Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2386

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag ib/pvv 2008 – vereiste aangifte- omkering - vergrijpboeten

Gelet op de verklaringen van belanghebbende tijdens een politieverhoor over zijn netto inkomen acht de rechtbank aannemelijk dat hij wist of redelijkerwijs moet hebben beseft dat hij daarover belasting verschuldigd was. Dit leidt tot omkering van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat de inkomenscorrectie bij de uitspraak op bezwaar is gebaseerd op een redelijke schatting. Belanghebbende is niet erin geslaagd te doen blijken dat inkomenscorrectie onjuist is.

Navorderingsaanslag ib/pvv 2009 – vereiste aangifte- omkering - vergrijpboeten

Geen omkering van de bewijslast vanwege niet doen vereiste aangifte nu belanghebbende niet uitgenodigd tot het doen van aangifte. Gelet op de verklaringen van belanghebbende tijdens een politieverhoor acht de rechtbank de inspecteur geslaagd aannemelijk te maken dat de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vergrijpboeten navorderingsaanslag ib/pvv 2008 en ib/pvv 2009 – interne compensatie voor onjuiste kwalificatie gedragingen en undue delay

Ter zitting stelt de inspecteur dat in de uitspraken op bezwaar de gedragingen van belanghebbende ten onrechte niet zijn aangemerkt als opzet. Hierom in combinatie met een mogelijke vermindering in verband met undue delay verzoekt de inspecteur om interne compensatie. De rechtbank is van oordeel dat vergrijpboeten van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden zijn en wijst het verzoek om interne compensatie toe waardoor geen aanleiding is voor vermindering van de boeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1094
FutD 2017-1095
V-N Vandaag 2017/1040

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/850 en 15/852

uitspraak van 28 februari 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Spanje),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 en 2009 met aanslagnummers [aanslagnummer] .H87 en [aanslagnummer] .H97 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, alsmede bij beschikkingen vergrijpboeten. Voor alle jaren is voorts telkens bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 7 januari 2015 en 7 mei 2015 de in 1.1 vermelde navorderingsaanslagen ib/pvv en beschikkingen verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 januari 2015 ontvangen bij de rechtbank op 13 februari 2015, beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen met zaaknummers BRE 15/849 tot en met 15/861 en 17/1228 heeft de griffier van belanghebbende griffierecht geheven van eenmaal € 45.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur 1] ,

[inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Tijdens het onderzoek ter zitting was van de zijde van belanghebbende niemand aanwezig. De rechtbank heeft van de bode vernomen dat na sluiting van het onderzoek ter zitting – en na het verstrijken van de geplande eindtijd van de zitting – de gemachtigde zich bij de bodebalie heeft gemeld waarbij is geconstateerd dat hij zich een aantal uren in de aanvangstijd van de zitting heeft vergist. De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd en heeft geen reden gezien het onderzoek te heropenen. De zaken met de nummers BRE 15/849 tot en met 15/861 en de zaak waaraan na afloop van de zitting het nummer BRE 17/1228 is toegekend, zijn gelijktijdig op zitting behandeld.

1.5.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met het afschrift van deze uitspraak is verzonden. De stukken die de gemachtigde en de inspecteur een paar uur voor respectievelijk tijdens de zitting hebben overgelegd, zijn door de rechtbank in het kader van de goede procesorde niet tot de processtukken gerekend en zijn derhalve naar partijen geretourneerd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 een aangifte ib/pvv ingediend na daartoe te zijn uitgenodigd en na het verstrijken van de gestelde inlevertermijn. Bij de aangifte is een verzamelinkomen aangegeven van € 11.909, bestaande uit belastbare winst ter zake van de onderneming [A BV] van € 10.177, betaalde hypotheekrente ter zake van een als hoofdverblijf verantwoorde woning in Spanje van € 2.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: ook box 3) van € 4.464.

2.2.

Met dagtekening 12 november 2010 is de aanslag ib/pvv 2008 overeenkomstig de ingediende aangifte ib/pvv 2008 vastgesteld.

2.3.

Voor het jaar 2009 is belanghebbende niet uitgenodigd tot het doen van aangifte ib/pvv en is aan hem geen primitieve aanslag ib/pvv opgelegd. Voor het jaar 2009 heeft belanghebbende wel aangiften omzetbelasting ingediend. Daarin is een omzet van € 236.123 aangegeven.

2.4.

Belanghebbende is op 19 februari 2013 door de politie verhoord als verdachte in verband met illegale handel in onder andere auto’s (hierna: het politieverhoor). Tijdens het politieverhoor heeft hij op de vraag hoeveel hij netto verdient, verklaard (PV nr. PL205A 2013036079-2) dat hij jaarlijks tussen de € 30.000 en € 60.000 netto heeft verdiend, dat het in 2012 (‘vorig jaar’) € 50.000 betrof en dat hij in 2006 tot en met 2008 meer verdiende, namelijk tussen de € 70.000 en € 80.000 netto. Op de vraag wat belanghebbende voor werk doet, heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij autohandelaar is.

2.5.

Op basis van de bevindingen van een in 2013 verricht boekenonderzoek heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende niet in Spanje doch in Nederland bij zijn moeder woont op het adres [adres] , te [plaats] en zijn onderneming vanuit Nederland uitoefent. Tevens is met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2013 door de inspecteur geconstateerd dat er geen kasboek is en er van veel transacties geen inkoop- en verkoopfacturen aanwezig zijn, hetgeen de administratie volgens de inspecteur onvolledig en oncontroleerbaar maakt.

2.6.

Naar aanleiding van de verklaringen van belanghebbende bij de politie en de bevindingen van het boekenonderzoek, zijn aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd waarbij voor de jaren 2008 en 2009 € 72.555 respectievelijk € 236.123 als resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ruow) in aanmerking is genomen. Voorts zijn vergrijpboeten van € 16.106 respectievelijk € 56.149 opgelegd wegens opzet.

2.7

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen alsmede tegen de boeten. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het gecorrigeerde inkomen niet meer als ruow aangemerkt, maar als winst uit onderneming (hierna: wuo) en is het verzamelinkomen verminderd tot respectievelijk € 40.460 en € 44.493. De boeten zijn verminderd tot € 2.779 respectievelijk € 3.164, te weten 25% van de nagevorderde ib/pvv na bezwaar wegens grove schuld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of en in hoeverre de navorderingsaanslagen en de boeten terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR)?

2. Heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan?

3. Is sprake van omkering van de bewijslast?

4. Is sprake van opzet of grove schuld?

De inspecteur beantwoordt voormelde vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

Niet in geschil is dat belanghebbende in de onderhavige jaren woonachtig was in Nederland.

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen, de vergrijpboeten en de heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Ambtshalve: ontvankelijkheid beroep ib/pvv 2009

4.1.

Het beroepschrift betreffende de ib/pvv 2009 is vóór het begin van de beroepstermijn ingediend, nu het is ingediend op 13 februari 2015, terwijl de uitspraak op bezwaar is gedagtekend 7 mei 2015. Die uitspraak is verzonden door het computercentrum te Apeldoorn en is gemotiveerd bij brief van 15 december 2014. Naar het oordeel van de rechtbank kon belanghebbende ten tijde van de indiening van het beroepschrift redelijkerwijs menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was gekomen. Het beroep betreffende de ib/pvv 2009 is derhalve ontvankelijk ingevolge artikel 6:10 van de Awb.

Nieuw feit?

4.2.

Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de AWR behelst de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. De feiten die hier grond hebben opgeleverd voor navordering zijn de verklaringen en bevindingen uit 2013. Nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat dit feiten zijn die de inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn ten tijde van het vaststellen van de aanslag of het verstrijken van de aanslagtermijn, leveren de betreffende feiten grond voor navordering op.

Ib/pvv 2008

4.3.

Belanghebbende heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat hij in 2008 tussen € 70.000 en de € 80.000 netto heeft verdiend. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist of redelijkerwijs moet hebben beseft dat hij daarover in Nederland belasting verschuldigd was. Dergelijke verdiensten leiden relatief en absoluut gezien tot een veel hogere belastingschuld dan het in de aangifte ib/pvv 2008 verantwoorde inkomen. Hierdoor is sprake van omkering van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat de inkomenscorrectie bij de uitspraak op bezwaar is gebaseerd op een redelijke schatting gelet op de in 4.3 aangehaalde verklaring van belanghebbende.

4.4.

De rechtbank acht belanghebbende niet erin geslaagd te doen blijken dat voormelde inkomenscorrectie onjuist is.

Ib/pvv 2009

4.5.

Belanghebbende is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte ib/pvv 2009. Er kan derhalve geen sprake zijn van het niet doen van de vereiste aangifte, zodat geen sprake is van omkering van de bewijslast. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat, en zo ja in hoeverre, de navorderingsaanslag ib/pvv 2009 terecht is opgelegd. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd aannemelijk te maken dat deze navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld gelet op de verklaring van belanghebbende tijdens het politieverhoor dat hij het onderhavige jaar tussen de € 30.000 en € 60.000 netto heeft verdiend en hij aangiften omzetbelasting heeft ingediend naar een omzet van € 236.123.

Vergrijpboeten

4.6.

Met betrekking tot de vergrijpboeten die op grond van artikel 67e van de AWR zijn opgelegd, ligt de bewijslast bij de inspecteur. Ter zitting heeft de inspecteur voor de vermindering van de boeten in verband met undue delay verzocht om interne compensatie nu bij de uitspraken op bezwaar de gedragingen van belanghebbende ten onrechte niet zijn gekwalificeerd als opzettelijk onjuist handelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaringen van belanghebbende tijdens het politieverhoor, de inspecteur voldoende heeft bewezen dat belanghebbende bewust en opzettelijk een onjuiste aangifte ib/pvv 2008 heeft ingediend en de inspecteur informatie over zijn te verantwoorde inkomsten voor het jaar 2009 heeft onthouden. Hierdoor heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanslag ib/pvv 2008 tot een te laag bedrag is vastgesteld en de aanslag ib/pvv 2009 ten onrechte achterwege is gelaten. Overeenkomstig het standpunt van de inspecteur ter zitting acht de rechtbank – met voorbijgaan aan het verzoek om interne compensatie en de behandelduur – bij elk van de navorderingsaanslagen een boete van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden. De rechtbank kent het verzoek om interne compensatie toe. Rekening houdende met de vermindering van die boeten in verband met undue delay is er geen aanleiding de boeten op een lager bedrag vast te stellen dan respectievelijk € 2.779 en € 3.164.

Heffingsrente

4.7.

Belanghebbende heeft de hoogte van de heffingsrente als zodanig niet betwist en alleen verzocht de berekening van de heffingsrente te specificeren, zodat deze kan worden gecontroleerd. De berekening van de heffingsrente vloeit uit de wet voort. Het is de rechtbank niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen reden voor overlegging van de door belanghebbende gewenste specificatie noch voor vernietiging of verlaging van de heffingsrentebeschikkingen.

Onbehoorlijk bestuur?

4.8.

Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de regels van behoorlijk bestuur niet in acht genomen. Deze stelling heeft belanghebbende niet nader toegelicht. Geen feiten en omstandigheden zijn aannemelijk geworden waaruit volgt dat sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Conclusie

4.9.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2017 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr. J.W.M. Tijnagel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.