Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1954

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB 16_7413
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:835, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting woning o.g.v. art. 13b Opiumwet. Einduitspraak.

In tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Geen bijzondere omstandigheden art. 4:84 Awb; burgemeester heeft daarbij voldoende oog gehad voor persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/7413 WET

uitspraak van 24 maart 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M.R. Dill,

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaats2] .

Procesverloop

Eiser heeft op 12 september 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van 25 augustus 2016 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake een opgelegde last onder bestuursdwang strekkende tot sluiting van de door eiser gehuurde woning aan de [adres1] met ingang van 20 september 2016, 9.00 uur. Hij heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 14 september 2016 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Het beroep is op 6 oktober 2016 op zitting behandeld.

Bij tussenuitspraak van 20 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter de burgemeester in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen. De voorzieningenrechter heeft daarbij het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en heeft het bestreden besluit geschorst tot de definitieve uitspraak in de hoofdzaak.

De burgemeester heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft schriftelijk commentaar gegeven op de reactie van de burgemeester.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In zijn tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, overwogen dat eiser door het handelen van de burgemeester op unfaire wijze in een voor hem procedureel nadeliger positie is gebracht en dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze gebreken niet kunnen worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voorzieningenrechter heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld om eiser alsnog door de voltallige (onafhankelijke) commissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) te laten horen en om haar te laten adviseren naar aanleiding van het bezwaar. De burgemeester is daarbij opgedragen om kennis te nemen van het nieuwe advies van de commissie en om naar aanleiding daarvan aan te geven of het nieuwe advies van de commissie consequenties heeft voor het te vernietigen bestreden besluit en – zo ja – welke consequenties dat dan zijn.

3. De burgemeester heeft bij brief van 15 december 2016 gemeld dat de commissie eiser op 22 november 2016 opnieuw heeft gehoord. De burgemeester heeft aangegeven dat de commissie in haar advies tot de conclusie is gekomen dat de persoonlijke omstandigheden die door de gemachtigde van eiser zijn aangevoerd niet moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan de burgemeester geen gebruik zou mogen maken van zijn bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De commissie heeft daarbij wel aangegeven dat de voorgenomen woningsluiting een zware wissel op eiser zal trekken en dat er gevolgen kunnen ontstaan voor een verstoring van de openbare orde. De commissie heeft de burgemeester tevens gewezen op zijn inspanningsverplichting op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om een oplossing voor de problematiek van eiser te vinden en heeft de burgemeester in dat kader in overweging gegeven:

 na het besluit op bezwaar de woning pas op 1 april 2017 te sluiten, en;

 zich in de tussenliggende periode in te spannen teneinde tot een passende oplossing te komen anders dan de daklozenopvang bij Traverse in Tilburg, vanwege de bijzondere en kwetsbare persoonlijke omstandigheden van eiser teneinde een mogelijke verstoring van de openbare orde door eiser te voorkomen.

De burgemeester heeft vervolgens aangegeven dat hij kennis heeft genomen van de conclusies van de commissie en dat hij op basis daarvan heeft besloten om het bestreden besluit te handhaven. De burgemeester ziet evenwel geen aanleiding om de woningsluiting uit te stellen tot 1 april 2017. De burgemeester heeft in dat kader overwogen dat de zorg, die op dit moment aan eiser wordt geleverd via Impegno, een maatwerkvoorziening is als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wmo en dat daarmee aan de inspanningsverplichting wordt voldaan. Deze zorg kan ook worden gegarandeerd in geval eiser zijn nachtverblijf zou moeten verplaatsen naar de nachtopvang Traverse te Tilburg. Verder heeft de burgemeester overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er sprake was van ‘loop’ naar de woning en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat bij sluiting van de woning de openbare orde door eiser zal worden verstoord. De burgemeester vindt daarom dat het algemeen belang van de openbare orde en veilige woonomgeving zwaarder moeten wegen dan het individuele belang van eiser bij het ongestoord kunnen uitoefenen van zijn woongenot en zijn privéleven. De burgemeester heeft in dat kader ook de door [naam derde partij] en de politie ontvangen overlastmeldingen en klachten, en het feit dat in de woning een verboden nepwapen en een ploertendoder zijn aangetroffen, van belang geacht.

4. De burgemeester is bevoegd een woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet – kort gezegd – bij het aantreffen van een handelshoeveelheid soft- of harddrugs. De burgemeester voert ten aanzien van de aan hem toegekende bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet een beleid dat is neergelegd in de ‘Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang ingevolge artikel 13b Opiumwet (de wet Damocles)’ (de beleidsregels).

Vaststaat dat in de woning van eiser harddrugs zijn gevonden, in totaal 3,2 gram amfetamine en 10 pillen MDMA. Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of de burgemeester op goede gronden heeft aangenomen dat deze aangetroffen hoeveelheid in de woning aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt en of de burgemeester om die reden bevoegd is om de woning te sluiten.

In de beleidsregels ligt vast dat de burgemeester vindt dat een aangetroffen hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram steeds ‘daartoe aanwezig is’. In zoverre is het wetsuitleggend beleid dat door de rechter vol dient te worden getoetst indien de gronden daartoe aanleiding geven. Eiser heeft betwist dat de aangetroffen drugs waren bestemd voor drugshandel en stelt dat de burgemeester niet bevoegd was om op te treden, zodat ook dit wetsuitleggend beleid tot de omvang van het geschil behoort.

De rechtbank is bekend met de rechtspraak over de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. In vaste rechtspraak wordt in het algemeen geaccepteerd dat burgemeesters aansluiting zoeken bij de door het openbaar ministerie toegepaste (vervolgings)criteria en een hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram aanmerken als handelshoeveelheid. Tegen dat laatste oordeel kan de belanghebbende eventueel tegenbewijs inbrengen.

Anders dan tot nog toe in vaste rechtspraak wordt geoordeeld en in lijn met haar eerdere uitspraak van 23 januari 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:418) is de rechtbank thans van oordeel dat dit wetsuitleggend beleid in geval van het aantreffen van enkel geringe hoeveelheden drugs onjuist is. De rechtbank overweegt daartoe dat er immers (verslaafde) gebruikers zijn die dagelijks meer dan 0,5 gram harddrugs gebruiken. Dat gebruikers voor meerdere malen eigen gebruik een voorraad aanschaffen ligt – net als bij legale producten – ook voor de hand. In eisers stellingen ligt besloten dat daarvan ook in dit geval sprake is. De rechtbank is van oordeel dat er feiten en omstandigheden moeten worden gesteld, die aannemelijk maken dat kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen drugs ‘daartoe aanwezig zijn’ als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.

In dit geval is er sprake van een aangetroffen hoeveelheid harddrugs die naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig groot is dat is uitgesloten dat deze voor eigen gebruik waren bestemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester evenwel aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs in dit geval bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in dezelfde lade waarin de drugs zijn aangetroffen ook een verboden wapen is gevonden, namelijk een nepwapen gelijkend aan een (politie)vuurwapen. Voorts blijkt uit het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal] dat er meerdere signalen uit de buurt zijn ontvangen – waaronder een anonieme melding op 30 mei 2016 – dat het bij de woning van eiser een komen en gaan is van mensen en dat er mogelijk gedeald wordt vanuit de woning van eiser. Onder die omstandigheden heeft de burgemeester op goede gronden aangenomen dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking en moet de burgemeester in beginsel bevoegd worden geacht om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de woning over te gaan.

5. Vervolgens is het de vraag of de burgemeester in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank stelt voorop dat de sluiting van een woning op grond van de Opiumwet geen bestraffende maatregel is, maar een herstellende maatregel die is verbonden aan de woning en erop is gericht dat de openbare orde wordt hersteld en de ‘loop’ eruit gaat.

5.1.

De rechtbank overweegt in dit kader eerst dat de burgemeester met zijn schriftelijke reactie op de tussenuitspraak van 15 december 2016 de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld, door het dossier opnieuw ter advisering aan de commissie voor te leggen, de commissie eiser opnieuw te laten horen, kennis te nemen van het advies van de commissie en gemotiveerd aan te geven op welke punten en waarom het advies niet wordt overgenomen.

5.2.

Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De rechtbank overweegt in navolging van de AbRS in haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) dat een bestuursorgaan alle omstandigheden van het geval dient te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

Volgens de beleidsregels leidt de vondst van een handelshoeveelheid harddrugs bij een eerste constatering tot een sluiting van de woning zonder waarschuwing. In dit geval is er sprake geweest van een tweede constatering. Op 31 januari 2014 is een voorraad van 48 gram harddrugs in de woning van eiser aangetroffen en naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester (na de bezwarenprocedure) volstaan met het geven van een bestuurlijke waarschuwing gelet op de bijzondere persoonlijke situatie van eiser. In overleg met eiser, de begeleidende hulpverleningsinstanties en de woningeigenaar is destijds een behandelplan opgesteld. De burgemeester is toen dus al afgeweken van zijn beleidsregels. Daarbij heeft de burgemeester eiser gewaarschuwd dat, indien opnieuw een overtreding van artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt geconstateerd of eiser zich binnen zes maanden niet aan het behandelplan houdt, de woning direct voor drie maanden wordt gesloten.

Dat de burgemeester het algemene belang bij bescherming van de openbare orde en veiligheid in dit geval heeft willen laten prevaleren boven het individuele belang van eiser bij bescherming van zijn woongenot, zijn veilige woonomgeving en zijn privéleven, acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden redelijk. De burgemeester heeft in dat kader zwaar gewicht mogen toekennen aan de omstandigheden dat eiser eerder gewaarschuwd is en er nu dus sprake is van recidive. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie zo bijzonder is dat het noodzakelijk is dat hij in zijn woning blijft wonen. Eiser heeft in dat verband geen medische informatie van bijvoorbeeld een psychiater overgelegd, waaruit zulks zou blijken. De overgelegde verklaring van de Impegno-begeleidster van eiser, mevrouw [naam persoon1] , legt in dat verband onvoldoende gewicht in de schaal. Bovendien heeft de burgemeester in redelijkheid overwogen dat begeleiding door Impegno ook kan plaatsvinden vanaf een ander woonadres en zelfs kan worden gegarandeerd in het geval eiser moet verblijven in de nachtopvang bij Traverse te Tilburg.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester bij het bestreden besluit, in het bijzonder in de nadere motivering van 15 december 2016, voldoende oog heeft gehad voor de persoonlijke omstandigheden van eiser, en heeft de burgemeester in redelijkheid overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb die nopen tot afwijking van de beleidsregels. Dat leidt ertoe dat de burgemeester de last onder bestuursdwang tot sluiting van de woning [adres1] heeft mogen opleggen.

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. Nu de burgemeester de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

In de omstandigheid dat het beroep van eiser ertoe heeft geleid dat zijn bezwaar opnieuw ter advisering is voorgelegd aan de commissie en hij opnieuw door de commissie is gehoord ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen het door hem betaalde griffierecht in de beroepszaak en de voorlopige voorzieningenprocedure te vergoeden.

De rechtbank zal het college tevens veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beide procedures. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,= en wegingsfactor 1).

Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van de door hem in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Proceskosten in de bezwaarfase komen op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend voor vergoeding in aanmerking wanneer een besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van herroeping van een besluit is in dit geval geen sprake. Het verzoek daartoe wordt dus afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 336,= aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.732,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.