Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:2312

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
AWB 16-6282
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1556, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzing van het verzoek van eiseres om planschade¬ver¬goeding kan in stand blijven.

Volgens de rechtbank is het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel door eiseres passief aanvaard. Vanaf het moment van voorzienbaarheid heeft eiseres geen concrete pogingen gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkhe¬den die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar kon worden verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1949
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/6282 WET

uitspraak van 31 maart 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Naam bedrijf] , te [Vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. A.P.G.J.A. Wijnans,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juli 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van het verzoek om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 februari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. A.P.G.J.A. Wijnans en [Naam vertegenwoordiger] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Snel en [Naam vertegenwoordiger2] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is sedert 28 november 1991 eigenaar van het perceel [Adres] te [Plaats] .

Ingevolge het toenmalig bestemmingsplan “Princenhage Noord 1966” had het perceel de bestemming Benzinestation, klasse V.B. Op 31 januari 2002 is het bestemmingsplan “Princenhage” vastgesteld en op 15 juli 2004 het bestemmingsplan “Princenhage herziening ex artikel 30 WRO” vastgesteld. Ingevolge het bestemmingsplan “Princenhage” rustte op onderhavig perceel de bestemming Gemengde doeleinden met de aanduiding Ontwikkelingslocatie 6. Een gebouw met een bouwhoogte van 16 meter was toegelaten. Het bestemmingsplan “Princenhage herziening ex artikel 30 WRO” heeft voor onderhavig perceel behoudens de aanduiding molenbiotoop geen wijzigingen gebracht.

Op 27 juni 2013 is het bestemmingsplan Princenhage-Haagpoort vastgesteld. Ingevolge dit bestemmingsplan geldt voor onderhavig perceel de bestemming Groen. De gronden met deze bestemming mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Op 27 januari 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergoeding van de door haar gestelde planschade, ten bedrage van € 2.2052.228,-. Naar aanleiding daarvan heeft het college advies gevraagd aan [Naam adviesbureau] (hierna: [Naam adviesbureau] ). [Naam adviesbureau] heeft het college op 14 november 2015 geadviseerd om het verzoek van eiseres om planschadevergoeding af te wijzen. Vervolgens heeft het college bij besluit van 25 november 2015 (primair besluit) het planschadeverzoek van eiseres overeenkomstig het advies van [Naam adviesbureau] afgewezen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft het college, na advisering door de bezwaarschriftencommissie en nadere advisering door [Naam adviesbureau] op 13 juli 2016, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro betrekt het bestuursorgaan met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij zijn beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

3. Eiseres heeft kort gezegd in beroep aangevoerd dat er geen sprake is van actieve of passieve risicoaanvaarding. Verder gaat het college ten onrechte uit van de conclusie dat sprake is van normaal maatschappelijk risico. Voorts is er in het bestreden besluit sprake van een motiveringsgebrek en is het advies van [Naam adviesbureau] van 14 november 2015 procedureel niet op een juiste (voldoende zorgvuldige) wijze tot stand gekomen, aldus eiseres.

4. Uit het bestreden besluit volgt dat de primaire grondslag om het verzoek om planschade af te wijzen erin is gelegen dat er sprake is van passieve risico-aanvaarding. Subsidiair is er volgens het college sprake van actieve risicoaanvaarding en meer subsidiair valt het nadeel binnen het normaal maatschappelijk risico dat eiseres dient te dragen. De rechtbank zal eerst de beroepsgronden van eiseres tegen de primaire afwijzingsgrond (passieve risicoaanvaarding) bespreken. Aan de bespreking van de subsidiaire afwijzingsgrond (actieve risicoaanvaarding) en eventueel de meer subsidiaire afwijzingsgrond (normaal maatschappelijk risico) komt de rechtbank pas toe wanneer de beroepsgronden van eiser tegen de primaire afwijzingsgrond (passieve risicoaanvaarding) slagen.

5.1

De rechtbank beoordeelt de passieve risicoaanvaarding aan de hand van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582). Hierin staat onder meer het volgende:

“5.33. Voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft (uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:923).

(…)

5.34.

Indien wordt geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen (uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:811). Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en indien geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd (uitspraak van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2567).

5.35.

In geval van vervallen bouwmogelijkheden bestaat een concrete poging in vorenbedoelde zin in het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan (uitspraak van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2567).”

5.2

Volgens eiseres is er geen sprake van passieve risicoaanvaarding. Eiseres heeft verwezen naar uitspraken van de ABRS van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:923), 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:737) en 13 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3005). Ten onrechte wordt volgens eiseres gesteld dat zij geen concrete pogingen tot realisering van de bouw en/of gebruiksmogelijkheden heeft ondernomen en dat zij te lang heeft stilgezeten. Eiseres heeft meerdere stappen ondernomen. Deze stappen hebben zelfs geleid tot een door de welstandscommissie goedgekeurd schetsplan.

Daarnaast acht eiseres de periode, vanaf het moment van voorzienbaarheid, waarbinnen eiseres de bouw- en gebruiksmogelijkheden had moeten benutten te kort. Hierbij kan worden betrokken dat het college op voorhand had aangekondigd geen enkele medewerking te zullen verlenen. Eiseres heeft hierbij verwezen naar een aan haar gerichte brief van 10 juni 2008 van de gemeente. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij niet vrijelijk over het perceel heeft kunnen beschikken, onder meer doordat het onmogelijk is gemaakt het perceel behoorlijk te ontsluiten. De tegenwerking van de gemeente heeft ertoe geleid dat geen concrete pogingen konden worden ondernomen tot realisering van de bouw- en/of gebruiksmogelijkheden van het perceel, aldus eiseres.

5.3

Het college heeft, na advisering van [Naam adviesbureau] , zijn standpunt dat er sprake is van passieve risicoaanvaarding als volgt onderbouwd. Gedurende de planperiode van het bestemmingsplan Princenhage, dat is van 2002 tot 2013, gold voor aanvragers perceel de bestemming Gemengde doeleinden, Ontwikkelingslocatie 6. Door eiseres is op 22 november 2005 een plan ingediend voor het bouwen van een kantoorpand. Voor dit plan is echter geen concrete aanvraag om een bouwvergunning ingediend. Verder heeft eiseres op 10 april 2008 een schetsplan voor studentenappartementen ingediend, dat de gemeente heeft goedgekeurd. Vanwege de in 2008/2009 uitgebroken economische crisis is ook voor dit plan geen concrete aanvraag voor een bouwvergunning ingediend. Een concrete poging omvat het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan. Eiseres heeft nooit een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Volgens het college moest eiseres vanaf de bekendmaking van de terinzagelegging van het conceptontwerpbestemmingsplan “Princenhage-Haagpoort” op 31 mei 2012 rekening houden met de kans dat de planologische situatie voor het perceel Ettensebaan 201 zou wijzigen. Tot 20 maart 2013 had eiseres vervolgens de tijd om de bouw- en gebruiksmogelijkheden te benutten. Eiseres heeft ook in deze periode geen concrete poging gedaan om haar bouwmogelijkheden te benutten.

Wat betreft het vrijelijk kunnen beschikken over het perceel stelt het college zich op het standpunt dat via een kettingbeding weliswaar privaatrechtelijke restricties golden, maar dat deze enkel betrekking hebben op het brandstofverkooppunt. In de brief van 10 juni 2008 is van de zijde van de gemeente benadrukt dat bij de herontwikkeling van de gronden aan de Liesboslaan uitdrukkelijk rekening is gehouden met de toegankelijkheid naar het perceel van eiseres. Eiseres kon ten aanzien van de planologische mogelijkheden dan ook vrijelijk beschikken over haar perceel, aldus het college.

5.4

De rechtbank overweegt dat het moment van voorzienbaarheid dat de bouwmogelijkheden vervallen thans is gelegen in het moment van het ter inzage leggen van het voorontwerpbestemmingsplan. Terecht heeft het college de periode 31 mei 2012 tot en met 20 maart 2013 beschouwd als de periode waarin eiseres concrete pogingen had moeten ondernemen om alsnog de ( toen bestaande en inmiddels vervallen) planologische mogelijkheden te benutten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen onredelijk korte periode, zeker nu eiseres een projectontwikkelaar is en zij al een schetsplan gereed had. Eiseres heeft ook niet aangetoond dat het voor haar niet mogelijk was om in een periode van 9 à 10 maanden te komen tot een vergunningsaanvraag. Haar stelling dat pas financiering voor het project zou kunnen worden gekregen als de ontsluiting van het perceel vast zou liggen, heeft zij niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet ook niet in waarom het gegeven dat de financiering nog niet volledig rond is legitiem in de weg zou staan aan het indienen van een bouwaanvraag. Tussen partijen staat vast dat eiseres sinds 31 mei 2012 geen bouwplan heeft voorgelegd aan verweerder in de vorm van een aanvraag voor een omgevingsvergunning of anderszins. Door geen concrete pogingen in dit licht te ondernemen heeft eiseres het risico van het vervallen van de planologische mogelijkheden geaccepteerd. Dat eiseres niet tijdig kennis heeft genomen van het ontwerpbestemmingsplan, zoals tijdens de zitting is verklaard, dient voor haar rekening en risico te komen.

De grond van eiseres dat zij niet vrijelijk kon beschikken over haar perceel kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft geen stukken ingebracht waaruit blijkt haar perceel niet toegankelijk zou zijn. De rechtbank wijst verder in navolging van het college op de brief van 10 juni 2008. Hierin staat over de ontsluiting: “In het bestemmingsplan Princenhage is rekening gehouden met de toegang tot dit perceel. (…) Daarnaast is de gemeente bezig met de herontwikkeling van de gronden aan de Liesboslaan en in de verkaveling is uitdrukkelijk rekening gehouden met de toegankelijkheid naar het perceel van [Naam bedrijf] Met andere woorden: voor [Naam bedrijf] is er na de ontwikkeling van deze gemeentelijke percelen fysiek en juridisch toegang tot het perceel.” Ter zitting heeft het college verder verklaard dat nu eiseres geen concreet bouwplan heeft ingediend, er nog niet is gekeken naar de concreet benodigde ontsluiting. Verder heeft het college erop gewezen dat de ontsluitingen aan de Liesboslaan ten behoeve van omgevingsvergunningen voor andere bouwplannen feitelijk zijn gerealiseerd.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel door eiseres passief is aanvaard. Vanaf het moment van voorzienbaarheid heeft eiseres geen concrete pogingen gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar kon worden verlangd.


6. Aangezien de beroepsgrond van eiseres tegen de primaire afwijzingsgrond (passieve risicoaanvaarding) niet slaagt, zal de rechtbank de overige beroepsgronden van eiseres onbesproken laten. De afwijzing van het verzoek van eiseres om planschadevergoeding kan in stand blijven. Het beroep van eiseres is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. P. de Putter, leden, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.