revalidatietraject, maar het is nog te vroeg om hierover iets te zeggen. Verder stelt eiser dat het UWV bij de beoordeling gebruik heeft gemaakt van verouderde medische informatie zodat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.

3.1.

Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) aangepast.

Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In artikel 2:40, tweede lid, van de Wajong is bepaald dat indien de jonggehandicapte aantoont dat hem niet verweten kan worden dat hij een inkomen per dag verwerft van minder dan 20% van het minimumloon, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de inkomensondersteuning per dag bedraagt: 0,75 * G - I, waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.

Op grond van de Invoeringswet Participatiewet wordt in het tweede lid van artikel 2:40, “0,75” vervangen door: 0,7. Deze wijziging treedt met ingang van 1 januari 2018 in werking.

Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

Op grond van het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van het geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Daarbij kan een procedure worden vastgesteld die afwijkt van de procedure bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie die de jonggehandicapte na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet heeft.

3.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Sb, zoals dat luidt per 1 januari 2015, heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

In het tweede lid van artikel 1a van het Sb is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit één of meerdere handelingen.

4.1.

Het UWV heeft in verband met de inwerkingtreding van de Wajong per 1 januari 2015 de methode Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft het UWV het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Dit Compendium dient te worden aangemerkt als een interne werkinstructie.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van

3 november 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:6931 en ECLI:NL:RBZWB:2016:6936) ziet de rechtbank geen aanleiding om de methode SMBA niet in beginsel als rechtens aanvaardbaar te achten voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser ter vaststelling van zijn recht op een Wajong-uitkering. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit kader geen gronden heeft ingediend.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de rechtsgevolgen van de thans door het UWV uitgevoerde herbeoordeling op grond van Invoeringswet Participatiewet eerst intreden per

1 januari 2018.

5.1.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser arbeidsvermogen heeft. Aan dit standpunt liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten ten grondslag.

5.2.

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser moeite heeft met buigen en bukken. Met alleen buigen heeft hij geen grondbereik, maar wel op andere manieren. Eiser is niet in staat om zware voorwerpen op te tillen en te dragen. Eiser kan niet goed omgaan met stress en tijdsdruk en heeft veel behoefte aan structuur. Hij heeft moeite met het omgaan met plotselinge veranderingen en met het hanteren van conflicten. Hij vermijdt conflicten met onbekenden. Eiser maakt moeilijk contact met onbekenden, hij geeft wel antwoord als onbekenden hem aanspreken, maar hij zou liever niets zeggen. Eiser zal vanwege lichamelijke problematiek een behandeling ondergaan. De verwachting is dat de medische situatie door deze behandeling op termijn mogelijk zal verbeteren. De verzekeringsarts verwacht dat de functionele mogelijkheden op lange termijn kunnen toenemen. De verzekeringsarts concludeert tenslotte dat eiser ten minste vier uur per dag belastbaar is en gedurende ten minste een periode van een uur aangesloten kan werken.

5.3.

De arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat eiser arbeidsvermogen heeft omdat hij ten minste vier uur per dag belastbaar is, in staat is om ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken, in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie en beschikt over basale werknemersvaardigheden. De arbeidsdeskundige vindt eiser geschikt voor de taak handmatig bestukken omdat het voornamelijk zittend werk betreft, afgewisseld met staan en lopen. Er wordt gewerkt onder leiding van een leidinggevende die op de werkvloer aanwezig is. Het betreft een taak die routinematig van aard is met een vaste werkwijze en waarbij er geen sprake is van veelvuldige deadlines/productiepieken. Er is geen sprake van klantcontacten, leidinggevende aspecten en er worden geen specifieke eisen gesteld ten aanzien van het hanteren van conflicten en/of samenwerken. Er zijn door de verzekeringsarts geen beperkende voorwaarden gesteld waarop verondersteld mag worden dat basale werknemersvaardigheden ontbreken. Eiser kan met begeleiding een taak leren en uitvoeren (door daarbij de taak in aanvang te controleren). Eiser mag in staat worden geacht om zich aan regels te houden en instructies te begrijpen en ten uitvoer te brengen. Uiteraard dienen de instructies in overeenstemming te zijn met zijn opleidingsniveau en dient ook het soort werk daarmee in overeenstemming te zijn. Ook kan aansluiting worden gezocht op dit aspect bij de dagbesteding en de schildercursus.

5.4

De bezwaarverzekeringsarts heeft enkele beperkingen toegevoegd. Eiser is ook beperkt ten aanzien van samenwerken en ten aanzien van het vragen om hulp. Ten aanzien van de begeleidingsbehoefte stelt de bezwaarverzekeringsarts vast dat er behoefte is aan persoonlijke begeleiding met betrekking tot het vergroten van zelfvertrouwen en het versterken van sociale vaardigheden. Verder is begeleiding nodig bij het instrueren van collega’s en leidinggevende met betrekking tot de omgang met eiser. Op de werkplek betekent dit dat er behoefte is aan een voortdurend aanwezig vast aanspreekpunt als vraagbaak die ook zelf actief hulp biedt wanneer eiser in sociaal opzicht dreigt vast te lopen, overprikkeld raakt en een time out nodig heeft. Daartoe dient deze collega geïnstrueerd te zijn. Daarnaast is er behoefte aan functionele begeleiding voor extra instructie bij nieuwe taken en veranderingen of wanneer er nieuwe vaardigheden dienen te worden aangeleerd.

De persoonlijke begeleiding is voortdurend aan de orde omdat de belemmeringen ten aanzien van sociaal en mentaal functioneren welke voortkomen uit de ontwikkelingsstoornis blijvend van aard zijn. Het gaat om permanent toezicht waardoor tijdig ingrijpen en voorkomen van escalaties mogelijk is. Ten aanzien van de rugproblemen concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat eiser eveneens beperkt is ten aanzien van buigen en het handhaven van een gebogen houding en ten aanzien van torderen en het handhaven van een getordeerde houding.

5.5

De bezwaararbeidsdeskundige heeft, gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts gewijzigde beperkingen, gerapporteerd dat de taak bestukken voor eiser geschikt blijft, omdat in de functie sprake is van adequate begeleiding en de leidinggevende op de werkvloer aanwezig is. Samenwerken is niet aan de orde en verder betreft het werkzaamheden die overwegend zittend worden uitgevoerd. Handhaven van gebogen houding vindt plaats vanuit zittende positie, hetgeen beduidend minder belastend is dan vanuit staande positie. De hoek is daarbij zeer gering zodat de gestelde beperking voor eiser geen knelpunt is, terwijl buigen als zodanig niet voorkomt. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige beschikt eiser over basale werknemersvaardigheden. Omdat eiser werkzaam is geweest binnen de WSW, kan volgens de bezwaararbeidsdeskundige worden aangenomen dat hij in staat is (geweest) instructies te begrijpen, te onthouden en uit te voeren, alsmede afspraken na te komen.

6.1.

In geschil is of eiser arbeidsvermogen heeft. De rechtbank overweegt dat iemand op grond van het Schattingsbesluit arbeidsvermogen heeft als hij:

1. een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

2. basale werknemersvaardigheden heeft;

3. ten minste een uur aaneengesloten kan werken; en

4. ten minste vier uur per dag belastbaar is.

De betrokkenen heeft alleen arbeidsvermogen als hij aan alle vier de vereisten voldoet.

6.2

De rechtbank overweegt dat de herbeoordeling van eisers arbeidsvermogen heeft plaatsgevonden in oktober 2015, met als doel zijn arbeidsvermogen te beoordelen per 1 januari 2018. Gelet op het grote aantal herbeoordelingen is het begrijpelijk dat het UWV hier ruim op tijd mee begint. Echter, in het geval van eiser was op het moment van de herbeoordeling duidelijk dat hij op korte termijn zou gaan starten met een nieuw behandeltraject. De verwachting van de verzekeringsarts was dat eisers medische situatie door deze behandeling op termijn mogelijk zou kunnen verbeteren. Uit de informatie van Libra revalidatie & audiologie van 8 februari 2016 blijkt dat eiser wordt aangemeld voor revalidatiedagbehandeling met als doelstellingen opbouw van conditie, houding- en bewegingsadvies en hulp bij interpretatie van lichaamssignalen in het kader van autisme spectrum stoornis. Uit de informatie van 13 juni 2016 blijkt dat op 1 juni 2016 een multidisciplinaire observatie heeft plaatsgevonden om een revalidatietraject voor eiser uit te zetten. Eiser is vervolgens daadwerkelijk met een revalidatietraject gestart, maar heeft dit traject voortijdig gestaakt in verband met een toename van klachten, waarvoor hij is doorverwezen naar de neuroloog. Na onderzoek door de neuroloog zal bekeken worden of het revalidatietraject kan worden hervat.

Gelet op de omstandigheid dat ten tijde van de beoordeling bekend was dat eiser in verband met zijn klachten op korte termijn (juni 2016) een revalidatietraject zou starten, had dit voor het UWV aanleiding moeten zijn om de herbeoordeling uit te stellen tot na afronding van dit revalidatietraject, te meer nu eiser daarom uitdrukkelijk had verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eisers herbeoordeling dan ook op een te vroeg moment plaatsgevonden.

6.3.

Over de beoordeling van eisers arbeidsvermogen overweegt de rechtbank als volgt. Om van arbeidsvermogen te kunnen spreken moet gedurende tenminste een periode van een uur aaneengesloten gewerkt kunnen worden. Volgens het Compendium staat in de Nota van Toelichting bij het Sb vermeld dat men hier doelt op het zelfstandig functioneren van de betrokkene in relatie tot de continuïteit van het productieproces. Daarbij gaat het er uitsluitend om dat niet vaker dan een keer per uur een substantiële onderbreking van het productieproces noodzakelijk is om de betrokkene bij te sturen. De noodzaak om iemand bij te sturen is er als hij zelf niet kan onderkennen dat hij op enig moment niet adequaat functioneert en/of zichzelf daarin niet kan corrigeren. Het is niet relevant of er tijdens de werkzaamheden toezicht moet worden uitgeoefend, ook al is dat permanent noodzakelijk, dan wel of betrokkene het werk even onderbreekt, bijvoorbeeld om zich te vertreden. Het gaat er met andere woorden om dat het normale productieproces zonder al te veel onderbreking door kan blijven gaan. Het begrip ‘ten minste een periode van een uur aaneengesloten’ moet volgens het Compendium in zoverre als indicatief worden beschouwd, omdat het niet mogelijk is om exact te meten of te beoordelen of eventuele bijsturing net wel of net niet binnen de aaneengesloten periode van een uur moet plaatsvinden. Als de conclusie luidt dat betrokkene gedurende ten minste een periode van een uur aaneengesloten kan werken, moet daarom uit de onderbouwing blijken dat onderbreking van het productieproces zeker niet binnen de periode van een uur noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt dat uit de medische informatie van GGZ Breburg van

4 februari 2016 en de overgelegde behandelplannen blijkt dat met eiser gewerkt wordt aan bepaalde doelen, zoals op tijd komen, een uur aaneengesloten werken en leren omgaan met boosheid en irritatie en lichamelijk ongemak. Ook blijkt dat de komende jaren nog steeds aan deze doelen gewerkt zal worden. Gerapporteerd wordt dat eiser moeite heeft met de tijdsduur van de activiteiten en dat eraan gewerkt wordt dat hij een uur aaneengesloten werkt binnen het activiteitencentrum. Bij de start van de activiteiten moest eiser om de 10 minuten even gaan lopen; nu (de rechtbank begrijpt: in februari 2016 en aldus ná het beoordelingsmoment van arbeidsvermogen) is het zover dat eiser nog maar een keer pauze houdt per uur. Het streven is dat hij het een heel uur volhoudt en daar wordt aan gewerkt.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij zijn activiteiten bij de dagbesteding minstens een keer per uur onderbreekt vanwege pijnklachten en PDD-NOS, in die zin dat hij dan de ruimte verlaat, gaat wandelen en na ongeveer 20 minuten terugkomt, hetgeen bij de dagbesteding mogelijk is. Ter zitting heeft de heer Ansems als begeleider van eiser deze toelichting bevestigd en daaraan toegevoegd dat eiser bij de dagbesteding altijd kan pauzeren indien het hem door zijn pijnklachten teveel wordt.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke (lange) pauze zoals die door eiser wordt beschreven en die niet door het UWV is weersproken, niet aangemerkt kan worden als een normale onderbreking van het productieproces om de betrokkene bij te sturen zoals bedoeld in het Compendium, waar staat beschreven dat het erom gaat dat het normale productieproces zonder al te veel onderbreking door kan blijven gaan. Volgens het Compendium moet bovendien, als de conclusie luidt dat betrokkene gedurende ten minste een periode van een uur aaneengesloten kan werken, uit de onderbouwing blijken dat zeker niet binnen de periode van een uur onderbreking van het productieproces noodzakelijk is. Een dergelijke onderbouwing is door het UWV niet gegeven.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser niet in staat is een periode van een uur aaneengesloten te werken, zodat het arbeidsvermogen ontbreekt. Het UVW heeft in het bestreden besluit aldus ten onrechte geconcludeerd dat eiser arbeidsvermogen heeft. Op grond daarvan heeft het UWV eveneens ten onrechte besloten eisers Wajong-uitkering per 1 januari 2018 te verlagen naar 70%.

7. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal voorts het primaire besluit herroepen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser geen arbeidsvermogen in de zin van het Sb heeft.

8. Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van de schade. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu op geen enkele wijze is toegelicht of onderbouwd waaruit de – materiële of immateriële – schade zou bestaan.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

10. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1). Voorts dient het UWV de reiskosten van eiser te vergoeden tot een bedrag van € 11,76, zijnde de reiskosten op basis van openbaar vervoer, 2e klas. De overige door eiser genoemde kosten, te weten de kosten voor het opvragen van medische informatie van een deskundige tot een bedrag van € 93,29 komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiser geen arbeidsvermogen heeft;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.095,05.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.