Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1978

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
02/984812-10 en 02/984839-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak: bekennende verklaring verdachte ongeloofwaardig en ook feitelijk niets bij hem aangetroffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/984812-10 en 02/984839-12 (gevoegd ter terechtzitting)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, te Krimpen aan de IJssel

raadsman mr. Dunsbergen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14 november 2016, 28 november 2016, 30 november 2016, 6 december 2016 en 6 februari 2017 waarbij de officieren van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

Tenzij anders vermeld, wordt er met [medeverdachte 1] in dit vonnis [medeverdachte 1] bedoeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

parketnummer 02/984812-10

1. ZD01)

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011 te Tilburg, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen (waartoe behoorden [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of andere personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig hebben en/of vervaardigen van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of - voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of vervaardigen en/of het binnen en/of buiten Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

art 11a lid 1 Opiumwet

2. ( ZD03)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 20 mei 2010 tot en met 14 oktober 2010 te Tilburg, Nederweert en/of Dongen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een of meer andere middel(en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

- onderhandelingen/besprekingen gevoerd over de invoer van chemicalien en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- vervoermiddelen gehuurd/laten huren voor het vervoer van voornoemde chemicalien en/of grondstoffen

- chemicalien en/of grondstof(fen), zoals BMK, aceton, dimethylformamide, natriumhydroxide, mierenzuur, methanol, zwavelzuur, formamide en/of hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie, te weten een loods gelegen aan de [straatnaam] te Dongen, gebruikt/ter beschikking gesteld voor de opslag van voornoemde chemicalien en/of grondstoffen;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3. ( ZD03)

hij op of omstreeks 14 oktober 2010 te Dongen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd in elk geval aanwezig heeft gehad ongeveer 500 gram en/of 46,5 liter, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

4. ( ZD27)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 november 2010 tot en met 24 november 2010 te Tilburg en/of Nederweert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

- onderhandelingen/besprekingen gevoerd over de invoer van chemicalien en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- vervoermiddelen gehuurd/laten huren voor het vervoer van voornoemde chemicalien en/of grondstoffen

- chemicalien en/of grondstof(fen) (waaronder BMK) en/of hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie gebruikt/ter beschikking gesteld voor de opslag van voornoemde chemicalien en/of grondstoffen;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

5. ( ZD04)

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2011 tot en met 24 maart 2011 te Tilburg en/of Oudenbosch, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

6. ( ZD20)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2011, te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, van een (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen, te weten ongeveer een geldbedrag van 68.800,00 euro, althans

- een geldbedrag van 62.917,00 euro (aan contante stortingen) en/of

- een geldbedrag van 2.883, 93 euro (contante aankoop bij de [naam winkel] ) en/of

- een geldbedrag van 3.929, 50 euro (contante uitgave(n) bij [autoverhuur] )

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had,

terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf en/of heeft hij, verdachte, bovenomschreven voorwerp(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

parketnummer 02/984839-12 (ter terechtzitting gevoegd)

(ZD11 en ZD31)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011 te Eindhoven en/of Helmond en/of Tilburg en/of Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - (telkens) heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- onderhandelingen/besprekingen gevoerd over leveringen van chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of over leveringen van synthetische drugs en/of

- chemicalien en/of grondstof(fen) zoals mierenzuur en/of zwavelzuur en/of aceton en/of methanol en/of zoutzuur en/of chloroform en/of natriumboorhybride en/of benzoylchloride en/of hardware, bestemd voor de productie van synthetische voorhanden gehad en/of verkocht en/of gekocht en/of vervoerd en/of

- een lokatie gebruikt/ter beschikking gesteld voor de opslag van voornoemde chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

Zaaksdossier 1 (feit 1 van 02/984812-10)

Volgens de officieren van justitie is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een criminele (drugs)organisatie en kan dit feit worden bewezen. Er is sprake van duurzaamheid, er is een structuur, een organisatiegraad, er worden strafbare feiten gepleegd en de deelnemers hebben ieder hierin hun eigen aandeel.

[verdachte] was samen met [medeverdachte 2] verantwoordelijk voor het aanleveren van hardware en chemicaliën. [verdachte] regelde de hardware en liet [medeverdachte 2] deze halen en vervolgens bracht deze het naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] fungeerde vaak als chauffeur voor [verdachte] . Daarnaast heeft [verdachte] op 23 maart 2011 amfetamine geleverd aan [medeverdachte 7] .

Uit de gedragingen van de verschillende betrokkenen blijkt het oogmerk om strafbare feiten te plegen.

Zaaksdossier 3 (feiten 2 en 3 van 02/984812-10)

De officieren van justitie achten gelet op de tapgesprekken, observaties, hetgeen is aangetroffen in de loods te Dongen en de getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in de periode van 5 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2010 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet.

De officieren van justitie achten ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 14 oktober 2010 amfetamine(olie) voorhanden hebben gehad in de loods in Dongen. [medeverdachte 2] is in de loods geweest en er zijn sporen van hem aangetroffen. [medeverdachte 8] betrof de huurder van de loods en werd ook vaker bij de loods gezien, zo ook op 13 oktober 2010 tezamen met [medeverdachte 2] . [verdachte] is op 14 oktober 2010 bij de loods gezien en er zijn ook goederen van [verdachte] aangetroffen waardoor ook [verdachte] aan de loods te linken is.

Zaaksdossier 4 (feit 5 van 02/984812-10)

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van export van amfetamine in maart 2011. Uit tapgesprekken, observaties en de verklaring van [medeverdachte 7] , is gebleken dat [verdachte] aan [medeverdachte 7] een tas met daarin amfetamine heeft geleverd en dat [medeverdachte 7] die in Duitsland af moest leveren. [verdachte] had, gelet op de verklaring van [medeverdachte 7] , en de bevindingen dat [verdachte] naar Venlo is gegaan om geld in ontvangst te nemen, ook de wetenschap dat de amfetamine geëxporteerd zou worden.

Zaaksdossiers 11 en 31 (02/984939-12)

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. [medeverdachte 3] heeft hier een verklaring over afgelegd en deze wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De stoffen zoals tenlastegelegd zijn de stoffen die zijn gekocht en opgehaald bij [medeverdachte 3] .

De officieren van justitie hebben ter zitting aangegeven dat ten aanzien van [verdachte] de zaaksdossiers 11 en 31 onder één feit ten laste zijn gelegd. Gelet op de wijziging tenlastelegging moet de tenlastelegging aldus begrepen worden dat specifiek bedoeld is om zaaksdossier 11 ten laste te leggen aan [verdachte] .

Zaaksdossier 20 (feit 6 van 02/984812-10)

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Primair stellen zij zich op het standpunt dat uit de vermogensvergelijking is gebleken dat [verdachte] meer geld uitgaf dan verklaard kon worden uit bekende inkomsten. Het betreft een bedrag van € 68.800,-. Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] deze gelden uit misdrijf heeft verkregen en deze bedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, dan wel gebruikt. Subsidiair achten zij wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van het medeplegen van witwassen van een aantal specifiek benoemde contante geldbedragen.

Zaaksdossier 27 (feit 3 van 02/984812-10)

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet in de periode van 22 tot en met 24 november 2010. Op basis van de tapgesprekken en observaties kan worden geconcludeerd dat er sprake is van dezelfde modus operandi als bij de levering op 13 oktober 2010 (zaaksdossier 3). De officieren van justitie achten het dan ook aannemelijk dat er hier ook een overdracht heeft plaatsgevonden van BMK of een andere grondstof voor de vervaardiging van synthetische drugs. Primair achten zij de levering van BMK bewezen. Subsidiair zijn zij van mening dat ook zonder bewijs van de levering van BMK te bewijzen is dat er voorbereidingen zijn getroffen voor de levering van grondstoffen, gezien de gesprekken en ontmoetingen die er hebben plaatsgevonden, gerelateerd aan eerdere feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Zaaksdossier 1 (feit 1 van 02/984812-10)

De verdediging bepleit vrijspraak voor deelname aan een vermeende criminele organisatie, nu er geen bewijs is voor een wezenlijke bijdrage van [verdachte] hieraan en de rol van [verdachte] niet valt vast te stellen. Voor zover er al feiten zijn gepleegd, kan niet worden vastgesteld dat deze in het verband vaneen criminele organisatie zijn gepleegd.

Zaaksdossier 3 (feiten 2 en 3 van 02/984812-10)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet (feit 2) omdat het bewijs onrechtmatig is verkregen, dan wel onbetrouwbaar is te achten.

Subsidiair bepleit de verdediging vrijspraak, omdat er geen enkele betrokkenheid van [verdachte] kan worden vastgesteld ten aanzien van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen en het aanwezig hebben van chemicaliën in de loods in Dongen . Ook van wetenschap is niet gebleken en nu er geen enkele bijdrage was van [verdachte] , kan ook niet worden gesproken van medeplegen. Op dezelfde gronden wordt vrijspraak bepleit van het (mede)plegen van aanwezig hebben van amfetamine(olie) in de loods in Dongen op 14 oktober 2010 (feit 3).

Zaaksdossier 4 (feit 5 van 02/984812-10)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de export van 5 kilo amfetamine naar Duitsland nu niet kan worden bewezen dat [verdachte] deze op 23 maart 2011 heeft geleverd aan [medeverdachte 7] , noch dat [verdachte] wetenschap had dat [medeverdachte 7] deze buiten het grondgebied zou brengen. Bovendien is slechts 4,76 kilo aangetroffen en niet 5 kilo zoals in de tenlastelegging is opgenomen.

Zaaksdossier 11 (feit 7 van 02/984812-10)

De verdediging verzoekt [verdachte] vrij te spreken van het verrichten van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs aangezien de verklaring van [medeverdachte 3] onbetrouwbaar is, er maar weinig contact is geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en er in het geheel geen chemicaliën bij [verdachte] zijn aangetroffen.

Zaaksdossier 20 (feit 6 van 02/984812-10)

De verdediging bepleit vrijspraak. Het ontbreekt aan bewijs dat [verdachte] de stortingen heeft gedaan op de rekening van [medeverdachte 10] . Door het vermogen van [medeverdachte 10] erbij te betrekken kan [verdachte] ook niet als pleger worden beschouwd. Er kan evenmin worden vastgesteld dat de genoemde bedragen uit de vermogensvergelijking afkomstig zijn van enig misdrijf.

Zaaksdossier 27 (feit 3 van 02/984812-10)

De verdediging bepleit vrijspraak van het plegen van voorbereidingshandelingen in zaaksdossier 3, zodat er van schakelbewijs voor dit zaaksdossier ook geen sprake kan zijn. Er is daarnaast geen vergelijkbare modus operandi en de verdachten zijn niet dezelfde(n). Er is hier ook geen BMK of ander strafbaar goed aangetroffen zodat van het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ook op die grond geen sprake kan zijn.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Op 19 mei 2010 is het opsporingsonderzoek Akutan gestart naar aanleiding van CIE-informatie over [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] met betrekking tot synthetische drugs, waarbij ook de motorclub Satudarah is genoemd. Het onderzoek was gericht op de mogelijke productie van en/of handel in synthetische drugs door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Gaandeweg zijn meer verdachten in beeld gekomen en is het onderzoek uitgebreid naar andere personen. Ook is er nog meer CIE-informatie bijgekomen.

Op 13 januari 2011 is besloten om ook het onderzoek EBRO, dat zich richtte op de handel in strafbare grondstoffen voor synthetische drugs door een groep Litouwse personen, binnen het onderzoek Akutan voort te zetten. Ook dat onderzoek is gebaseerd op CIE-informatie.

Later is het onderzoek uitgebreid naar mogelijk witwassen door diverse verdachten.

Binnen het onderzoek zijn diverse opsporingshandelingen en -methoden ingezet: antecedentenonderzoek, telefoontaps, internettaps, stelselmatige observaties, peilbakens, videocamera’s, inkijkoperaties, vorderingen historische gegevens, bevelen vergaring nummergegevens en IMSI-catchers. Verder is informatie opgevraagd bij onder meer de Belastingdienst, banken en diverse bedrijven. Ook zijn er rechtshulpverzoeken uitgegaan naar België, Groot-Brittannië, Litouwen en Indonesië. Op 30 november 2011 is een zogeheten actiedag gehouden, waarbij 26 panden zijn doorzocht, diverse zaken in beslag zijn genomen en 8 verdachten zijn aangehouden. In de maanden daarna zijn nog meer verdachten aangehouden en panden doorzocht.

Het totale dossier Akutan beslaat ruim 60 ordners en bevat onder meer 19 persoonsdossiers en 34 zaaksdossiers. De rechter-commissaris heeft tientallen getuigen en daarnaast deskundigen gehoord. Een aantal zaken is uiteindelijk niet tenlastegelegd en zaaksdossier 5 (uitvoer naar Indonesië) is afgesplitst en reeds afgedaan met een vrijspraak. In de zaken waarin vandaag uitspraak wordt gedaan gaat het om 15 verdachten, met maximaal 8 tenlastegelegde feiten per verdachte, waarbij een feit vaak aan meerdere verdachten ten laste is gelegd, gebaseerd op 27 zaaksdossiers.

4.3.2

Algemene overweging

De rechtbank stelt voorop dat de vermoedens en conclusies die door de politie in het dossier zijn neergelegd gekleurd lijken te zijn door de aanwezige CIE-informatie. Dit geldt in het bijzonder voor de uitgebreide CIE-informatie over de zogeheten “Litouwse organisatie”. Het is de rechtbank opgevallen dat ook de officieren van justitie in het requisitoir naar die CIE-informatie hebben verwezen. CIE-informatie kan en zal de rechtbank echter niet voor het bewijs gebruiken.

Verder is de rechtbank met de officieren van justitie van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaakdossiers kunnen worden betrokken.

Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per zaaksdossier worden besproken. Daarbij wordt zaaksdossier 1 (criminele organisatie) gezien de samenhang met de andere zaaksdossiers als laatste besproken.

4.3.3

Zaaksdossier 3 ((feit 2 van 02/984812-10 )

4.3.3.1 Rechtmatigheidsverweer van de verdediging

De raadsman heeft verweer gevoerd, inhoudende dat het observatieverslag/activiteitenjournaal van 13 oktober 20101 en alle daaruit volgende onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs, primair wegens schending van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), subsidiair omdat het observatieverslag onbetrouwbaar is in verband met onjuistheden en onvolkomenheden. Ook heeft de raadsman betoogd dat het gebruik van het observatieverslag en het onvoldoende kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht zonder compenserende maatregelen, in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), hetgeen tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden.

Vormverzuimen ex artikel 359a Sv

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een onrechtmatige inkijk ex artikel 126k Sv aangezien het bevel is afgegeven op basis van onjuiste gegevens, zodat ten onrechte een redelijk vermoeden is geconstrueerd. Voorts is er sprake van schending van de verbaliseringsplicht krachtens de artikelen 152 Sv en 126aa Sv (betreffende de inzet van technische hulpmiddelen).

Onrechtmatige inkijk?

Blijkens de schriftelijke “aanvraag bevel: uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats ex artikel 126k Sv” (inkijk) van 15 oktober 2010 is op 13 oktober 2010 mondeling verzocht aan de officier van justitie om een bevel tot inkijk te geven (BOB-dossier [medeverdachte 8] , pagina’s 94 013 e.v.). De schriftelijke aanvraag dient ter bevestiging van het mondelinge verzoek. Blijkens het schriftelijke ‘bevel bevoegdheid in een besloten plaats (artikel 126k Sv)” van 18 oktober 2010 heeft de officier van justitie op 13 oktober 2010 mondeling een bevel tot inkijk gegeven. (BOB-dossier [medeverdachte 8] , pagina 94 021 en 022). In de schriftelijke aanvraag van 15 oktober 2010 staat vermeld dat de daarin gerelateerde informatie met betrekking tot de waarnemingen van het observatie (de rechtbank begrijpt: observatieteam, hierna: OT) mondeling zijn doorgegeven door de leider van het OT ten tijde van de observatie en dat het proces-verbaal van observatie nog niet beschikbaar is (pag. 94 018). Blijkens dit proces-verbaal liggen aan het bevel ten grondslag tapgesprekken van 12 en 13 oktober 2010, evenals waarnemingen van het OT op 13 oktober 2010.

Terecht stelt de verdediging dat er discrepanties zijn tussen de waarnemingen van het OT zoals weergegeven in het proces-verbaal aanvraag inkijk en het later opgemaakte activiteitenjournaal van de bewuste observatie op 13 oktober 2010. Zo staat in het aanvraagproces-verbaal van de inkijk dat om 15.25 uur [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en een onbekende man achter een auto naar een plastic tas staan te kijken die op de grond staat, terwijl het OT in het activiteitenjournaal meldt dat om 15.16 uur allen keken naar iets dat op de grond lag en waaraan een oranjekleurige riem bevestigd leek. Ook staat in het aanvraagproces-verbaal als waarneming van het OT vermeld dat de Ford Focus met kenteken [kenteken] (hierna: de Ford Focus) om 16.33 uur het erf is opgereden, behorend bij het pand aan de [straatnaam] te Dongen. Om 16.50 uur komt de Ford Focus uit de loods gereden en rijden de Ford Focus en de Renault Espace met kenteken [kenteken] (hierna: de Renault Espace) het erf af. In het activiteitenjournaal staat vermeld dat om 16.33 uur de Ford Focus in de loods stond en om 16.35 uur uit de loods kwam gereden. Om 16.36 uur kwam de Ford Focus van het erf af rijden met NN10 ( [medeverdachte 2] ) als bestuurder en enig inzittende, evenals de Renault Espace met [medeverdachte 8] als bestuurder en enig inzittende.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze en andere (geringe) discrepanties tussen de aanvraag inkijk en het later opgemaakte activiteitenjournaal niet maken dat de inkijkoperatie onrechtmatig is geweest. Zij overweegt daartoe het volgende.

Voor toepassing van artikel 126k Sv is verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv vereist.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende, niet betwiste, bevindingen, te weten:

- de inhoud van de tapgesprekken op 12 en 13 oktober 2010;

- het waarnemen op 13 oktober 2010 van de verdachten (met uitzondering van [verdachte] ), gevolgd door de contactmomenten van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] (later herkend als [medeverdachte 12] ) op de carpoolplaats te Nederweert en de waarneming van de Ford Focus en de Renault Espace aldaar;

- de waarneming dat deze Ford Focus een klein uur later die middag de loods aan de [straatnaam] te Dongen binnenreed en enige tijd later weer naar buiten reed en

- de waarneming dat [medeverdachte 8] als bestuurder van de Renault Espace en [medeverdachte 2] als bestuurder van de Ford Focus het erf van de [straatnaam] afreden,

in onderling verband en samenhang bezien, voldoende grondslag vormen voor de verdenking als bedoeld in artikel 126k Sv.

Het standpunt van de verdediging dat er sprake zou zijn van cruciale afwijkingen tussen de informatie van het OT op 13 oktober 2010 die ten grondslag lag aan het mondeling bevel tot inkijk die dag en het activiteitenjournaal van de waarnemingen op 13 oktober 2010, deelt de rechtbank niet. De omstandigheid, kort gezegd, dat het activiteitenjournaal rept van een oranje riem in plaats van een plastic tas, en dat de Ford Focus korter, namelijk ongeveer 3 minuten in de loods is geweest, maakt niet dat niet (meer) zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 126k Sv. Hetzelfde geldt voor de overige door de raadsman genoemde discrepanties tussen het aanvraagproces-verbaal van de inkijk en het activiteitenjournaal.

Het verweer dat er sprake is geweest van een onrechtmatige inkijk omdat ten onrechte een redelijk vermoeden zou zijn geconstrueerd, wordt dan ook verworpen. Voor een bewijsuitsluiting van de hieruit verkregen onderzoeksresultaten bestaat geen grond.

Het betoog van de raadsman dat er ook in andere BOB aanvraagprocessen-verbaal discrepanties bestaan tussen de gerelateerde waarnemingen van het OT op 13 oktober 2010 en het activiteitenjournaal van het OT, doet hier niet aan af. Deze processen-verbaal zijn immers niet ten grondslag gelegd aan het bevel tot inkijk.

Schending van de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv en 126aa Sv

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van de verbaliseringsplicht, omdat niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt. Het observatieverslag en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten dienen wegens schending van artikel 359a Sv dan wel schending van artikel 6 van het EVRM te worden uitgesloten van het bewijs.

De verdediging wijst erop dat op 13 oktober 2010 een mondelinge aanvraag en bevel tot inkijk ex artikel 126k Sv is gedaan. Dit moet binnen 3 dagen op schrift gesteld worden ex artikel 126k lid 3 juncto 126g lid 6 Sv. Dit is niet gebeurd, de schriftelijke aanvraag ter bevestiging van het mondeling gedane verzoek is op 15 oktober 2010 op schrift gesteld, en het schriftelijk bevel dateert van 18 oktober 2010.

Het verantwoordingsproces-verbaal bij het activiteitenjournaal/observatieverslag van 13 oktober 2010 dateert van 8 november 2011. Van het observatieverslag zijn meerdere kopieën gemaakt en hierin zijn verbeteringen aangebracht. Ook is het vanaf 31 maart 2011 meerdere malen fysiek en digitaal aangeleverd aan het tactisch team, zodat het er volgens de verdediging op lijkt dat er meerdere versies in omloop zijn (geweest). Tevens vertoont het genoemde observatieverslag discrepanties met de gerelateerde waarnemingen in diverse BOB-aanvraagprocessen-verbaal. Uit het activiteitenjournaal en de daarop volgende (aanvullende) processen-verbaal van N08 en N37 kan geen duidelijkheid worden verkregen wat er is gebeurd en gezien. Ook de getuigenverhoren van de teamleider van het OT en van observanten N37 en N45 hebben geen duidelijkheid kunnen verschaffen, terwijl de rechtbank het verzoek tot het horen van de getuige N08 heeft afgewezen ter zitting van 14 november 2016. Van de observatie vanaf 16.50 uur door sectie B was in eerste instantie in het geheel geen proces-verbaal opgemaakt, hiervan is pas op 10 december 2015 proces-verbaal opgemaakt.

Wat de juiste versie is van het activiteitenjournaal is volgens de verdediging niet meer vast te stellen, zodat dit moet worden uitgesloten van het bewijs, primair wegens schending van artikel 359a Sv en/of artikel 6 EVRM, subsidiair omdat het niet betrouwbaar is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 8 november 2011 heeft verbalisant [verbalisant 1] , hoofdinspecteur van politie en teamleider van de groep Observatie en Techniek, proces-verbaal van bevindingen opgemaakt omtrent de observatieactiviteiten op 13 oktober 2010 vanaf 10.40 uur tot 16.50 uur. Zij heeft gerelateerd dat van deze observatie door de betrokken medewerkers een activiteitenjournaal is opgemaakt dat als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd. Het proces-verbaal van observatie en bijbehorend activiteitenjournaal/observatieverslag met fotobijlage zijn gevoegd in zaaksdossier 3 (pagina 47 en verder) en maken daarvan deel uit.

De waarnemingen zoals neergelegd in het activiteitenjournaal zijn gedaan door de betreffende observanten. Dit blijkt uit het verantwoordingsproces-verbaal van de teamleider, evenals uit het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris (r-c) op 8 december 2015 van N37, observant, tevens operationeel leidinggevende en sectiecommandant gedurende het laatste uur van de observatie (de rechtbank begrijpt: van 15.50 uur tot 16.50 uur). Observant N37 heeft bij de r-c verklaard dat op het moment dat de waarneming wordt gedaan, deze wordt doorgegeven en vastgelegd. De rapporteur legt vast en eenieder controleert en corrigeert zijn eigen waarneming. Als er bij een waarneming 2 nummers staan, dan is de waarneming door beide personen is gedaan. Een ieder tekent persoonlijk voor zijn of haar waarneming.

N37 heeft in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen nr. 101013.N45.Akutan.a.1. van 6 juni 2013 naar aanleiding van vragen van de verdediging verklaard: “Het gerelateerde tijdsverloop tussen het tijdstip van observatie en het opmaken van het proces-verbaal is verklaarbaar doordat er kopieën zijn gemaakt en dat er verbeteringen zijn aangebracht in een eerdere opgemaakt proces-verbaal (…)”. Daarnaar gevraagd heeft N37 bij de r-c verklaard dat hij/zij van de rapporteur weet dat er kopieën zijn gemaakt. Dat er verbeteringen zijn aangebracht is een aanname, dat heeft N37 niet zelf geconstateerd. Ten slotte verklaart N37 dat er tijdens deze inzet geen technische hulpmiddelen zijn gebruikt door het OT. N37 weet dat uit eigen wetenschap.

Observant N45 heeft op 9 december 2015 als getuige bij de r-c omtrent de observatie op 13 oktober 2010 verklaard dat hij/zij de notulist was die dag en de bevindingen van de collega’s heeft opgeschreven en uitgewerkt. Iedere observant doet zijn eigen waarnemingen en het nummer van de observant staat er in het activiteitenjournaal bij. Als meerdere mensen hetzelfde zien, wordt eenieders nummer vermeld. In dit specifieke geval heeft N45 zelf ook observaties verricht. N45 heeft [medeverdachte 8] tijdens de observatie om 13.00 herkend. N45 heeft de herkenning op dat moment gedaan, niet achteraf. Daar blijft N45 bij. Na 16.50 uur is er niets meer gedaan door sectie A, de observatie was op dat moment ten einde. Deze kan wel door sectie B zijn overgenomen.

Bij dit activiteitenjournaal is N45 de enige die de aanpassingen doet. Verbeteringen in het activiteitenjournaal zijn achteraf niet terug te herleiden, er vindt een overschrijving plaats van het document en er wordt geen tweede versie gemaakt. Wanneer de laatste aanpassingen zijn gedaan, dan wordt het afgesloten, getekend en is het klaar. Het is niet zo dat na het afsluiten van het activiteitenjournaal nog een keer bij N45 terug is gekomen. Of er in dit concrete geval verbeteringen zijn aangebracht, kan N45 zich niet herinneren. Wel kan N45 zich herinneren 1 of 2 jaar later iets gehoord te hebben over een activiteitenjournaal dat kwijt was en er is toen gevraagd of N45 een kopie had. N45 neemt aan dat er geen andere versie is van het activiteitenjournaal.

Anders dan de raadsman stelt, maakt de omstandigheid dat het observatieverslag en/of de fotobijlagen enkele malen aan het tactisch team zijn verstrekt, nog niet dat dit activiteitenjournaal onjuist en/of onvolledig zou zijn, noch dat daarin verbeteringen zijn aangebracht of er verschillende versies in omloop zijn geweest.

De rechtbank stelt vast dat zij slechts één versie van het activiteitenjournaal in het dossier Akutan heeft aangetroffen, namelijk in de zaaksdossiers 2 en 3, en dat uit de verklaringen van de getuigen niet kan worden afgeleid dat er verschillende versies in omloop zijn geweest, noch dat daarin verbeteringen zijn aangebracht. Uit het dossier kan enkel worden vastgesteld dat er kopieën zijn gemaakt van het verslag en dat het meermalen is aangeleverd aan het tactisch team. Voorts stelt de rechtbank vast dat het verslag een weergave vormt van de eigen waarnemingen van de observanten, dat zij geen afstand hebben genomen van hun waarnemingen en dat deze waarnemingen ook worden ondersteund door de fotobijlage bij het activiteitenjournaal. Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook indien er verbeteringen zouden zijn aangebracht, dit op zich nog geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid of betrouwbaarheid van het activiteitenjournaal.

De raadsman heeft aangevoerd dat er discrepanties zijn tussen de waarnemingen van 13 oktober 2010 zoals deze worden gerelateerd in de diverse BOB-aanvragen respectievelijk het activiteitenjournaal. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit valt te verklaren doordat de schriftelijke BOB-aanvragen pas later zijn gedaan - door andere verbalisanten dan de leden van het OT - op basis van mondelinge informatie toen het activiteitenjournaal nog niet gereed was. Veeleer is dan ook aannemelijk dat de in deze BOB-aanvragen opgenomen (mondelinge) informatie op details niet (volledig) juist was. Dit maakt echter niet dat de waarnemingen zoals opgenomen in het activiteitenjournaal van het OT onjuist of onbetrouwbaar zouden zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de in het activiteitenjournaal gerelateerde waarnemingen voor de verdachten minder belastend zijn dan wat in de BOB-aanvragen is opgenomen. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de bevindingen zoals neergelegd in het activiteitenjournaal van 13 oktober 2010.

De rechtbank verwerpt het verweer dat het observatieverslag/activiteitenjournaal en de daaruit volgende onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens onherstelbare schending van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv dan wel omdat deze onbetrouwbaar zouden zijn.

Van schending van artikel 6 van het EVRM wegens door de verdachte ondervonden nadeel respectievelijk het onvoldoende kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht met betrekking tot het observatieverslag is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt voorop dat het bevindingen van opsporingsambtenaren in een activiteitenjournaal betreft, als bijlage gevoegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de teamleider. De verdediging heeft de betrouwbaarheid daarvan afdoende kunnen toetsen en aanvechten. Op vragen van de verdediging zijn door de verbalisanten N08 en N37 aanvullende processen-verbaal opgemaakt, voorts zijn meerdere bij de observatie betrokken opsporingsambtenaren als getuige gehoord. Daarmee zijn de verdediging voldoende compenserende maatregelen geboden. De enkele omstandigheid dat N08 niet als getuige kon worden gehoord, doet hier niet aan af. Daarbij weegt de rechtbank mee dat geen van de door N08 gedane waarnemingen in het activiteitenjournaal concreet zijn betwist door de verdediging, het belastende karakter daarvan beperkt is en het voorts niet om het enige of substantiële bewijsmiddel gaat.

De rechtbank komt tot de slotsom er geen grond is voor uitsluiting van het bewijs van het activiteitenjournaal van 13 oktober 2010, sectie A. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2015, betreffende de observatie van sectie B op 13 oktober 2010 vanaf 16.50 uur. Het openbaar ministerie heeft het aanvullend proces-verbaal van bevindingen overgelegd ter terechtzitting van 15 december 2015, waarna het is toegevoegd aan het dossier.

De rechtbank stelt vast dat dit proces-verbaal, evenals het bevel bevoegdheden in een besloten plaats ex artikel 126k inzake [medeverdachte 8] , te laat zijn opgemaakt. In zoverre is sprake van een schending van de artikelen 152 Sv en 359a Sv. De rechtbank volstaat met de constatering van deze schending, nu niet is gebleken dat verdachte hierdoor in zijn belangen is geschaad.

Schending verbaliseringsplicht inzake de inzet van een technisch hulpmiddel?

In een brief van 30 mei 2012 aan de voorzitter van de Meervoudige Kamer heeft de toenmalig zaaksofficier inzake dossier Akutan medegedeeld dat een zogenaamde stealth-sms is ingezet, zoals verwoord in het “Algemeen dossier ten behoeve van de pro forma-zitting van 8 maart 2012”. Op pagina’s 40 059 en 40 060 van dit dossier wordt gerelateerd dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven om een technisch hulpmiddel in te zetten teneinde het geografisch werkgebied te kunnen vaststellen van een mobiele telefoon. Dit is, voor zover relevant, gebeurd op 13 oktober 2010 met betrekking tot het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 8] met nummer [06-nummer] (taplijn TT13) en ten aanzien van het telefoonnummer [06-nummer] (taplijn TT24), in gebruik bij [medeverdachte 2] . Dit blijkt uit voornoemd proces-verbaal. In het eindproces-verbaal Algemeen Dossier, Relaas proces-verbaal, pagina’s 40 13, evenals 40 53 en 40 54 wordt hieromtrent nader gerelateerd.

Voorts bevindt zich in het BOB-dossier van [verdachte] een proces-verbaal aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie (tap) ex de artikelen 126m en 126n Sv d.d. 15 oktober 2010 (pag. 81 577) , een combi-vordering ex 126m en n Sv van de officier van justitie van 15 oktober 2010 (pag. 81 584), evenals een bevel van de r-c ex artikel 126m Sv d.d. 15 oktober 2010, alle betreffende voormeld telefoonnummer van [medeverdachte 2] en ter bevestiging van het mondelinge bevel d.d. 13 oktober 2010.

In hetzelfde dossier bevindt zich een aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie (tap) verlenging ex artikel 126m en 126n Sv, vorderingen en bevelen van de officier van justitie en een machtiging ex artikel 126m van de r-c d.d. 5 oktober 2010, betreffende voormeld telefoonnummer [06-nummer] , in gebruik bij [medeverdachte 8] (pag. 81 467 t/m 81 473).

Nu omtrent de inzet van de stealth-sms, die heeft plaatsgehad op 13 oktober 2010 tussen 15.27 en 15.36 uur, toen de Ford Focus met kenteken [kenteken] niet meer onder controle was van het OT, uitvoerig en tijdig is gerelateerd in voormelde processen-verbaal, is van een schending van de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv geen sprake. Dat hiervan (tevens) in het activiteitenjournaal/observatieverslag melding had moeten worden gemaakt, zoals de verdediging stelt, is onjuist omdat uit het dossier genoegzaam blijkt dat hier sprake is geweest van een inzet door het tactisch team, en niet van het OT. Overigens gaat het hier om de verzending van ‘stille’ sms’jes van een zodanig korte duur dat het toezenden van deze sms-berichten slechts een beperkte inbreuk heeft gemaakt op de grondrechten van verdachten en niet zeer risicovol is geweest voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563). De bevoegdheid tot inzet van deze methode kan worden ontleend aan artikel 2 (oud) Politiewet en artikel 126aa Sv is hierop niet van toepassing.

De verweren van de verdediging worden verworpen en het activiteitenjournaal/verslag van de observatie van 13 oktober 2010, evenals de overigens verkregen onderzoeksresultaten in zaaksdossier 3, kunnen als rechtmatig verkregen en betrouwbaar tot het bewijs worden gebezigd.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen N08 en de teamleider van het onderzoek Akutan

Het verzoek tot het horen van de getuige N08 betreft een herhaald verzoek. Het verzoek wordt afgewezen, op de grond zoals geformuleerd ter zitting van 14 november 2016, inhoudende dat gezien de bevindingen van de rechter-commissaris omtrent getuige N08, het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen verschijnen. Het verzoek tot het horen van de teamleider van het onderzoek Akutan wordt afgewezen omdat de noodzaak daartoe ontbreekt, in het licht van de voorgaande overwegingen omtrent de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het activiteitenjournaal en de daarop volgende onderzoeksresultaten.

Anders dan door de verdediging is betoogd, wordt door deze beslissing geen inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank verwijst daarbij naar het hetgeen hiervoor is overwogen.

4.3.3.2 Bewijsoverwegingen

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij in de periode van 20 mei 2010 tot en met 14 oktober 2010 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet (feit 2 van 02/984812-10) en dat hij samen met anderen op 14 oktober 2010 500 gram respectievelijk 46,5 liter van een materiaal dat amfetamine bevat aanwezig heeft gehad (feit 3 van 02/984812-10). De officieren van justitie zijn van mening dat de tapgesprekken, de observaties en de aangetroffen goederen in de loods voldoende zijn om tot een bewezenverklaring hiervan te kunnen komen, zij het beperkt tot de periode van 5 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2010. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Op basis van de stukken in zaaksdossier 3 kan het volgende ten aanzien van [verdachte] worden vastgesteld:

  • -

    Op 5 oktober 2010 om 12.52 uur bellen [medeverdachte 1] en [verdachte] om af te spreken bij de “Witte” om 14.30 uur. Om 15.55 uur wordt de auto van [verdachte] gezien aan de [straatnaam] te Tilburg.

  • -

    Op 13 oktober 2010 om 11.36 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] . [verdachte] neemt niet op, waarna [medeverdachte 1] [medeverdachte 8] belt. Om 12.20 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 1] met de mededeling dat hij in het ziekenhuis is en dat hij [medeverdachte 1] belt als hij klaar is. Dezelfde dag om 15.02 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 2] en spreken ze af bij McDonalds.

  • -

    In de loods aan de [straatnaam] in Dongen werden documenten en goederen aangetroffen met daarop de naam van [verdachte] . Ook stonden er langs de linkerwand rijen met autobanden bestickerd met bedrijfsnamen welke verbonden zijn aan [verdachte] .

De rechtbank acht deze vaststellingen onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het medeplegen of alleen plegen door [verdachte] van zowel de voorbereidingshandelingen als het aanwezig hebben van amfetamine. Het enkele feit dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is hiertoe onvoldoende. Uit niets is immers gebleken dat deze contacten verband hielden met wat is aangetroffen in de loods dan wel de productie van synthetische drugs. Ook het feit dat er goederen van [verdachte] in de door zijn stiefvader [medeverdachte 8] gehuurde loods zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Niet gebleken is dat [verdachte] in het bezit was van een sleutel van de loods en uit de getuigenverklaringen is ook niet gebleken of en zo ja, wanneer, [verdachte] deze goederen in de loods heeft gezet. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van amfetamine en grondstoffen voor de productie van synthetische drugs in de loods.

De rechtbank zal [verdachte] daarom integraal vrijspreken van de feiten tenlastegelegd onder zaaksdossier 3.

4.3.4

Zaaksdossier 4 (feit 5 van 02/984812-10)

Op 8 maart 2011 werd er door het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) een rechtshulpverzoek van de Duitse justitie ontvangen met betrekking tot [medeverdachte 7]2. Er was een verdenking jegens [medeverdachte 7] dat deze wekelijks meerdere malen 1 tot 5 kilo amfetamine en marihuana vanuit Nederland naar Duitsland invoerde. Uit tapgesprekken bleek [medeverdachte 7] contact te hebben met verdachte, [verdachte]3.

Op 23 maart 20114 werd aan het onderzoeksteam wederom een rechtshulpverzoek ter hand gesteld naar aanleiding van onderzoeksbevindingen van dat moment. Uit onderzoek telecommunicatie en uit observatie was gebleken dat [medeverdachte 7] vermoedelijk in Nederland was voorzien van een partij verdovende middelen door zijn vermoedelijke leverancier en dat hij die vermoedelijk zou gaan afleveren in Essen (Duitsland).

Hierop werd een observatie gestart bij de woning van [medeverdachte 7] . Uit de observatiegegevens en de tapgesprekken bleek het volgende.

22 maart 2011

Op 22 maart 2011 omstreeks 15:50 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 7] die vraagt waar [verdachte] is5. [verdachte] zegt dat hij in Tilburg is, zo naar Breda gaat en daarna naar Sint Willebrord moet. [medeverdachte 7] zegt dat hij [verdachte] wil spreken. [medeverdachte 7] zegt dat hij [verdachte] eerder moet spreken en dat het belangrijk is.

23 maart 2011

Op 23 maart 2011 omstreeks 12:41 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 7]6. [medeverdachte 7] zegt dat hij nog thuis is, ze spreken af over anderhalf uur in Tilburg en dat [medeverdachte 7] [verdachte] moet bellen als hij in de buurt is.

Om 13:15 uur wordt een Opel Astra met kenteken [kenteken] gezien voor het clubhuis van Satudarah aan de [straatnaam] in Tilburg7. Om 13:35 uur staat deze Opel Astra er niet meer.

[verdachte] wordt om 13:42 gebeld door [medeverdachte 8]8 waarbij de telefoon van [verdachte] aanstraalt in de directe omgeving van de [straatnaam] in Tilburg9.

Op camerabeelden is te zien dat omstreeks 13:47 uur een man met vermoedelijk een tas naar de Opel Astra bij de garagebox in de [straatnaam] liep en op de bestuurdersstoel plaatsnam en wegreed10. Om 13:48 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 7] die dan nog thuis is11. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 7] hem over 5 minuten moet terugbellen want dan zit hij op de snelweg. Om 13:54 uur belt [medeverdachte 7] naar [verdachte]12. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 7] in de auto moet stappen, ze spreken af bij de MacDonalds in de buurt van [verdachte] . Om 13:58 uur belt [medeverdachte 7] naar [verdachte] en zegt dat zijn auto niet start13. [verdachte] zegt naar [medeverdachte 7] te zullen rijden. Om 14:28 uur staat de Opel Astra met kenteken [kenteken] , waarin [verdachte] op de bestuurdersplaats zit, geparkeerd nabij het portiek dat onder andere toegang geeft tot de [straatnaam] in Oudenbosch14, het adres waar [medeverdachte 7] verbleef15. [verdachte] belt aan bij het genoemde portiek en heeft een platte schoudertas op zijn rug en een witte plastic tas met teksten of opdruk in een blauwe kleur. De tas lijkt een doos te bevatten van ongeveer 50 cm bij 40 cm bij 30 cm. Omstreeks 14:35 uur is de Opel Astra met kenteken [kenteken] vanaf de parkeerplaats op de [straatnaam] in Oudenbosch vertrokken. Omstreeks 15:15 uur komt [medeverdachte 7] uit het genoemde portiek16 en omstreeks 15:18 uur staat [medeverdachte 7] bij de geopende motorkap van de Chevrolet Avalanche met kenteken [kenteken] .

24 maart 2011

Op 24 maart 2011 omstreeks 01:51 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 7]17. [medeverdachte 7] zegt dat hij in Venlo bij Van der Valk is en dat derde niets van zich laat horen en dat hij denkt dat derde problemen heeft. Hij zegt tegen [verdachte] dat derde heus wel komt, 100%. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 7] het hem over een half uurtje wil laten weten. Omstreeks 04:45 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij dacht dat [medeverdachte 7] hem een sms zou sturen18. [medeverdachte 7] zegt dat hij met zijn Duitse nummer heeft ge-sms’t. [verdachte] zegt dat hij niets heeft ontvangen. [verdachte] zegt dat hij onderweg is en naar de Reeshof gaat. Om 15:07 uur sms’t [medeverdachte 7] naar [verdachte] dat hij bij de douane zit19. [medeverdachte 7] sms’t om 16:42 uur naar [verdachte] dat hij met het rijbewijs van zijn broertje is betrapt op de grens en dat hij zo weg kan20.

Om 17 uur wordt gezien dat [medeverdachte 7] bij een tankstation aan de A67 een plastic tas, kleur wit met wat blauw, uit de auto pakt waarmee hij was gekomen en deze tas in de prullenbak gooit21. Deze tas is door de politie veiliggesteld en overgedragen aan FTO22. De tas is bemonsterd en kreeg als kenmerk AABF9141NL23. De tas bevatte een andere plastic tas met als opdruk Trekpleister, een leven lang vitaal (AABF9141NL-A) en een transparante onderzoekshandschoen (AABF9141NL-B)24. De Trekpleister plastic tas is door het NFI onderzocht en hierop is amfetamine en coffeïne aangetroffen. De handschoen bevatte ook (lage concentraties) amfetamine en coffeïne.

Om 17:51 uur wordt gezien dat [medeverdachte 7] de grensovergang van Venlo met Duitsland passeert25.

Om 18:11 uur sms’t [medeverdachte 7] naar [verdachte] dat hij in Venlo op de grens is en dat hij elk moment weg kan26.

De Duitse autoriteiten hebben [medeverdachte 7] op 24 maart 2011 om 18:51 uur aangehouden op verdenking van drugshandel27. Hij bleek 4,767 kilo amfetamine te hebben verstopt in zijn auto2829.

Om 19:33 uur die dag voert [verdachte] een gesprek met een onbekend gebleven persoon en zegt dat hij onderweg is naar Venlo30. Om 19:35 uur laat [verdachte] aan zijn partner [partner verdachte] weten dat hij in Venlo moet zijn31. [partner verdachte] zegt dat ze niets meer heeft. [verdachte] geeft aan dat hij ook niets meer heeft en dat je dat krijgt als mensen hun afspraken niet nakomen. [verdachte] zegt dat zodra hij wat heeft, hij het komt brengen naar [partner verdachte] .

Op 12 april 2012 is [medeverdachte 7] gehoord32. Hij verklaarde dat hij in de [straatnaam] te Oudenbosch woonde en dat hij “ [verdachte] ” uit Breda kende. Hij herkende [verdachte] op een getoonde foto als deze “ [verdachte] ”. [medeverdachte 7] verklaarde dat [verdachte] twee of drie keer bij hem in Oudenbosch is geweest. Toen [medeverdachte 7] naar Duitsland was gereden had hij dezelfde plastic zak bij zich als die [verdachte] hem had gebracht. Hij had de inhoud van de plastic tas, de amfetamine, in de auto verstopt in de autohemel. Hij heeft de plastic tas weggegooid bij een tankstation omdat deze stonk en is vervolgens naar Duitsland doorgereden. [medeverdachte 7] had 5 kilo amfetamine besteld bij [verdachte] voor 1200 euro per kilo en kreeg deze zonder vooruit te betalen. Hij zou de amfetamine voor 1500 euro per kilo verkopen aan een bekende.

De rechtbank ziet in wat de verdediging heeft betoogd met betrekking tot de wijze van horen van [medeverdachte 7] geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze belastende verklaring van [medeverdachte 7] . Deze wordt immers voldoende ondersteund door de diverse (hierboven genoemde) processen-verbaal van observaties en telefoontaps, zodat naar het oordeel van de rechtbank vast staat dat [verdachte] de bij [medeverdachte 7] aangetroffen 4,767 kilo amfetamine heeft geleverd. De rechtbank vindt 4,76 kilo overeenkomen met de ongeveer 5 kilo zoals in de tenlastelegging is opgenomen.

Door de verdediging is betwist dat [verdachte] wetenschap had van, en derhalve geen opzet had op, de uitvoer van de amfetamine. De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

Omstreeks de tijd dat [medeverdachte 7] de grens met Duitsland passeerde, hadden [verdachte] en [medeverdachte 7] veelvuldig (sms-)contact. Daarbij blijkt uit het getapte gesprek met [medeverdachte 10] dat [verdachte] op het moment dat [medeverdachte 7] al was gearresteerd, naar Venlo, een grensovergang met Duitsland, rijdt, kennelijk om iets op te halen wat hem volgens afspraak was toegezegd. Hieruit, in samenhang bezien met de verklaring van [medeverdachte 7] dat hij de amfetamine bij [verdachte] had besteld zonder vooruit te betalen, leidt de rechtbank af dat [verdachte] naar Venlo is gereden om zijn geld, de opbrengst van de geleverde amfetamine bij [medeverdachte 7] op te halen. Bovendien heeft [medeverdachte 7] , voorafgaande aan het verhoor door de Duitse opsporingsambtenaren, verklaard dat [verdachte] op basis van hun vriendschappelijke relatie en gedane afspraken heel goed moet hebben geweten dat hij met de amfetamine naar Duitsland zou rijden om die daar te verkopen33. Daarmee acht de rechtbank opzet, ook op de uitvoer van de amfetamine, wettig en overtuigend bewezen. Ook blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 7] bij de uitvoer van de amfetamine, zodat er sprake is van medeplegen.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 7] op 23 en 24 maart 2011 opzettelijk ongeveer 5 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

4.3.5

Zaaksdossier 11 (02/984839-12)

[verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden verdacht van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet die – kort gezegd – bestonden uit de levering door [medeverdachte 3] aan [verdachte] en [medeverdachte 2] van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs.

Eind 2010, begin 2011, maakte [verdachte] gebruik van een personenauto, BMW, kenteken [kenteken] . Deze werd voorzien van een peilbaken. Uit de daaruit gegenereerde gegevens bleek dat dit voertuig op 22 oktober 2010 en 1 december 2010 enige tijd stil had gestaan op de [straatnaam] ter hoogte van nummer 71 en 75 te Eindhoven.34 Aan de hand van bakengegevens en tapgesprekken is gezocht naar een locatie in de buurt van [straatnaam] 71-75 te Eindhoven. Uit informatie van de Kamer van Koophandel bleek dat op het adres [straatnaam] 77 te Eindhoven was gevestigd: Chemical Trading Eindhoven (CTE), met als bestuurder [medeverdachte 3] .35

Het volgende werd geconstateerd aan de hand van tapgesprekken en observaties:

Op 17 januari 2011 omstreeks 20:30 uur stond de BMW met kenteken [kenteken] , waarin omstreeks 19:54 uur [verdachte] en [medeverdachte 2] nog waren gezien, geparkeerd aan de [straatnaam] te Eindhoven ter hoogte van het perceel op nummer 7136.

Op 30 maart 2011 omstreeks 18:55 uur werd gezien dat een Opel Astra met kenteken [kenteken] geparkeerd stond voor het perceel [straatnaam] 77 te Eindhoven37. In deze Opel Astra was [verdachte] op 23 maart 2011 gezien, zittend op de bestuurdersstoel38.

Op 13 april 2011 omstreeks 22:30 uur werd het telefoonnummer op naam van CTE gebeld door het telefoonnummer op naam van [verdachte]39.

Op 14 april 2011 omstreeks 18:18 uur werd met het telefoonnummer op naam van [verdachte] gebeld naar het telefoonnummer op naam van [naam vriendin medeverdachte 3] (de vriendin van [medeverdachte 3]40) aan de [straatnaam] 77 te Eindhoven41.

Op 7 juni 2011 omstreeks 19:27 uur was [verdachte] de bestuurder van een Kia Ceed met kenteken [kenteken] en [medeverdachte 2] de bestuurder van een bestelauto Renault Traffic met kenteken [kenteken]42. Beide voertuigen reden omstreeks 19:39 uur de carpoolplaats in Gilze op, [verdachte] stapte uit en stapte als passagier in de Renault Traffic en dit voertuig reed weg. Omstreeks 20:15 uur stond de Renault Traffic geparkeerd op de oprit van het perceel [straatnaam] 77 te Eindhoven43. De achterzijde stond tegen de garage en de schuifdeur was geopend. (Om 20:20 uur stond op de oprit van [straatnaam] 77 een bedrijfsvoertuig Ford Transit [kenteken] .) Om 21:15 uur reed de Renault Traffic richting Tilburg en kwam om 21:30 uur aan op de carpoolplaats in Gilze. [verdachte] stapte uit de Renault Traffic en liep naar de Kia Ceed en stapte daar als bestuurder in en reed weg. De Renault Traffic reed achter hem aan. Om 21:42 uur werden beide voertuigen geparkeerd in Tilburg. [verdachte] en [medeverdachte 2] laadden omstreeks 21:47 uur meerdere dozen uit de laadruimte van de Renault Traffic en zetten deze in de garage van het perceel [straatnaam] 2 te Tilburg.

Op 9 augustus 2011 reden [verdachte] en [medeverdachte 2] in een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] , die tussen 19:00 uur en 19:15 uur voor de uitrit van [straatnaam] 77 te Eindhoven stilstond44.

Uit een tap op het internetverkeer dat verloopt via de aansluiting op het adres [straatnaam] 77 te Eindhoven komt naar voren dat op 9 augustus 2011 om 19:04 uur op het internet wordt gezocht naar het woord of de samenstelling van letters "BMK" (benzylmethylketon)45.

Op 13 oktober 2011 omstreeks 19:15 uur stond een Audi met kenteken [kenteken] voor de woning [straatnaam] 77 te Eindhoven46. Om 19:55 uur werd gezien dat [medeverdachte 2] de bestuurder was van de Audi en [verdachte] de bijrijder.

[medeverdachte 2] belde op 27 oktober 2011 naar [medeverdachte 3] , waarbij werd gesproken over een bestelling en over de betaling47.

Op 3 november 2011 omstreeks 19:22 uur arriveerde [medeverdachte 2] in een donkere Volkswagen Passat bij de woning van [medeverdachte 3] aan de [straatnaam] 77 te Eindhoven en werd binnengelaten48.

Op 30 november 2011 werd de woning van [medeverdachte 3] aan de [straatnaam] 77 te Eindhoven doorzocht. In de bedombouw werden facturen gevonden van contant afgerekende chemicaliën, die gebruikt konden worden voor de vervaardiging van synthetische drugs49, door [medeverdachte 3] zelf aangeduid als zijn “zwarte boekhouding”. In de laadruimte van een bestelbus Ford Transit met kenteken [kenteken] die voor de woning stond, werden 11 volle jerrycans, waarvan 1 met restanten BMK gevonden.50

[medeverdachte 3] heeft een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot het onderhandelen over, voorhanden hebben en verkopen van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs. Hij heeft verklaard dat hij over een lange periode chemicaliën heeft geleverd aan twee mannen, die hij van getoonde foto’s herkent als [medeverdachte 2] en [verdachte] . Hij heeft onder andere de volgende stoffen aan hen geleverd: aceton, methanol, zoutzuur en mierenzuur. Wat hij niet in huis had, bestelde hij. Ze zijn ongeveer 8 tot 10 keer geweest; [medeverdachte 2] was er altijd bij, [verdachte] ongeveer twee keer. Hij wist - in ieder geval na de eerste levering - wel dat met deze chemicaliën vermoedelijk drugs gemaakt zouden worden. Zij hebben ook een keer gevraagd of hij BMK kon leveren.51 De bestelde goederen stonden bij hem in de garage of in zijn bestelauto.52

In de eerder genoemde bedombouw van [medeverdachte 3] werd ook een A4-papier gevonden met daarop een groot aantal (getypte) namen van chemicaliën met daarop handgeschreven aantekeningen53. Bij [medeverdachte 2] is op 30 november 2011 een document in beslag genomen dat zeer grote gelijkenis vertoonde met het document dat bij [medeverdachte 3] was aangetroffen. Bij [medeverdachte 2] werd een origineel aangetroffen, een met blauwe en rode pen geschreven papier. Bij [medeverdachte 3] betrof het een kopie in zwarte inkt54. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het document dat bij hem is aangetroffen een soort boodschappenbriefje was en dat de handgeschreven tekst van hem was. Dat betrof dan een prijsindicatie en of de goederen leverbaar waren door hem. Het commentaar was bedoeld om aan de mannen te geven op het moment dat ze weer bij hem waren55. Dit boodschappenlijstje kreeg hij van [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Volgens het Expertisecentrum synthetische drugs en precursoren56 zijn op het “boodschappenlijstje” alle chemicaliën genoemd die nodig zijn voor de productie van MDMA en amfetamine, behalve formamide en de precursoren PMK en BMK. Verder zijn er chemicaliën genoemd die men nodig heeft bij de omzetting van (iso)safrol naar PMK en van pre-precursoren naar BMK.

De bekennende verklaring van [medeverdachte 3] wordt ondersteund door de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Dit leidt de rechtbank ertoe dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat alle drie verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen. [medeverdachte 3] onderhandelde met [verdachte] en [medeverdachte 2] over de levering van de chemicaliën, die hij bestelde en tijdelijk opsloeg in zijn auto. De rechtbank acht ook bewezen dat de drie mannen wisten dat zij met hun handelingen de productie van drugs bevorderden. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij dit in ieder geval na de eerste levering wist, maar de rechtbank gaat ervan uit dat hij dit, gezien zijn eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, al bij de eerste levering moet hebben geweten. Gelet op de aard van de stoffen op het “boodschappenlijstje” staat voor de rechtbank vast dat ook [verdachte] en [medeverdachte 2] wisten dat het stoffen voor de productie van hard drugs betrof. Immers blijkt uit de tapgesprekken, observaties en de aangetroffen papieren dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op meerdere momenten bij [medeverdachte 3] langs zijn geweest en dat zij middels een “boodschappenlijst” bestellingen deden. Opvallend is nog dat door [medeverdachte 3] in aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 2] op 9 augustus 2011 op internet is gezocht naar de zoekterm “BMK”, de stof die ontbrak op het “boodschappenlijstje”.

Voor het leveren van zwavelzuur, chloroform, natriumboorhydride en benzoylchloride aan [verdachte] en [medeverdachte 2] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Deze staan wel op het “boodschappenlijstje”, maar uit de verklaring van [medeverdachte 3] blijkt alleen van daadwerkelijke levering van aceton, methanol, zoutzuur en mierenzuur, zodat de bewezenverklaring daartoe beperkt blijft.

De rechtbank concludeert voorts dat er sprake is geweest van medeplegen, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Dit baseert de rechtbank onder andere op de hiervoor genoemde observaties en de tapgesprekken. Hieruit blijkt dat verdachten hebben samengewerkt bij de onderhandelingen over de chemicaliën, alsmede de levering en opslag hiervan, waarbij ieder een eigen rol heeft vervuld.

Nu het peilbaken op de BMW [kenteken] , in gebruik bij [verdachte] , deze auto al op 22 oktober 2010, 1 december 2010 en 15 januari 2011 in de nabijheid van [straatnaam] 77 in Eindhoven registreerde57 en [medeverdachte 3] zelf heeft verklaard dat hij vanaf begin 2011 zaken deed met [verdachte] en/of [medeverdachte 2] ,58 gaat de rechtbank uit van een bewezenverklaarde periode vanaf 1 januari 2011.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij ook chemicaliën opsloeg in een garage aan de [straatnaam] in Helmond. Dat [verdachte] en [medeverdachte 2] van deze opslagplaats op de hoogte waren is niet gebleken uit het dossier, zodat zij daarvan worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] onderhandelingen heeft gevoerd met [medeverdachte 3] over leveringen van chemicaliën en grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs en deze chemicaliën ook heeft voorhanden gehad en verkocht en het pand in de [straatnaam] 77 te Eindhoven heeft gebruikt voor de opslag van de chemicaliën.

4.3.6

Zaaksdossier 31 (02/984839-12)

De officieren van justitie hebben ter zitting aangegeven dat ten aanzien van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] zaaksdossier 11 en zaaksdossier 31 onder één feit ten laste zijn gelegd. Gelet op de wijziging van de tenlastelegging, die enkel betrekking heeft op zaaksdossier 11, moet de tenlastelegging aldus begrepen worden dat specifiek bedoeld is om enkel zaaksdossier 11 ten laste te leggen aan [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Nu de officieren van justitie op dit punt geen wijziging tenlastelegging hebben ingediend, en overigens geen standpunt hebben ingenomen ten aanzien van het bewijs, dient de rechtbank te beoordelen of de bestanddelen in de tenlastelegging die zien op zaaksdossier 31 wettig en overtuigend bewezen zijn.

De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is, aangezien wettig en overtuigd bewijs van betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de vermeende voorbereidingshandelingen, voor zover die zien op zaaksdossier 31, ontbreekt. Het in dit zaaksdossier neergelegde vermoeden dat [verdachte] en [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] chemicaliën en hardware hebben geleverd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA wordt op geen enkele wijze met concrete bewijsmiddelen ondersteund. Daarom zullen [verdachte] en [medeverdachte 2] worden vrijgesproken van zaaksdossier 31.

4.3.7

Zaaksdossier 20 (feit 6 van 02/984812-10)

Aan [verdachte] is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Subsidiair is [verdachte] ten laste gelegd dat sprake is geweest van het medeplegen van witwassen van een aantal specifiek benoemde geldbedragen.

Toetsingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

Bij de beoordeling van het verwijt jegens [verdachte] gaat de rechtbank ervan uit dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is. Dit is ook niet betoogd door de officier van justitie of de verdediging en volgt evenmin uit het dossier. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling.

Het (impliciet) primair tenlastegelegde

De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het onder feit 6 primair tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 68.800,-.

Dit bedrag is de uitkomst van de door de politie opgestelde vermogensvergelijking. Er is onderzoek gedaan naar de inkomsten en uitgaven van [verdachte] over de periode van 1 januari 2005 tot 30 november 2011. Daarvan is een “proces-verbaal van bevindingen inzake ‘vermogensvergelijking’ van B. [verdachte] ” opgemaakt (pag. 20 409 ev), met daarachter in een tabel een cijfermatige onderbouwing (pag. 20 413 e.v). In deze tabel zijn opgenomen het totaalbedrag van de bezittingen minus de schulden van [verdachte] en zijn partner [medeverdachte 10] (het vermogen), de totale (legale) netto inkomsten van verdachte en [medeverdachte 10] en de benoemde posten (uitgaven), gebaseerd op onder meer bankgegevens. Het verschil tussen het besteedbaar inkomen en de uitgaven wordt vervolgens “netto-privé” genoemd. Ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 10] is vervolgens geconstateerd dat over de jaren 2008 tot en met 30 november 2011 sprake is van een negatief netto privé van € 42.525,-. Indien rekening gehouden wordt met nog niet in het overzicht opgenomen uitgaven voor eerste levensbehoeften, zou het totaal aan onverklaarbare uitgaven uitkomen op een bedrag van € 68.800,- (pag. 20 017). Over de jaren waarin sprake is van een negatief netto-privé duidt dit volgens het proces-verbaal van de politie op ‘onverklaarbare ontvangsten’, aangezien kennelijk meer is uitgegeven dan feitelijk kan worden verklaard of aangetoond middels (legale) inkomsten.

Genoemd bedrag van € 68.800,-- is aan [verdachte] ten laste gelegd als zijnde van misdrijf afkomstig. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het beschikbare bewijsmateriaal evenwel niet zonder meer dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat de opgestelde vermogensvergelijking een negatief verschil kent leidt niet zonder meer tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is. Daarvoor bestaan er te veel onduidelijkheden in deze opstelling. Kennelijk, zo blijkt uit de vermogensvergelijking, was in het eerste jaar van onderzoek, 2007, sprake van een positief netto-privé van € 27.826,22. Dit bedrag is niet verdisconteerd in de jaren erna, terwijl onvoldoende uit het dossier naar voren komt dat dit positief netto-privé bedrag al was opgebruikt voor 2008. Ook is er onvoldoende duidelijkheid over de bedragen die [medeverdachte 10] heeft ontvangen van haar ex-echtgenoot [ex-echtgenoot medeverdachte 10] . Wel staat vast dat [medeverdachte 10] in 2007 een afkoopsom van € 50.000,- heeft ontvangen, maar niet duidelijk is of het in het proces-verbaal uitgesproken vermoeden dat dit bedrag in 2007 en 2008 geheel is uitgegeven juist is. Verder komen de verklaringen van [medeverdachte 10] en [ex-echtgenoot medeverdachte 10] over de alimentatie voor de kinderen niet overeen. Mede omdat [ex-echtgenoot medeverdachte 10] stelt de alimentatie contant aan de kinderen zelf te betalen, is er onvoldoende duidelijkheid hierover.

De rechtbank is daarom van oordeel dat als gevolg van deze complicerende factoren het bewezen te verklaren bedrag op basis van de vermogensvergelijking niet kan worden bepaald.

Het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde

Subsidiair is [verdachte] onder feit 6 ten laste gelegd dat sprake is geweest van het medeplegen van witwassen van een aantal specifiek benoemde geldbedragen. Ter beoordeling staat of [verdachte] zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het (bij wege van gewoonte) witwassen van de volgende bedragen:

  • -

    een geldbedrag van € 62.917,- (contante stortingen)

  • -

    een geldbedrag van € 2.883,93 (contante aankoop bij de [naam winkel] )

  • -

    een geldbedrag van € 3.929,50 (contante uitgaven bij [autoverhuur] )

Financiële verwevenheid tussen [verdachte] en [medeverdachte 10]

Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 10] , geboren op 2 juni 1973, de moeder is van de zoon van [verdachte] , geboren op 18 augustus 2008, en dat het woonadres van [medeverdachte 10] en haar kind [straatnaam] 29 te Breda is59. [medeverdachte 10] heeft bij de politie verklaard, op de vraag of zij samenwoont met [verdachte] , dat zij denkt dat dat vanaf de zomer van 2007 is geweest, dat ze [verdachte] toen leerde kennen en dat hij vanaf dat tijdstip is blijven slapen60. [verdachte] is op 30 november 2011, om 06:00 uur aangehouden in de woning aan de [straatnaam] 29 te Breda61. In het dossier zitten tapgesprekken tussen [medeverdachte 10] en [verdachte] , waarin gesproken wordt over financiële zaken en/of financiële bijdragen van [verdachte] aan [medeverdachte 10]62, met verwijzingen naar de verschillende tapgesprekken). Gelet op deze feiten en omstandigheden, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 10] en [verdachte] samenwoonden vanaf de zomer van 2007 tot aan de aanhouding van [verdachte] en dat zij samen een duurzame gezamenlijke huishouding vormden en kunnen worden gezien als een economische eenheid. Daarom worden financiële handelingen van [verdachte] door de rechtbank mede toegerekend aan [medeverdachte 10] en andersom.

Contante stortingen tot een bedrag van € 62.917,-

[medeverdachte 10] heeft een Rabo-bankrekening met nummer [rekeningnummer] . [medeverdachte 10] heeft verklaard dat [verdachte] gebruik kan maken van haar pasje63. Rabobank Nederland heeft bankafschriften van dat rekeningnummer overgelegd over de periode 14 augustus 2007 tot en met 18 oktober 201164. Uit onderzoek blijkt dat over de periode van 31 augustus 2007 tot aan 26 augustus 2011 in totaal € 62.917,60 contant is gestort op de bankrekening van [medeverdachte 10] . [medeverdachte 10] en [verdachte] hebben deze geldbedragen aldus in de tenlastegelegde periode voorhanden gehad.

De stelling van de verdediging dat vastgesteld moet worden dat [verdachte] die stortingen zelf heeft verricht wordt gepasseerd. Dat is niet relevant voor de vraag of [verdachte] en [medeverdachte 10] de bedragen voorhanden hebben gehad. De rechtbank overweegt daarover nog het volgende. Uit de door de Rabobank overgelegde bankafschriften blijkt dat de contante stortingen telkens geschieden met pasnummer 002. Bij de stortingen staat geen tegenrekening vermeld, zodat moet worden uitgesloten dat de stortingen door een ander dan de pashouder van het betreffende rekeningnummer zijn gedaan. [medeverdachte 10] heeft daarover verklaard, zoals hiervoor al is aangegeven, dat zijzelf en [verdachte] gebruik konden maken van haar pas.

Contante aankoop bij [naam winkel] :

Op 30 november 2011 heeft op het adres [straatnaam] 29 te Breda een doorzoeking plaatsgevonden. Er zijn daarbij twee facturen met bijbehorende kassabon d.d. 13 juni 2009 aangetroffen van [naam winkel] Breda tot een bedrag van € 2.883,93. Het betreft de contante aankoop van twee elektronische apparaten65. [medeverdachte 10] en [verdachte] hebben aldus deze contante bedragen omgezet.

Contante uitgaven bij [autoverhuur]

Op 30 november 2011 is bij [autoverhuur] te Tilburg een gedeelte van de (digitale) administratie van 2005 tot en met 30 november 2011 in beslag genomen, waaronder facturen in relatie tot de verhuur van auto’s, huurovereenkomsten en de kasadministratie. Uit deze administratie is af te leiden dat [verdachte] in de periode 2010 – 2011 voertuigen heeft gehuurd en de verschuldigde huur tot een totaalbedrag van € 3.929,50 contant heeft voldaan. De betreffende facturen zijn op naam van [verdachte] gesteld.66Aldus hebben [verdachte] en [medeverdachte 10] deze contante bedragen omgezet.

Het vermoeden van witwassen en het ontbreken van een verklaring van [verdachte] en [medeverdachte 10]

Gelet op het bovenstaande kan vastgesteld worden dat [verdachte] en [medeverdachte 10] binnen de tenlastegelegde periode de genoemde bedragen (tot een totaalbedrag van € 69.730,43) voorhanden hebben gehad en/of omgezet. Beoordeeld moet vervolgens worden of deze bedragen van misdrijf afkomstig waren, zoals is tenlastegelegd.

De politie heeft, zoals hiervoor al is overwogen, een vermogensvergelijking opgesteld. Daarbij is onder meer onderzoek gedaan naar de legale inkomsten van [verdachte] en [medeverdachte 10] over de tenlastegelegde periode. Volgens opgave van de belastingdienst zijn met betrekking tot [verdachte] en [medeverdachte 10] over de jaren 2005 tot en met 2011 geen loon- en/of uitkeringsgegevens voorhanden. Ook zijn van [verdachte] geen andere financiële gegevens, zoals over bankrekeningen, rente etc. bekend. Tenslotte hebben [verdachte] en [medeverdachte 10] volgens opgave van de belastingdienst geen onroerende zaken in eigendom67. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat zij sinds haar scheiding van [ex-echtgenoot medeverdachte 10] (3 oktober 2007) heeft geleefd van de alimentatie die zij heeft ontvangen van hem. Hij heeft haar uitgekocht voor € 50.000,- en ze krijgt sinds de scheiding in totaal, inclusief kinderalimentatie, € 600,- per maand van haar ex-echtgenoot68.

In de tabel vermogensvergelijking is met deze betalingen rekening gehouden, zij het dat voor de maandelijkse alimentatie is uitgegaan van € 400,- per maand, conform de verklaring van [ex-echtgenoot medeverdachte 10] . Uit de tabel vermogensvergelijking volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de herkomst van de ten laste gelegde grote contante stortingen en uitgaven op grond van de legale inkomstengegevens van [verdachte] en [medeverdachte 10] niet verklaarbaar is, ook niet indien rekening gehouden wordt met de alimentatiebetalingen. De uitgaven zijn ook dan veel hoger dan de legale inkomsten. Er moet dus een andere (onbekende) inkomstenbron zijn geweest.

[verdachte] heeft ook antecedenten op het gebied van Opiumwetdelicten.

Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen die [verdachte] en [medeverdachte 10] voorhanden hebben gehad en/of omgezet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dus mag van [verdachte] en [medeverdachte 10] worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst daarvan. [verdachte] en [medeverdachte 10] hebben echter geen enkele verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen. Het kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat deze onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat [verdachte] en [medeverdachte 10] dit ook wisten. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachte is komen vast te staan.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 10] heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen.

Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad, hetgeen met name volgt uit de hoeveelheid contante stortingen, dat de rechtbank ook bewezen acht dat [verdachte] en [medeverdachte 10] van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 420bis sub a (het verhullen en verbergen) acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij daarvan partieel wordt vrijgesproken.

4.3.8

Zaaksdossier 27 (feit 4 van 02/984812-10)

Verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] is ter zake van zaaksdossier 27 ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging in de periode van 22 november 2010 tot en met 24 november 2010 voorbereidingshandelingen hebben verricht voor de productie van synthetische drugs, meer in het bijzonder - kort gezegd - dat zij BMK voorhanden hebben gehad.

Uit de tapgesprekken en de observatiegegevens kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld.

Op 22 november 2010 belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en spreken zij af elkaar de volgende dag bij de koffie te ontmoeten. Die avond belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 9] en geeft [medeverdachte 9] aan dat hij het fijn zou vinden als [medeverdachte 1] hem morgen iets kan vertellen. [medeverdachte 1] geeft aan er nog mee bezig te zijn en ze spreken de volgende dag om 10.00 uur af “at the coffee” (bij de koffie). De volgende dag, 23 november 2010, vindt er omstreeks 10.00 uur een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] op het [straatnaam] te Tilburg. Na deze ontmoeting vindt er omstreeks 11.15 uur een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Omstreeks 16.59 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 9] om een ontmoeting die avond te annuleren en te verplaatsen naar de volgende dag, 24 november 2010. [medeverdachte 9] reageert vervolgens met: ”Shit, ik heb geld nodig.” [medeverdachte 1] geeft aan dat dat het probleem is en dat hij aan het wachten is. Op 24 november 2010 omstreeks 14.00 uur heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact met [medeverdachte 9] en ze spreken af dat [medeverdachte 1] binnen een uur naar Eindhoven gaat om te praten en alles in orde te maken. Omstreeks 16.22 uur ontmoeten zij elkaar nabij het [straatnaam] . Na deze ontmoeting belt [medeverdachte 1] met [verdachte] en wordt [verdachte] gezegd naar de “Witte” te gaan. Vervolgens belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] en gaan zij beiden naar de [straatnaam] te Tilburg. Even later rijden [verdachte] en [medeverdachte 2] in een gehuurde Ford Focus personenauto met kenteken [kenteken] naar de carpoolplaats te Nederweert, alwaar ook [medeverdachte 12] aanwezig is. Vervolgens rijdt de huurauto [kenteken] weg, om na 10 minuten weer terug te keren, waarna de auto weer wordt overgedragen aan [verdachte] en [medeverdachte 2] . De gehuurde auto rijdt vervolgens naar de [straatnaam] te Tilburg.

De rechtbank constateert opvallende gelijkenissen met de gebeurtenissen in zaaksdossier 3. Na de ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] , gaat er een gehuurde auto naar een carpoolplaats waar [medeverdachte 12] aanwezig is. De gehuurde auto verlaat daarna de carpoolplaats waarna deze enkele minuten later terug keert en wordt overgedragen aan, in dit geval, [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Ondanks deze gelijkenissen is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachten voorbereidingshandelingen hebben verricht, bestaande uit het voeren van onderhandelingen/besprekingen over de invoer van chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, het huren/laten huren van vervoermiddelen voor het vervoer van chemicaliën of grondstoffen, het voorhanden hebben of verkopen van BMK en/of hardware en het gebruiken of ter beschikking stellen van een locatie voor de opslag van chemicaliën of grondstoffen. Er is niet gezien dat er daadwerkelijk iets is overgedragen en er zijn ook geen goederen en/of chemicaliën in beslag genomen. Aldus kan niet vastgesteld worden of zich in één van de auto’s BMK en/of hardware bevond. Het enkel op een soortgelijke modus operandi en versluierd taalgebruik baseren van het bewijs dat wel sprake was van voorbereidingshandelingen is onvoldoende, bij gebrek aan ondersteunende concrete bewijsmiddelen die dat kunnen bevestigen.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt [verdachte] vrij van het tenlastegelegde feit onder zaaksdossier 27.

4.3.9

Zaaksdossier 1 (feit 1)

Verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] worden ervan verdacht deel te hebben genomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet die het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 en 10a van de Opiumwet als oogmerk had.

Toetsingskader

Volgens bestendige jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008,72 en Hoge Raad 2 februari 2012, LJN:BK5182) wordt onder een criminele organisatie een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon verstaan. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Ook is niet vereist dat het samenwerkingsverband steeds uit dezelfde personen bestaat of dat alle deelnemers elkaar kennen. Evenmin is vereist dat ten aanzien van alle deelnemers blijkt van een gestructureerde vorm van samenwerking met een of meer andere deelnemers van de organisatie. Wel moet worden vastgesteld dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waartoe het voorwaardelijk opzet onvoldoende is. De verdachte moet een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie, ondersteunen (Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161). Voorts moet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven als bedoeld in de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet.

De rechtbank komt bij verschillende verdachten in het onderzoek Akutan tot een bewezenverklaring van het medeplegen van meerdere voorbereidingshandelingen inzake de Opiumwet (zaaksdossier 3, 9, 11, verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 3] ), export van amfetamine (zaaksdossier 4, [verdachte] ) en het bezit van synthetische drugs (zaaksdossier 9, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ). Op basis van het dossier kan evenwel niet van alle verdenkingen in het onderzoek Akutan van betrokkenheid bij de handel in of productie van synthetische drugs worden vastgesteld dat de verdachten hierbij betrokken waren. Verdachte [medeverdachte 4] wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. Dit staat op zich niet in de weg aan een veroordeling wegens deelname aan een criminele (drugs)organisatie, nu het gaat om het beoogde doel van een dergelijke organisatie en niet zozeer om het gerealiseerde doel. Het is niet noodzakelijk voor de beoordeling van een criminele (drugs)organisatie dat alle verdachten gezamenlijk voor alle strafbare feiten verantwoordelijk zijn.

In deze zaak lijken daarnaast andere elementen op het bestaan van een criminele organisatie te wijzen, zoals het gebruik van versluierd taalgebruik over afspraaklocaties, het veelvuldig gebruik van huurauto’s, het wapenbezit, het gebruik van jammers en de diverse telefonische contacten tussen de verschillende verdachten.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn door de politie herhaaldelijk gezien met andere verdachten die antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet, dan wel bij vonnis van heden worden veroordeeld wegens het plegen van Opiumwet-gerelateerde delicten. Uit (getapte) gesprekken blijkt daarnaast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contacten hebben met andere verdachten die ook lijken te gaan over de productie van of de handel in synthetische drugs.

[verdachte] en [medeverdachte 2] hebben gedurende een periode zaken gedaan met [medeverdachte 3] ten behoeve van de levering van chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs.

Verder zijn er zowel in de loods van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in Biezenmortel als in een loods in Dongen waaraan [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] gelinkt kunnen worden, hardware uit een (ontmanteld) productielab en grondstoffen en/of goederen ten behoeve van de productie van amfetamine aangetroffen, evenals het eindproduct amfetamine. Dat hier sprake is van diverse Opiumwet-gerelateerde delicten, in diverse samenstellingen gepleegd door de verschillende verdachten, staat voor de rechtbank wel vast.

Dat er in het dossier Akutan sprake is geweest van een grondstoffenlijn en het aantreffen van hardware ten behoeve van de productie van amfetamine, terwijl daarnaast ook het eindproduct amfetamine en grote hoeveelheden contant geld zijn aangetroffen op wisselende locaties, wijst er ook in de ogen van de rechtbank op dat er sprake is geweest van handel in synthetische drugs. Maar dat er daarbij sprake is geweest van een criminele organisatie in de zin van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld op basis van het dossier.

Ook is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat de diverse feiten zodanig verband houden met elkaar dat reeds hierom gesproken kan worden van een aantoonbaar gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verschillende verdachten. Die stelling van het openbaar ministerie berust veeleer op vermoedens en aannames en is onvoldoende onderbouwd met bewijsmiddelen in het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat de aannames die de politie in het onderzoek Akutan heeft gedaan respectievelijk de vermoedens die zijn geuit ten aanzien van het bestaan van een criminele organisatie zoals tenlastegelegd, niet of onvoldoende worden onderbouwd met concrete feiten. Er is ook geen concreet bewijs waartoe de gesprekken met versluierd taalgebruik en de diverse ontmoetingen hebben geleid. Dat er dus steeds sprake moet zijn geweest van criminele contacten of een beoogd doel tot het plegen van drugsdelicten, is naar het oordeel van de rechtbank uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vast komen te staan.

Ook de omstandigheid dat verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op verschillende wijze gelinkt kunnen worden aan motorclub Satudarah Southside in Tilburg is in dit kader onvoldoende om te spreken van een dergelijk samenwerkingsverband. Dit heeft ook de officier van justitie erkend.

Nu de rechtbank tot de slotsom komt dat het bewijs voor het bestaan van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachten niet is geleverd, komt zij niet toe aan de beoordeling van de vraag of [verdachte] daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

De rechtbank spreekt daarom [verdachte] vrij van feit 1.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 02/984812-10

5. ( ZD04)

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2011 tot en met 24 maart 2011 te Tilburg en/of Oudenbosch, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6. ( ZD20)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2011, te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, van een (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen, te weten ongeveer een geldbedrag van 68.800,00 euro, althans

- een geldbedrag van 62.917,00 euro (aan contante stortingen) en/of

- een geldbedrag van 2.883,93 euro (contante aankoop bij de [naam winkel] ) en/of

- een geldbedrag van 3.929,50 euro (contante uitgave(n) bij [autoverhuur] )

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op

dat/die voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had,

terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf en/of heeft hij, verdachte, bovenomschreven voorwerp(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

parketnummer 02/984839-12

(ZD11 en ZD31)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 1 januari 2011 tot en met 30 november 2011 te Eindhoven en/of Helmond en/of Tilburg en/of Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- ( telkens) heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- onderhandelingen/besprekingen gevoerd over leveringen van chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of over leveringen van synthetische drugs en/of

- chemicaliën en/of grondstof(fen) zoals mierenzuur en/of zwavelzuur en/of aceton en/of methanol en/of zoutzuur en/of chloroform en/of natriumboorhybride en/of benzoylchloride en/of hardware, bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of verkocht en/of gekocht en/of vervoerd en/of

- een locatie gebruikt/ter beschikking gesteld voor de opslag van voornoemde chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie vorderen aan [verdachte] op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van het voorarrest.

Ook hebben de officieren van justitie verzocht om verbeurdverklaring van het bedrag dat is witgewassen, € 68.800,- en van de inbeslaggenomen auto, Audi A4.

Daarbij hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een zeer lange afdoeningsduur, maar dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Wel hebben de officieren van justitie rekening gehouden met het lange tijdsverloop.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring een lagere straf passend is en heeft daarbij gewezen op disbalans met de straffen die tegen medeverdachten zijn geëist, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden.

[verdachte] heeft erkend dat hij een crimineel verleden heeft, maar gezegd daar “mee klaar te zijn” en dit nu achter zich te willen laten. [verdachte] heeft gewezen op het traject dat hij in de gevangenis volgt.

Ook heeft de verdediging zich verzet tegen de gevraagde verbeurdverklaring van het bedrag dat is witgewassen en van de inbeslaggenomen auto.

Nu de verdenking van witwassen is gebaseerd op een vermogensvergelijking en een fictieve vaststelling van uitgaven voor levensonderhoud, dient verbeurdverklaring achterwege te blijven. Witwassen is ook niet het strafbare feit waarop verbeurdverklaring kan worden gebaseerd, omdat het geld niet door middel van het witwassen is verkregen, noch baten uit dat feit zijn. Verder is het bedrag gebaseerd op gedane uitgaven; verdachte beschikt niet meer over het geld en kan dit ook niet uitleveren als bedoeld in artikel 34 Sr.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1

Algemene strafoverwegingen

Het gaat in het onderzoek Akutan om diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot synthetische harddrugs en een aantal daarmee verband houdende delicten, zoals wapenbezit, en daarnaast om het witwassen van uit misdrijf afkomstig geld. Allemaal ernstige feiten, waarvoor in beginsel gevangenisstraffen worden opgelegd. Door de officieren van justitie zijn dan ook forse straffen geëist. Nu de rechtbank voor een aantal zwaardere feiten tot vrijspraak komt - in het bijzonder de criminele organisatie vallen de straffen in veel gevallen lager uit dan de eis van de officier van justitie. Maar er zijn ook verdachten waarbij de rechtbank, gezien de veelheid en ernst van de bewezen verklaarde feiten, tot een hogere straf komt.

Hierna gaat de rechtbank achtereenvolgens in op (de ernst van) de afzonderlijke feiten, de uitgangspunten voor de straftoemeting, strafverzwarende en –verlichtende omstandigheden, verbeurdverklaring en de redelijke termijn, om tot slot tot een passende straf te komen.

6.3.2

De strafbare feiten

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen, als bedoeld in de Opiumwet, voor de productie van synthetische harddrugs. Hij heeft gedurende langere tijd onderhandelingen gevoerd en grondstoffen gekocht ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

Synthetische harddrugs leveren grote gevaren op voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast leidt de productie ervan, door het dumpen van afvalstoffen, vaak tot ernstige schade voor het milieu. Bovendien gaat de productie van en de handel in harddrugs gepaard met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij, ook omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. De productie van en handel in harddrugs en precursoren daarvoor dient dan ook krachtig te worden bestreden, zodat daarop zware straffen zijn gesteld. Dit geldt ook voor de voorbereidingshandelingen waaraan [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt. [verdachte] heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bovendien heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van bijna 5 kilo amfetamine naar Duitsland. Dit is eveneens een zeer ernstig feit, waarop zware straffen zijn gesteld, mede omdat de handel in harddrugs ook in internationaal verband zeer krachtig wordt bestreden.

[verdachte] heeft zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van een grote hoeveelheid geld, ongeveer € 70.000,-. Hij heeft voor een groot bedrag uitgaven gedaan, waar geen legale inkomsten tegenover stonden. De herkomst van dat geld, dat afkomstig moet zijn uit criminele activiteiten, kan niet worden vastgesteld. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer. Het vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

6.3.3

Straftoemeting

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de volgende uitgangspunten.

Voor het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs acht de rechtbank het door de officieren van justitie gehanteerde uitgangspunt van 1 jaar gevangenisstraf in overeenstemming met wat gebruikelijk voor dergelijke feiten wordt opgelegd, zodat zij dit als uitgangspunt overneemt.

Voor de uitvoer van bijna 5 kilo harddrugs geldt volgens de landelijke oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 38 maanden.

Ten aanzien van het witwassen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor fraude, waarin bij een bedrag van € 70.000,- een gevangenisstraf van 5 maanden geldt.

6.3.4

Strafverzwarende en/of strafverminderende omstandigheden

In het nadeel van [verdachte] is rekening gehouden met zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij al meerdere malen is veroordeeld voor Opiumwetdelicten tot lange gevangenisstraffen: in 2000 en 1999 in Noorwegen, in 2001 en 2003 in Nederland. Verder is verdachte in 2015 in Zweden veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens een drugsdelict. Die laatste straf zit hij nu uit in Nederland. [verdachte] heeft gesteld dat hij zijn strafrechtelijk verleden achter zich wil laten en zich volledig richt op een toekomst zonder criminaliteit. Dit wordt onderstreept door zijn deelname aan een re-integratieproject in de gevangenis. Maar de rechtbank ziet onvoldoende reden om hier in het voordeel van [verdachte] rekening mee te houden, mede gelet op het feit dat hij geen enkele openheid heeft willen geven over zijn rol in de zaken waarvoor hij nu terecht staat. Hoewel artikel 63 Sr formeel niet van toepassing is op de Zweedse veroordeling, zal de rechtbank daar feitelijk ten gunste van verdachte wel rekening mee houden.

6.3.5

Verbeurdverklaring witwasbedrag

Ten aanzien van de verzochte verbeurdverklaring van het geldbedrag dat is witgewassen overweegt de rechtbank als volgt.

Het feit dat het bedrag niet uit het witwassen zelf is verkregen staat niet in de weg aan verbeurdverklaring. Immers op grond van artikel 33a, eerste lid, onder b, Sr zijn ook voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan vatbaar voor verbeurdverklaring.

Volgens vaste jurisprudentie is geld (contant of giraal) een voorwerp in de zin van artikel 33a Sr dat voor verbeurdverklaring vatbaar is. Verder is ook verbeurdverklaring van niet inbeslaggenomen voorwerpen mogelijk, zoals ook blijkt uit artikel 34 Sr.

Toch is de rechtbank van oordeel dat de verzochte verbeurdverklaring van het witgewassen bedrag in deze zaak niet mogelijk is. Uit de wet en de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2015:3689 onder 3.4.2) volgt namelijk dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is van hetzij een voorwerp waarop beslag ex artikel 94 Sv rust, hetzij een voorwerp waarop geen beslag rust, maar waarover de verdachte kan beschikken, zodat dit kan worden uitgeleverd (tweede lid van artikel 34 Sr). Kort gezegd, het voorwerp moet feitelijk (elektronisch inbegrepen) nog aanwezig zijn. Voor die gevallen waarin dat niet mogelijk is - bijvoorbeeld omdat een voorwerp is vervreemd of omdat geld is uitgegeven - heeft de wetgever de ontnemingsprocedure in het leven geroepen.

In deze zaak volgt uit het dossier niet dat de verdachte het betreffende geld thans nog contant of giraal voorhanden heeft. Integendeel, de bewezenverklaring berust onder meer op het feit dat verdachte dit geldbedrag heeft uitgegeven, zodat geen uitlevering ex artikel 34 Sr kan worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat het witgewassen geld niet voor verbeurdverklaring vatbaar is.

6.3.6

Verbeurdverklaring overig

De rechtbank ziet onvoldoende grond voor de door de officier van justitie verzochte verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto Audi A met kenteken [kenteken] . Nu deze auto niet bij [verdachte] , maar bij een ander (J.J. Mandemakers) in beslag is genomen, staat niet vast dat deze auto aan [verdachte] toebehoort.

6.3.7

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak bij de rechtbank dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval geldt als aanvangsdatum de datum van inverzekeringstelling, 30 november 2011.

Dit vonnis wordt gewezen op 20 februari 2017, ruim 5 jaar en 2 maanden na de aanvangsdatum, dus in beginsel is de redelijke termijn ruimschoots overschreden.

De vraag is echter of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden uitgegaan van een langere redelijke termijn. Daarbij gaat het volgens vaste jurisprudentie om:

  • -

    de ingewikkeldheid van de zaak;

  • -

    de invloed van de verdachte/verdediging op het procesverloop en

  • -

    de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het betreft een zeer omvangrijk dossier, met vele verdachten, op basis van een groot en langdurig onderzoek, dat deels ook na aanvang van de redelijke termijn is doorgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit reden voor verlenging van de redelijke termijn.

Door diverse raadslieden is betoogd dat geen rekening mag worden gehouden met het feit dat er veel medeverdachten zijn en dat de zaken tegelijkertijd worden afgedaan, omdat dat een keuze is van het openbaar ministerie. Maar volgens vaste jurisprudentie is dat wel degelijk een factor die een rol kan spelen. In dit geval bestaat er een grote samenhang of zelfs verwevenheid tussen de zaken en het is dan ook niet meer dan logisch dat is gekozen voor gelijktijdige afdoening.

Ook de vele onderzoekswensen zijn een vertragende factor geweest, maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet, zoals de officier van justitie doet, aan de proceshouding van de verdediging worden verweten. De hoeveelheid onderzoekswensen is immers inherent aan de omvang en ingewikkeldheid van de zaak. Hetzelfde geldt voor de rechtshulpverzoeken. Door sommige raadslieden is betoogd dat zij zelf niet of nauwelijks onderzoekswensen hadden, en dat de rechtbank er desondanks voor heeft gekozen om de getuigen in alle zaken te laten horen. Om die reden zou de vertraging niet voor hun rekening mogen komen. Maar ook hier geldt dat dit, gelet op de samenhang van de zaken, een begrijpelijke keuze is, zodat een vertraging door onderzoekswensen in de ene zaak mede kan gelden als een bijzondere omstandigheid die leidt tot een langere redelijke termijn in zaken van de andere verdachten.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een redelijke termijn van 3 tot 4 jaar kunnen rechtvaardigen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met meer dan een jaar. Deze forse overschrijding dient gevolgen te hebben voor de op te leggen straf, waarbij de rechtbank als uitgangspunt een strafvermindering van ongeveer 15% zal hanteren.

6.3.8

Conclusie

Gelet op de ernst van de feiten is een forse gevangenisstraf geboden. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 55 maanden passend. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn wordt dit verminderd tot een gevangenisstraf van 46 maanden.

7 Het beslag

7.1

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen Audi A4, kenteken [kenteken] , aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt (zie overweging 6.3.6).

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2, 3, en 4 van parketnummer 02/984812-10 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

t.a.v. parketnummer 02/984812-10:

feit 5 (zaaksdossier 4) Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 6 (zaaksdossier 20) Medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

t.a.v. parketnummer 02/984839-12

(zaaksdossier 11) Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 46 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de Audi A4, kenteken 39‑KHK‑1.

Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, voorzitter, mr. Breeman en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bles en mr. Joosen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 februari 2017.

1 Het activiteitenjournaal met fotobijlage, opgenomen op pagina’s 49 t/m 61 van ZD3, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal 101013.NR45Akutan.a, pagina’s 47-48 van ZD3

2 Rechtshulpverzoek zaaksdossier 4, pagina 125-130

3 Proces-verbaal van identificatie telefoonnummer. zaaksdossier 4, pagina 211-212

4 Proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek, zaaksdossier 4, pagina’s 373 tot en met 384 van bovengenoemd eindproces-verbaal

5 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina171

6 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 175

7 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 4, pagina 152

8 Tapgesprek, zaaksdossier 4, pagina 176

9 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 4, pagina 151

10 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 4, pagina 151

11 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 177

12 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 178

13 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 179

14 Proces-verbaal observatie zaaksdossier 4, pagina 152-153

15 Proces-verbaal identificatie [medeverdachte 7] , zaaksdossier 4 pagina 202

16 Proces-verbaal observatie zaaksdossier 4, pagina 153

17 Tapgesprek zaaksdossier 4 pagina 182

18 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 183

19 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 185

20 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 188

21 Activiteitenjournaal bij proces-verbaal observatie, zaaksdossier 4, pagina 164

22 Activiteitenjournaal bij proces-verbaal observatie, zaaksdossier 4, pagina 169

23 Proces-verbaal DNA inbeslagname, zaaksdossier 4, pagina 258

24 Rapport NFI d.d. 31 mei 2011, zaaksdossier 4, pagina 345-346

25 Proces-verbaal observatie zaaksdossier 4, pagina 164

26 Tapgesprek zaaksdossier 4, pagina 194

27 Relaas proces-verbaal zaaksdossier 4, pagina 24

28 Behördengutachten (Duits overheidsrapport) zaaksdossier 4, pagina 486-488 en de vertaling hiervan op pagina 489-491

29 Proces-verbaal van aanvraag benoeming deskundigen onderzoek, zaaksdossier 4, pagina 277

30 Tapgesprek, zaaksdossier 4, pagina 197

31 Tapgesprek, zaaksdossier 4, pagina 198

32 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 7] , zaaksdossier 4, (pagina 441-454 en vertaling hiervan op) pagina 462-475

33 Notitie van de Duitse autoriteiten, zaaksdossier 4, (pagina 480) en de vertaling hiervan op pagina 484

34 Proces-verbaal peilbakengegevens, zaaksdossier 11, pagina 29-30

35 Proces-verbaal relaas, zaaksdossier 11, pagina 6

36 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 11, pagina 42

37 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 11, pagina 48

38 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 11, pagina 45

39 Tapgesprek gegevens, zaaksdossier 11, pagina 50

40 Proces-verbaal verhoor [naam vriendin medeverdachte 3] , zaaksdossier 11, pagina 503

41 Tapgesprek gegevens zaaksdossier 11, pagina 51

42 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 11, pagina 56

43 Activiteitenjournaal, zaaksdossier 11, pagina 57

44 Proces-verbaal stelselmatige observatie, zaaksdossier 11, pagina 060-061

45 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 11, pagina 062-063

46 Proces-verbaal observatie, zaaksdossier 11, pagina 082

47 Tapgesprek gegevens, zaaksdossier 11, pagina 084

48 Proces-verbaal observatie [straatnaam] 77 Eindhoven, zaaksdossier 11, pagina’s 092-93

49 Proces-verbaal van bevindingen tijdens zoeking ter inbeslagname, zaaksdossier 11, pagina 107-108

50 Rapport identificatie van drugs en precursoren, zaaksdossier 11, pagina 252

51 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] , zaaksdossier 11, pagina 440- 445

52 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] , zaaksdossier 11, pagina 456

53 Een geschrift, bijlage van proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 11, pagina 111

54 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 11, pagina 185-188

55 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] , zaakdossier 11, pagina 444

56 Proces-verbaal bevindingen, zaaksdossier 11, pagina 193

57 Proces-verbaal peilbakengegevens [straatnaam] 77 Eindhoven, zaaksdossier 11, pagina 029

58 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] , zaaksdossier 11, pagina 458

59 Proces-verbaal bevindingen inzake inkomen, zaaksdossier 20, pagina 028

60 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 10] , zaaksdossier 20, pagina 081

61 Proces-verbaal relaas persoonsdossier [verdachte] , zaaksdossier 50, pagina 006

62 Proces-verbaal relaas, zaaksdossier 20, pagina 010 en de tapgesprekken opgenomen op pagina’s 163 tot en met 188

63 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 10] , zaaksdossier 20, pagina 082

64 Bankafschriften, zaaksdossier 20, pagina’s 269 tot en met 376

65 Bijlage proces-verbaal bevindingen, zaaksdossier 20, pagina’s 191 tot en met 193

66 Proces-verbaal bevindingen, zaaksdossier 20, pagina’s 194 tot en met 196

67 Proces-verbaal bevindingen, zaaksdossier 20, pagina’s 27 en 28

68 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 10] , zaaksdossier 20, pagina 80