Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:241

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_2254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wajong. Verlaging per 1 januari 2018.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de methode SMBA en het ondersteunend medische systeem ICF alsmede het MOI niet in beginsel als rechtens aanvaardbaar te achten voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser ter vaststelling van zijn recht op een Wajong-uitkering. Eiser bestrijdt dat hij over basale werknemersvaardigheden beschikt. Dat eiser zijn diploma in een beschutte omgeving heeft behaald waar veel begeleiding aanwezig was, doet niet af aan het feit dat hij een diploma heeft behaald. Ook in een arbeidssituatie kunnen deze voorwaarden gerealiseerd worden, terwijl met een jobcoach eiser adequate begeleiding kan worden geboden. Eiser heeft blijk gegeven van leervermogen. Eiser voert aan dat zijn medische situatie ten opzichte van de beoordeling in 2010 is verslechterd, maar heeft dit niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2254 Wajong

uitspraak van 16 januari 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 februari 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake de verlaging van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van

1 januari 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 december 2016. Eiser is niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 10 februari 1990, is bekend met psychische klachten en rugklachten. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering sinds 10 februari 2008, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering bedraagt 75% van het minimumloon.

In het kader van de Wajong, zoals die is gewijzigd per 1 januari 2015 met de invoering van de Participatiewet, heeft het UWV eisers arbeidsvermogen beoordeeld.

Bij besluit van 12 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft het UWV vastgesteld dat eiser arbeidsvermogen heeft en dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen voorlopige beoordeling arbeidsvermogen heeft gekregen, waarop hij had kunnen reageren, maar meteen de definitieve beslissing heeft ontvangen. Hij vindt dat een nieuwe beoordeling moet plaatsvinden. Eiser stelt verder dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport punt het gestelde onder punt 6.1.1. niet heeft uitgewerkt. Verder bestrijdt eiser dat hij over basale werknemersvaardigheden beschikt. Eiser heeft staatsexamen VMBO gedaan; hij zat op school in een gesloten jeugdinrichting en gesloten psychiatrische inrichting. Hier kreeg hij les in kleine groepjes door gespecialiseerde docenten en met veel begeleiding. Eiser heeft zijn diploma derhalve behaald voordat hij een Wajong-uitkering aanvroeg. Hierna heeft hij geen opleiding meer gevolgd. Eiser voert verder aan dat zijn situatie sinds 2010, toen de verzekeringsarts hem zeer zwaar beperkt achtte, niet beter is geworden, maar eerder is verslechterd. Eiser wijst erop dat hij als gevolg van zijn psychische problemen al jaren in angst leeft.

3.1.

Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) aangepast.

Op grond van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag.

Op grond van de Invoeringswet Participatiewet wordt in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong “75%” vervangen door: 70%. Deze wijziging treedt met ingang van 1 januari 2018 in werking.

Op grond van artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt, in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Op grond van het derde lid wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben.

Op grond van het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Op grond van het vijfde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot een periodieke herbeoordeling om vast te stellen of betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

De in het vierde lid bedoelde regels zijn opgenomen in het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet.

Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

Op grond van het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van het geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Daarbij kan een procedure worden vastgesteld die afwijkt van de procedure bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie die de jonggehandicapte na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet heeft.

3.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Sb, zoals dat luidt per 1 januari 2015, heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

In het tweede lid van artikel 1a is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit één of meerdere handelingen.

4.1.

Het UWV heeft in verband met de inwerkingtreding van de Wajong per

1 januari 2015 de methode Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft het UWV het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld. Dit Compendium dient te worden aangemerkt als een interne werkinstructie.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van

3 november 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:6931 en ECLI:NL:RBZWB:2016:6936) ziet de rechtbank geen aanleiding om de methode SMBA niet in beginsel als rechtens aanvaardbaar te achten voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van eiser ter vaststelling van zijn recht op een Wajong-uitkering. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit kader geen gronden heeft ingediend.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de rechtsgevolgen van de thans door het UWV uitgevoerde herbeoordeling op grond van Invoeringswet Participatiewet eerst intreden per

1 januari 2018.

4.3.

Het betoog van eiser dat hij ten onrechte geen voorlopige beslissing heeft ontvangen, slaagt niet. Het UWV kan een voorlopige beoordeling van het arbeidsvermogen uitvoeren indien deze op grond van de in het dossier aanwezige gegevens kan worden vastgesteld. Dan kan worden afgezien van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek. In een dergelijke situatie wordt een vooraankondiging verzonden waarop de belanghebbende kan reageren en kan verzoeken om een onderzoek. In eisers situatie heeft (normaal) verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden zodat geen vooraankondiging maar een besluit is verzonden, waartegen de mogelijkheid van bezwaar heeft open gestaan.

5.1.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser arbeidsvermogen heeft. Aan dit standpunt liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten ten grondslag.

5.2.

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er geen medische stoornissen aanwezig zijn waardoor eiser niet ten minste vier uur per dag belastbaar zou zijn of niet in staat zou zijn om aaneengesloten te werken gedurende ten minste een periode van een uur. Eiser heeft moeite met communiceren (moeite om zich te uiten), moeite met hanteren van conflicten, met ’omgaan van onbekende’ en moeite met omgaan van nieuwe dingen (onzeker, sterk vermijdend, beperkt aanpassingsvermogen), de omgeving moet vertrouwd zijn. Op fysiek vlak zijn er beperkingen ten aanzien van handhaven van lichaamshouding (langdurig buigen), optillen en dragen, lopen en staan en het dragen van zware beschermende kleding. Eiser moet van houding kunnen wisselen.

5.3.

De arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat eiser arbeidsvermogen heeft omdat hij ten minste vier uur per dag belastbaar is, in staat is om ten minste een uur per dag aaneengesloten te werken, zowel schriftelijke als mondeling instructies in een arbeidsorganisatie kan opvolgen en in staat is op een acceptabele manier sociaal te functioneren op de werkvloer.

5.4.

De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting geen nieuwe aanknopingspunten naar voren zijn gekomen voor een andere conclusie. Door eiser zijn geen medische gegevens overgelegd waaruit zou moeten blijken dat er sprake is van meer beperkingen dan waarvan bij de totstandkoming van het primaire besluit is uitgegaan. Eiser ziet er verzorgd uit, woont zelfstandig, doet zijn eigen huishouding, gaat zelf boodschappen doen (wel op rustig tijdstip) en is na door zijn moeder op de trein te zijn gezet, zelfstandig naar het spreekuur gekomen. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert dat eiser nagenoeg geen sociale contacten heeft, maar concludeert dat de verzekeringsarts in voldoende mate rekening heeft gehouden met eisers klachten en problemen op het sociale vlak.

5.5.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft (aanvullend) gerapporteerd dat eiser is aangewezen op een vertrouwde werkomgeving. Door zijn stoornissen is een empathische leidinggevende aangewezen. Een positieve feedback van collega’s en leidinggevende is eveneens van belang voor het zelfvertrouwen en het goed functioneren in zijn werk en de werksituatie. Voorts stelt de bezwaararbeidsdeskundige als voorwaarde geen werkomgeving met fysiek zwaar werk en veel lopen en langdurig staan alsmede geen noodzaak tot het dragen van zware beschermende kleding. Feedback op zijn functioneren alsmede begripvolle collega’s en leidinggevenden is van belang. De inzet van een jobcoach kan aangewezen zijn. Er dient geen sprake te zijn van een drukke werkomgeving in de zin van veel mensen om hem heen. Ook geen klantcontacten, patiëntencontacten of het werken met hulpbehoevenden. Eiser is aangewezen op een rustige sociale werkomgeving waarbij geen sprake is van een grote wisseling in de directe werkomgeving (zoals uitzendkrachten). Samenwerken is niet aangewezen. Het werk mag geen beroep doen op hogere cognitieve functies, dus niet gecompliceerd van aard. Verder acht hij eiser niet geschikt voor rug belastend werk en werk waarin het noodzakelijk is om zware beschermende kleding te dragen. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is voor eiser de taak scannen en de taak handmatig bestukken geschikt omdat het enkelvoudige en overzichtelijke taken zijn, duidelijke instructies worden gegeven, niet in een grote groep mensen wordt gewerkt die wisselend van samenstelling is, het een rustige werkomgeving betreft, er altijd een leidinggevende op de werkvloer aanwezig is en het geen rug belastend werk betreft.

De bezwaararbeidsdeskundige concludeert dat eiser over basale werknemersvaardigheden beschikt. Eiser wordt in staat geacht instructies van de werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en afspraken met de werkgever na te komen, omdat hij op school heeft laten zien dat hij de lesstof en de docenten begrijpt, toetsen kan maken en opdrachten kan uitvoeren. Ook heeft hij enige werkervaring opgedaan. De bezwaararbeidsdeskundige acht wel van belang dat eiser zich door middel van begeleiding (persoonlijk en functioneel), training en coaching verder ontwikkelt en dat inzet van een jobcoach wellicht is aangewezen.

6.1.

In geschil is of eiser arbeidsvermogen heeft. De rechtbank overweegt dat de betrokkene op grond van het Schattingsbesluit arbeidsvermogen heeft als hij:

1. een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

2. basale werknemersvaardigheden heeft;

3. ten minste een uur aaneengesloten kan werken; en

4. ten minste vier uur per dag belastbaar is.

De betrokkene heeft alleen arbeidsvermogen als hij aan alle vier de vereisten voldoet.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat de medische en arbeidskundige onderzoeken op een voldoende zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Er is een consistent beeld gegeven van de beperkingen die eiser heeft. De informatie van [naam sociaal psychiatrisch verpleegkundige] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 21 juli 2010 is bij de beoordeling betrokken. Recente informatie is niet aanwezig omdat eiser sinds 2010 niet meer onder behandeling is. Eiser stelt dat zijn medische situatie ten opzichte van de beoordeling in 2010 niet is verbeterd, maar eerder is verslechterd. Eiser heeft echter geen medische stukken ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt. Uit de medische rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat eiser sinds 2010 niet meer onder behandeling is en geen medicijnen slikt.

6.3.

Met betrekking tot punt 6.1.1. van de arbeidsdeskundige rapportage stelt de rechtbank vast dat de bezwaararbeidsdeskundige de voorwaarden voor het functioneren in werk heeft vastgesteld en daarmee de gestelde gebreken in bezwaar heeft hersteld.

6.4.

De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat eiser in staat is de taak scannen en handmatig bestukken te verrichten. Ook is naar het oordeel van de rechtbank voldoende verklaard waarom eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden, hij aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, en hij ten minste vier uur per dag belastbaar is.

Eiser bestrijdt dat hij over basale werknemersvaardigheden beschikt. Dat eiser zijn diploma in een beschutte omgeving heeft behaald waar veel begeleiding aanwezig was, doet volgens de bezwaararbeidsdeskundige niet af aan het feit dat eiser een diploma heeft behaald. Ook in een arbeidssituatie kunnen deze voorwaarden gerealiseerd worden, terwijl met de inzet van een jobcoach aan eiser adequate begeleiding kan worden geboden. Eiser wordt bovendien in staat geacht, mocht een enkele basale werknemersvaardigheid nog wat minder door hem worden beheerst, deze alsnog verder te ontwikkelen of zijn vaardigheid te vergroten door zijn leervermogen, waar hij blijk van heeft gegeven. Op dit punt kan sturing en begeleiding worden gegeven. De rechtbank kan zich in de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige vinden.

Uit het voorgaande blijkt dat het UWV voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat eiser aan alle vier van de in rechtsoverweging 6.1 genoemde vereisten voldoet.

6.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde in geding beschikte over arbeidsvermogen. Het UWV heeft dan ook terecht besloten eisers Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 te verlagen van 75% naar 70% van het minimumloon.

7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. C.E.M. Marsé, leden, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.