Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:255

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
5266042 CV EXPL 16-4181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Forumkeuze: Arubaanse rechter bevoegd?

Arubaans recht van toepassing?

Artikel 7:267 lid 7 BW: vordering dat andere huurder de huur niet langer zal voortzetten: belangenafweging.

Andere scheidings- en delingsperikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 5266042 CV EXPL 16-4181

vonnis d.d. 11 januari 2017

inzake

Suzan [eiseres],

[eiseres] ,

eiseres in het incident en in de bodemzaak in conventie,

verweerster in het bevoegdheidsincident en in reconventie,

hierna te noemen: ‘[eiseres] ’,

procederend met toevoeging,

gemachtigde: mw.mw. M.T.E. Kranenburg, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

[de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van R.G. [gedaagde],

gevestigd te Steenbergen,

hierna ook te noemen: ‘de bewindvoerder’,

als formele procespartij in de plaats van:

Ronald Gerardus [gedaagde],

wonende te [adres chalet],

gedaagde in het incident en in de bodemzaak in conventie,

eiser in het bevoegdheidsincident en in reconventie,

hierna te noemen: ‘[gedaagde]’,

gemachtigde: mw.mr. C.G.M. Baas, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Het verdere verloop van het geding

in conventie en reconventie en in de incidenten:

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het tussenvonnis d.d. 17 augustus 2016 en de in dat vonnis genoemde stukken;

  2. de akte wijziging/vermeerdering eis tevens houdende aanvullende productie in zowel incident als bodemprocedure, met een productie;

  3. de (primair) incidentele conclusie van onbevoegdheid en (subsidiair) conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  4. e bij brief d.d. 30 september 2016 door mw.mr. Kranenbrug opgestuurde productie;

  5. de bij brief d.d. 4 oktober 2016 door mw.mr. Baas opgestuurde productie;

  6. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen, gehouden op 10 oktober 2016, met bijbehorend audiëntieblad;

  7. de brief van mw.mr. Baas d.d. 10 november 2016, met producties.

1.2

Uit de productie bij de hierboven genoemde brief d.d. 30 september 2016 blijkt, dat er een bewind is ingesteld over de goederen van [gedaagde]. Uit de producties bij de nagezonden brief d.d. 10 november 2016 blijkt, dat dit bewind is ingesteld op 1 maart 2010 met benoeming van [de bewindvoerder], als bewindvoerder.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert – verkort weergegeven – om, uitvoerbaar bij voorraad,

Bij wege van incidenteel vonnis:

Primair

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur, na betekening van dit incidentele vonnis, de door partijen gezamenlijk gehuurde woning aan de [adres chalet] te verlaten met medeneming van alleen zijn persoonlijke eigendommen, met achterlating van alles uit de nog te verdelen gezamenlijke inboedel, en voorts het chalet achter te laten in de staat waarin deze bij vertrek van [eiseres] verkeerde, onder afgifte van alle sleutels, bij gebreke waarvan [eiseres] gerechtigd is om [gedaagde] met behulp van de sterke arm van politie en justitie te dwingen de woning te verlaten en [gedaagde] te verbieden om de woning nadien te betreden;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur, na betekening van dit incidentele vonnis, aan [eiseres] ter beschikking te stellen in goede staat

  • -

    de lijfsieraden van [eiseres], haar persoonlijke papieren, administratie en diploma’s e.d., haar kleding, lijfgoederen en foto’s

  • -

    twee witte dressoirs

  • -

    nachtkastje

  • -

    boeken

  • -

    twee stoelen (van haar vader)

  • -

    bestekset (van haar moeder)

  • -

    mountainbike

  • -

    wetsuits

Alles op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel), dat hij hiermee in gebreke blijft, danwel voor iedere overtreding van het onder I. genoemde ge- en verbod en zulks tot een maximum van € 20.000,00;

En met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

En in de bodemprocedure (in conventie):

  1. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] het bedrag van € 867,19 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. [gedaagde] te veroordelen om, zodra [eiseres] hem van een afschrift in het bezit heeft gesteld, de helft van de rekening van de annuleringskosten van de keuken te voldoen, onder verstrekking aan [eiseres] van een betaalbewijs;

  3. [gedaagde] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de gezamenlijke inboedel van partijen opdat tot de volgende verdeling wordt gekomen:

[gedaagde]: [eiseres]:

bed ad € 1.500,00 tafel ad € 1.000,00

bank ad € 1.500,00 lamellen ad € 1.000,00

tv ad € 1.500,00 afzuig/oven, laptop en salontafel ad € 1.700,00

houten tuinset en tv dressoir loungeset ad € 1.250,00

ad € 1.000,00

en daarbij [gedaagde] te veroordelen dat hij

  • -

    jegens [eiseres] dient in te staan voor de goede staat waarin de aan [eiseres] toe te bedelen en door [gedaagde] feitelijk in haar bezit te stellen goederen op het moment van de feitelijke bezitstelling verkeren en;

  • -

    binnen 48 uur na betekening van dit vonnis dient zorg te dragen dat de inbezitstelling aan [eiseres] van voornoemde inboedelgoederen heeft plaatsgevonden;

Te bepalen dat aan [eiseres] als zijnde haar persoonlijke eigendommen definitief dienen te worden toebedeeld:

  • -

    de lijfsieraden van [eiseres], haar persoonlijke papieren, administratie en diploma’s e.d., haar kleding, lijfgoederen en foto’s

  • -

    twee witte dressoirs

  • -

    nachtkastje

  • -

    boeken

  • -

    twee stoelen (van haar vader)

  • -

    bestekset (van haar moeder)

  • -

    mountainbike

  • -

    wetsuits

Subsidiair

[gedaagde] te veroordelen om – mochten de aan [eiseres] toe te bedelen goederen, te weten

  • -

    tafel ad € 1.000,00

  • -

    lamellen ad € 1.000,00

  • -

    afzuig/oven, laptop en salontafel ad € 1.700,00

  • -

    loungeset ad € 1.250,00

beschadigingen vertonen, danwel anderszins niet door [gedaagde] aan [eiseres] meer leverbaar zijn – aan [eiseres] binnen 14 dagen nadat de feitelijke inbezitstelling had moeten plaatsvinden – te weten binnen 48 uur na betekening van dit vonnis – aan [eiseres] te vergoeden de waarde die aan het beschadigde of niet meer aanwezig goed in voornoemd overzicht is toegekend.

Te bepalen dat aan [eiseres] als zijnde haar persoonlijke eigendommen definitief dienen te worden toebedeeld:

  • -

    de lijfsieraden van [eiseres], haar persoonlijke papieren, administratie en diploma’s e.d., haar kleding, lijfgoederen en foto’s

  • -

    twee witte dressoirs

  • -

    nachtkastje

  • -

    boeken

  • -

    twee stoelen (van haar vader)

  • -

    bestekset (van haar moeder)

  • -

    mountainbike

  • -

    wetsuits

Meer subsidiair

[gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan een dusdanige wijze van verdeling van de inboedel als door de rechtbank bepaald.

Te bepalen dat aan [eiseres] het huurrecht van het chalet wordt toegescheiden, met ingang van de dag van dit vonnis.

Zowel in het incident als in de bodemprocedure (in conventie):

  1. te bepalen dat het gestelde in respectievelijk artikel 9 onder e voor zover het betreft ‘Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba hierover beslissen’ gewijzigd wordt in: ‘Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechter van de rechtbank sector kanton binnen wiens rechtsgebied de gezamenlijk bewoonde huurwoning is gelegen, hierover beslissen’;

  2. te bepalen dat het bepaalde op pagina 6 van de notariële akte, te weten ‘dat op de in deze akte neergelegde overeenkomst Arubaans recht van toepassing is’ gewijzigd wordt in ‘dat op de in deze akte neergelegde overeenkomst Nederlands recht van toepassing is’.

En alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding zowel in het incident als in de bodemprocedure.

in het bevoegdheidsincident

2.2

[gedaagde] verzoekt de rechtbank zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechter te Aruba. Indien de rechtbank zich bevoegd acht, verzoekt [gedaagde] Arubaans recht toe te passen. Dit alles met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

2.3

[eiseres] voert verweer.

in het incident en in de bodemzaak in conventie

2.4

Indien de rechtbank zich bevoegd acht, ziet [gedaagde] geen enkele grond om met spoed beslissingen te nemen over de vorderingen van [eiseres]. Hij verzoekt alleen te oordelen over die vorderingen in de bodemzaak. [gedaagde] concludeert tot niet ontvankelijkheid dan wel afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

in reconventie

2.5

[gedaagde] vordert – verkort weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

WONING

Primair

Te bepalen dat aan [gedaagde] het huurrecht van het chalet wordt toegescheiden met ingang van de dag na afgifte van dit vonnis.

Subsidiair

Te bepalen indien het huurrecht niet aan [gedaagde] wordt toebedeeld, dat [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag moet betalen van € 16.659,00 vanwege de verbouwingen aan het chalet.

INBOEDEL

Te bepalen dat de gehele inboedel welke in het chalet staat aan [gedaagde] wordt toebedeeld.

OVERIGE VORDERINGEN

  • -

    [eiseres] te veroordelen om voor de zitting haar bankafschriften over de periode van samenleving te overleggen van bankrekeningnummer [rekeningnummer];

  • -

    [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] de bedragen te betalen van € 4.312,50, € 6.222,50, € 1.000,00 en € 4.000,00, alles te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen de helft van de eindafrekening van Essent, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

2.6

[eiseres] voert verweer.

3 De verdere beoordeling

in conventie en reconventie en in de incidenten:

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast:

  1. [eiseres] en [gedaagde] hebben vanaf juli 2012 een affectieve relatie gehad en wonen sinds november 2012 samen. Eerst in Nederland en vanaf december 2012 voor het werk van [eiseres] op Aruba. Het verblijf op Aruba heeft ongeveer een jaar geduurd;

  2. op 29 januari 2013 is er tussen partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Partijen verbleven toen op Aruba;

  3. in deze overeenkomst is – onder meer – het volgende bepaald:

I. artikel 7. De overeenkomst eindigt: a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven aan de andere partij, waarbij een opzegtermijn van tenminste één (1) maand in acht moet worden genomen.

II. artikel 9. In geval van beëindiging anders dan door overlijden geldt het volgende:

a. Partijen zijn verplicht eraan mee te werken dat aan iedere partij wordt toebedeeld de goederen die zij heeft aangebracht. De gemeenschappelijke goederen worden met inachtneming van bepalingen van deze overeenkomst, naar redelijkheid en billijkheid zo spoedig mogelijk verdeeld.

b. De waardering van de goederen geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een deskundige, aan te wijzen op verzoek door een onpartijdig persoon, bedoeld in artikel 11.

c. (…).

d. Leidt de verdeling tot overbedeling aan één van de partijen dan is deze verplicht het meerdere aan de ander in contanten te betalen.

e. Ingeval de partijen de gezamenlijk bewoonde woonruimte gezamenlijk huurden, zal de huur worden voortgezet door de partij die naar redelijkheid daar de meeste aanspraak op kan maken. Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechter in het gerecht in Eerste Aanleg van Aruba hierover beslissen.

III. artikel 11. Alle geschillen over de uitleg van de bepalingen in dit contract moeten ter beslissing worden voorgelegd aan een onpartijdig persoon. Deze zal worden benoemd door partijen in onderling overleg en bij geschil door de rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Aruba. Partijen zijn verplicht zich te onderwerpen aan het oordeel van de genoemde onpartijdige persoon; zijn oordeel wordt beschouwd als bindend advies.

IV. artikel 12. Bestaat er tussen partijen een geschil over de eigendom van een goed en kan geen van partijen haar recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, toe te behoren.

V. artikel 13. Het in deze overeenkomst bepaalde geldt voor de periode dat de samenleving, binnen of buiten Aruba, duurt. Bepalingen die naar hun aard zijn bestemd te werken ook na beëindiging van de samenleving blijven gelden.

VI. Tenslotte verklaarden de comparanten:

o dat zij op heden van elkaar niets (meer) te vorderen hebben; en

o dat op de in deze akte neergelegde overeenkomst Arubaans recht van toepassing zal zijn.

vanaf 1 december 2013 huren [eiseres] en [gedaagde] van de broer van [eiseres] het chalet te [adres chalet];

op 13 juli 2015 is door [eiseres] per e-mail de relatie beëindigd en op 18 juli 2015 heeft [eiseres] de gezamenlijke huurwoning (moeten) verlaten. Sindsdien heeft [gedaagde] het huurgenot van het chalet;

op 19 mei 2016 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een aangetekend schrijven ex artikel 7a van de samenlevingsovereenkomst doen toekomen, waarin zij de beëindiging van de relatie nogmaals bevestigt.

3.2

Gedurende de procedure is gebleken dat er op grond van de beschikking d.d. 1 maart 2010 een bewind is ingesteld over alle goederen die [gedaagde] toebehoren, met benoeming van [naam bewindvoerder] als bewindvoerder. Als gevolg van het bewind is [gedaagde] processueel onbekwaam geworden in dit geding. In haar brief d.d. 4 november 2016 wordt namens de bewindvoerder aangegeven, dat bekend is dat mw.mr. Baas de belangen van [gedaagde] vertegenwoordigt in de (echtscheidings)procedure en dat met deze juridische dienstverlening wordt ingestemd. In haar e-mailbericht d.d. 9 november 2016 geeft [de bewindvoerder] aan, dat zij niet namens [gedaagde] optreedt in de (echtscheidings)kwestie tussen hemzelf en [eiseres]. Echter, de rechter oordeelt dat dit onverlet laat, dat de bewindvoerder ex artikel 1:441 BW wel de plaats van [gedaagde] inneemt als formele procespartij. Het vonnis wordt daarom ook gewezen op naam van [de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde]. Het verweer van [gedaagde] zal worden aangemerkt als het verweer van de bewindvoerder.

in het bevoegdheidsincident

3.3

[gedaagde] stelt dat de onderhavige rechtbank niet bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen nu partijen in de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen dat het gerecht van Aruba bevoegd is om over geschillen aangaande het contract te oordelen. [eiseres] voert hiertegen verweer.

3.4

In artikel 8 lid 2 Rv is bepaald dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft indien partijen met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij overeenkomst een rechter of de rechter van een vreemde staat bij uitsluiting hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan.

In de samenlevingsovereenkomst is bepaald – verkort weergegeven – dat geschillen worden beslecht door de Arubaanse rechter.

De vraag die aan de orde is, is of de Arubaanse rechter de bevoegde rechter in deze is.

3.5

In de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake internationale forumkeuze en rechtskeuze, gaat het om zaken met duidelijke internationale aspecten (veelal internationale handel). In de literatuur wordt bepleit dat, hoewel de Hoge Raad dit niet uitdrukkelijk overweegt, tussen de regels van een aantal arresten door blijkt, dat internationale forumkeuzebevoegdheid alleen bestaat in internationale gevallen. Dit betekent dat partijen een in alle opzichten uitsluitend met Nederland verbonden geschil niet door een forumkeuze voor een buitenlandse rechter aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kunnen onttrekken.

De kantonrechter is van oordeel dat (ook) het onderhavige geschil, ondanks de bepaling in de samenlevingsovereenkomst over de bevoegde rechter in Aruba, – gelet op de omstandig-heden van het geval – niet aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden onttrokken. In het geschil tussen partijen spelen immers geen internationale aspecten (meer). Partijen hebben slechts tijdelijk – gedurende ongeveer een jaar – vanwege het werk van [eiseres] op Aruba gewoond. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd is gebleken, dat de samenlevingsovereenkomst in Aruba is gesloten omdat er vanwege het verblijf aldaar een werk-/verblijfsvergunning nodig was. Partijen hadden voor en na het verblijf op Aruba, hun vaste woonplaats in Nederland. De relatie is beëindigd toen partijen weer in Nederland waren. De onderwerpen aangaande de samenlevingsovereenkomst die nu in geschil zijn, bevinden zich in, althans zijn gerelateerd aan Nederland (de huurwoning, de te verdelen (inboedel)goederen, de financiële bijdrage aan de verbouwingskosten van het in Nederland gehuurde chalet en de overige financiële afwikkeling in verband met de beëindiging van de relatie).

Gelet op al deze omstandigheden en gezien het feit dat het gehuurde chalet zich bevindt in [adres chalet], acht de onderhavige kantonrechter zich bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

3.6

Voor het toepasselijke recht heeft te gelden dat, ondanks het bepaalde in de samenlevingsovereenkomst, het Nederlandse recht van toepassing is. In aansluiting op het overwogene onder 3.5 geldt ook hiervoor dat, nu het geschil tussen partijen geen internationaal karakter (meer) draagt, de toepasselijkheid van het Nederlandse recht niet terzijde kan worden gesteld door de keuze in de samenlevingsovereenkomst voor de toepasselijkheid van het Arubaanse recht. De kantonrechter zal dit geschil dan ook beoordelen en beslissen aan het hand van het Nederlandse recht.

3.7

Aangezien het een procedure tussen ex-levensgezellen betreft en nu de eis niet tegen beter weten in, is ingesteld of is bestreden ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in het incident ex artikel 223 Rv

3.8

[eiseres] stelt – samengevat – dat het redelijk en noodzakelijk is dat er op hele korte termijn voorzieningen worden getroffen om tot het vertrek van [gedaagde] uit het chalet te komen, en tot toebedeling van het huurrecht van die woning aan [eiseres], alsmede tot inbezitstelling aan [eiseres] van de onder 2.1.II genoemde persoonlijke eigendommen.

[gedaagde] ziet geen enkele grond om met spoed beslissingen te nemen over de vorderingen van [eiseres] en verzoekt alleen te oordelen over die vorderingen in de bodemzaak.

3.9

Op grond van artikel 223 Rv kan de rechter, op vordering van ieder der partijen, een voorlopige voorziening treffen voor de duur van het geding.

Gelet op hetgeen hierna volgt, zal de rechter in dit vonnis een beslissing geven omtrent het huurrecht van het chalet. In zoverre ontvalt daarmee voor [eiseres] het belang voor het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.

3.10

Ten aanzien van de door [eiseres] ingestelde vordering tot inbezitstelling aan haar van de onder 2.1.II genoemde persoonlijke eigendommen, is de kantonrechter van oordeel dat van [eiseres] gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht (ook al kan hiermee – gelet op mogelijke bewijsvoering – geruime tijd gemoeid zijn). Ook in zoverre is [eiseres] niet ontvankelijk in haar vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.

3.11

Aangezien het een procedure tussen ex-levensgezellen betreft en nu de eis niet tegen beter weten in, is ingesteld of is bestreden ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in de bodemzaak in conventie

3.12

[eiseres] vordert, verkort weergegeven, ontruiming door [gedaagde] van het gezamenlijk gehuurde chalet en zij vordert te bepalen dat aan haar het huurrecht wordt toegekend. Verder vordert ze verdeling van de inboedel en andere vermogenszaken, voortvloeiend uit de beëindigde samenleving.

[gedaagde] weerspreekt de vorderingen.

3.13

Op 10 oktober 2016 heeft een zitting ter plaatse in het chalet plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. [eiseres] heeft met toestemming van [gedaagde] het bestek meegenomen. Tevens hebben partijen een aanvang gemaakt met betrekking tot een aantal andere spullen die [eiseres] op mag komen halen. Dit zou nog verder tussen partijen worden uitgewerkt. Het betreft de volgende spullen: duikfles, twee wetsuits, twee dressoirs, één nachtkastje en twee stoelen die buiten staan.

3.14

Ten aanzien van de huur van het chalet heeft het volgende te gelden.

[eiseres] stelt dat zij naar redelijkheid de meeste aanspraak kan maken op het voortzetten van het huurcontract, immers:

  • -

    het chalet is de hoofdverblijfplaats van [eiseres] sinds haar broer het chalet 10 jaar geleden heeft aangeschaft;

  • -

    [eiseres] huurt/gebruikt het chalet al meer dan 11 jaar lang;

  • -

    [eiseres] was huurster/hoofdgebruikster op het moment dat partijen in november 2012 gingen samenwonen in dit chalet;

  • -

    bij terugkeer van partijen uit Aruba in december 2013 is er wel een officieel huurcontract op beider naam gekomen, omdat [gedaagde] een huurovereenkomst nodig had voor de aanvraag van zijn uitkering.

Volgens [gedaagde] voert [eiseres] geen enkele reden aan op grond waarvan zij gerechtigd zou zijn tot bewoning van het chalet. [gedaagde] stelt daarentegen dat hij gerechtigd is tot het gebruik van het chalet, omdat hij anders op straat zal komen te staan. [eiseres] beschikt over andere woonruimte welke compleet is ingericht, zodat zij dat probleem niet heeft. [gedaagde] heeft de woning helemaal verbouwd en hij betaalt maandelijks de huur. Tevens stelt [gedaagde] een zware operatie achter de rug te hebben op grond waarvan hij gelijkvloers moet gaan wonen omdat hij een heupprothese heeft. Daarnaast heeft hij verschillende hartinfarcten gehad. Hij heeft op dit moment geen werk en leeft van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij stelt dan ook dat hij er meer recht en belang bij heeft dat het huurrecht van het chalet aan hem wordt toebedeeld.

3.15

Op geschillen tussen (mede)huurders zijn de artikelen 7:266 lid 5 en 7:267 BW van toepassing. In dit geval is artikel 7:267 BW bepalend, aangezien er geen sprake is van een echtscheiding of scheiding van tafel en bed, noch van een beëindiging van een geregistreerd partnerschap ex artikel 7:266 lid 5 BW. Op grond van artikel 7:267 lid 7 kan ieder der partijen, nu zij beiden huurder zijn van het chalet, de rechter vorderen te bepalen dat de ander de huur niet langer zal voortzetten. De kantonrechter wijst de vordering slechts toe, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Gelet op de standpunten over en weer, is voldoende komen vast te staan dat de tussen partijen gerezen spanningen dusdanig ernstig zijn, dat partijen niet gezamenlijk het gehuurde chalet kunnen bewonen. Vervolgens dient een belangenafweging plaats te vinden om te bepalen wie van de huurders het huurrecht niet langer zal voortzetten. Ook in de samenlevings-overeenkomst hebben partijen een soortgelijke regeling getroffen. In artikel 9 sub e is in dat verband immers bepaald: ‘Ingeval de partijen de gezamenlijk bewoonde woonruimte gezamenlijk huurden, zal de huur worden voortgezet door de partij die naar redelijkheid daar de meeste aanspraak op kan maken.’

3.16

[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat het chalet haar hoofdverblijf is sinds haar broer het 10 jaar geleden heeft aangeschaft. Tevens heeft zij onbetwist gesteld dat zij de huurster/hoofdgebruikster was op het moment dat partijen in november 2012 gingen samenwonen in het chalet. Dat [eiseres] sinds 18 juli 2015 het chalet heeft verlaten en elders woonruimte heeft, maakt niet dat zij een minder groot belang heeft dan [gedaagde] om het chalet – met uitsluiting van [gedaagde] als huurder – te gaan gebruiken. Volgens [eiseres] heeft zij het chalet noodgedwongen uit lijfsbehoud moeten verlaten.

Hoewel de door partijen gestelde belangen voor een deel even zwaar wegen, wegen naar het oordeel van de kantonrechter de door [eiseres] gestelde belangen, gelet op de omstandigheden van het geval, zwaarder dan de belangen die [gedaagde] naar voren heeft gebracht. Het feit dat zijn gezondheid te wensen over laat – zoals [gedaagde] stelt – maakt niet dat hij niet elders over alternatieve woonruimte zou kunnen beschikken. In situaties als de onderhavige, waarbij voormalige geliefden uit elkaar gaan, wordt vaker een beroep gedaan op creatieve oplossingen om uit bepaalde impasses te komen. Toen de vrouw de woning op 18 juli 2015 verliet, moest zij ook op zoek naar andere woonruimte, in welke zoektocht zij is geslaagd. Dat [gedaagde] de woning zou hebben verbouwd, zoals hij stelt, is in tegenspraak met een andere stelling van hem, waarbij hij aangeeft dat de verbouwing is uitbesteed. Wat hier ook van zij, het maakt niet dat de belangenafweging op die grond anders zou uitvallen. Ten voordele van [eiseres] strekt het feit dat het chalet eigendom is van haar broer. Van haar broer zijn ook schriftelijke verklaringen overgelegd waarin hij aangeeft dat het chalet destijds door hem is aangekocht met de intentie om zijn zus erin te huisvesten en het chalet in de toekomst op haar naam over te schrijven. De broer geeft aan dat hij [gedaagde], sinds de breuk met zijn zus, meerdere malen heeft verzocht om andere woonruimte te zoeken, maar dat [gedaagde] daar geen medewerking aan verleent. Uit het door [gedaagde] overgelegde overzicht van de huurbetalingen blijkt, dat de huur door [gedaagde] sinds de relatiebreuk vier keer (iets) te laat is betaald. Verder is onbetwist gesteld dat [gedaagde] weigert om de parklasten te voldoen. Alles tegen elkaar afwegende zal de door [eiseres] ingestelde vordering, om te bepalen dat aan haar het huurrecht van het chalet wordt toegescheiden, worden toegewezen in die zin dat zal worden bepaald dat [gedaagde] althans de bewindvoerder, de huur niet langer zal voortzetten. Hierbij zal de termijn worden bepaald op twee maanden na betekening van dit vonnis, zodat [gedaagde] enige tijd heeft om het gehuurde te verlaten en op zoek te gaan naar alternatieve woonruimte.

3.17

De gevorderde ontruiming inclusief de gevorderde machtiging van [eiseres] om de ontruiming zelf uit te (doen) voeren, desnoods met inroeping van de sterke arm, is alleen in het incident ex artikel 223 Rv ingesteld. Dit geldt ook voor de gevorderde dwangsommen. Nu deze onderdelen in het petitum van de bodemzaak in conventie niet worden gevorderd, is er in dat verband niets toe- of af te wijzen.

Ten overvloede wordt overwogen dat de bepaling in het dictum van dit vonnis, dat [gedaagde] althans de bewindvoerder de huur niet langer zal voortzetten binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, impliceert dat [gedaagde] het chalet zal verlaten (met medeneming van alleen zijn persoonlijke eigendommen, met achterlating van alles uit de nog te verdelen gezamenlijke inboedel), en dat hij het chalet achterlaat in de staat waarin deze bij het vertrek van [eiseres] verkeerde, onder overhandiging en afgifte van alle sleutels aan [eiseres].

3.18

Ten aanzien van het overige wordt als volgt overwogen. Zoals onder 3.13 is aangegeven, heeft er op 10 oktober 2016 een zitting ter plaatse in het chalet plaatsgevonden. Hierbij heeft [eiseres] met toestemming van [gedaagde] het bestek meegenomen. Tevens hebben partijen een aanvang gemaakt met betrekking tot een aantal andere spullen die [eiseres] op mag komen halen. Dit zou nog verder tussen partijen worden uitgewerkt. Alvorens verder te beoordelen en te beslissen, dient [eiseres] bij akte op de rolzitting van 8 februari 2017 aan te geven of en zo ja, welke van de onder rechtsoverweging 3.13 genoemde spullen (duikfles, twee wetsuits, twee dressoirs, één nachtkastje en twee stoelen die buiten staan) door haar zijn opgehaald. Tevens dient [eiseres] aan te geven wat de eventuele consequenties voor haar vordering zijn en in hoeverre zij haar vordering met betrekking tot de overige goederen handhaaft (te weten: lijfsieraden, persoonlijke papieren, administratie en diploma’s en dergelijke, kleding, lijfgoederen, foto’s, boeken en mountainbike).

Hierna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte op dit punt in te dienen.

3.19

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 en 3.6 is overwogen, ziet de kantonrechter geen aanleiding om, zoals door [eiseres] is verzocht, artikel 9 onder e van de samenlevings-overeenkomst (bevoegde rechter) en het bepaalde op pagina 6 van de notariële akte (toepasselijk recht), te wijzigen. Deze onderdelen van de vordering van [eiseres] worden afgewezen.

3.20

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in de bodemzaak in reconventie

3.21

Nu [eiseres] nog niet in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk op de eis in reconventie te reageren, zal de zaak worden verwezen naar de rolzitting van 8 februari 2017 voor een conclusie van antwoord in reconventie.

3.22

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in het bevoegdheidsincident

verklaart zich bevoegd van het geschil kennis te nemen;

bepaalt dat op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing is;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in het incident ex artikel 223 Rv

verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar vorderingen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in de bodemzaak in conventie

bepaalt dat de huur van de door [eiseres] en [gedaagde] gezamenlijk gehuurde woning aan de [adres chalet], met ingang van 2 maanden na betekening van dit vonnis, niet langer wordt voorgezet door [de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde], althans door [gedaagde] zelf;

verklaart dit vonnis – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 8 februari 2017 te 09.00 uur voor akte uitlaten [eiseres], zoals aangegeven onder rechtsoverweging 3.18;

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de bodemzaak in reconventie

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 8 februari 2017 te 09.00 uur voor een conclusie van antwoord aan de zijde van [eiseres];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.