Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:184

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_5194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 9, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet (tijdig melden) en artikel 7.5, eerste lid, Arbeidsomstandighedenbesluit (toereikend onderhoud arbeidsmiddel). Afvalcontainer is een arbeidsmiddel in de zin van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Verlies van twee tanden is blijvend letsel. Matiging boete onvoldoende gemotiveerd, arbeidsongeval kan redelijkerwijs niet aan werkgever worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/5194

uitspraak van 12 januari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de vennootschap ‘ [naam vennootschap] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.N. van der Sluis),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Timmermans).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 (hierna: primair besluit) heeft de minister aan eiseres twee bestuurlijke boetes opgelegd, tot een bedrag van in totaal € 37.500.

Op 8 september 2015 heeft eiseres bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt.

Bij besluit van 28 juni 2016 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de boetes gematigd tot een bedrag van in totaal € 19.500.

Op 21 juli 2016 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Op 24 oktober 2016 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 december 2016.

De gemachtigde van eiser was daarbij aanwezig. Hij werd vergezeld door [naam veiligheidsdeskudige] (een bij eiseres werkzame veiligheidsdeskundige).

De minister liet zich vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Op 25 maart 2014 is [naam slachtoffer] (hierna: slachtoffer), toentertijd bij eiseres werkzaam als chauffeur, een arbeidsongeval overkomen. Bij het sluiten van een afvalcontainer schoot de sluithendel tegen het gezicht van het slachtoffer, die daardoor twee voortanden heeft verloren. In verband met het ongeval is hij door een kaakchirurg behandeld in een ziekenhuis en daarna door zijn eigen tandarts.

Op 16 mei 2014 heeft eiseres aan de Arbeidsinspectie melding van het zojuist omschreven arbeidsongeval gemaakt.

Standpunten van de minister

2. Blijkens de gedingstukken en de behandeling ter zitting huldigt de minister de opvatting dat eiseres aldus twee overtredingen heeft begaan.

Volgens de minister heeft eiseres op 25 maart 2014 gehandeld in strijd met artikel 7.5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). Daartoe voert de minister aan dat de afvalcontainer moet worden aangemerkt als een arbeidsmiddel in de zin van voornoemd artikel, dat eiseres niet heeft gezorgd voor een toereikend onderhoud van de afvalcontainer die op 25 maart 2014 door het slachtoffer is gelost (hierna: container), en dat daardoor gevaar voor de veiligheid en gezondheid van werknemers is ontstaan.

De minister acht het gerechtvaardigd om aan eiseres wegens overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit een boete van € 18.000 (hierna: boete 1) op te leggen. Daartoe voert hij – onder verwijzing naar de Beleidsregel boeteoplegging arbeids-omstandighedenwetgeving (hierna: Beleidsregel) – aan dat eiseres meer dan 500 werk-nemers in dienst heeft, dat het slachtoffer aan het arbeidsongeval een blijvend letsel heeft overgehouden, en dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de kant van eiseres.

Volgens de minister heeft eiseres op 25 maart 2014 eveneens gehandeld in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet). Daartoe voert de minister aan dat eiseres het arbeidsongeval van 25 maart 2014 zo spoedig mogelijk aan de Arbeidsinspectie had moeten melden, en dat eiseres hiermee desondanks tot 16 mei 2014 heeft gewacht.

De minister acht het gerechtvaardigd om aan eiseres wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet een boete van € 1.500 (hierna: boete 2) op te leggen. Daartoe voert hij

– onder verwijzing naar de Beleidsregel – aan dat eiseres meer dan 500 werknemers in dienst heeft, dat het slachtoffer aan het arbeidsongeval een blijvend letsel heeft overge-houden, en dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de kant van eiseres.

Standpunten van eiseres

3. Eiseres betoogt primair dat dat de minister niet bevoegd is om wegens het arbeidsongeval van 25 maart 2014 (hierna: arbeidsongeval) boetes op te leggen. Daartoe voert eiseres aan dat de container niet kan worden aangemerkt als een arbeidsmiddel in de zin van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit, en dat geen sprake is van blijvend letsel in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet.

Subsidiair betoogt eiseres dat het arbeidsongeval niet aan haar kan worden verweten. Daartoe voert eiseres in hoofdzaak aan dat zij op 25 maart 2014 voldoende maatregelen had getroffen om ongelukken met gebrekkig materiaal te voorkomen, dat het slachtoffer toen een ervaren werknemer was, en dat het slachtoffer op de hoogte was van gevaren die het sluiten van afvalcontainers met zich kunnen brengen.

In dit kader klaagt eiseres dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond van welke factoren de hoogte van boete 1 is bepaald op een bedrag van € 18.000. Naar de mening van eiseres is onduidelijk waarom het basisbedrag van € 9.000 met de factor 4 is vermenigvuldigd, en evenzeer welke factoren hebben geleid tot een matiging van het bedrag van (4 x 9.000 =) € 36.000 met 50%.

Verder klaagt eiseres dat de minister te lang heeft gewacht met het opleggen van de boetes en hieraan ten onrechte geen consequenties heeft verbonden.

Eiseres wil dat de rechtbank (a) het beroep gegrond verklaart, (b) het bestreden besluit vernietigt, (c) zelf in de zaak voorziet – door de in geding zijnde boetes te herroepen althans (verder) te matigen – en (d) de minister veroordeelt tot vergoeding van de gemaakte proceskosten die tijdens de beroepsfase zijn gemaakt.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit worden de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen.

Het niet naleven van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit is een beboetbaar feit, krachtens artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder g, van het Arbobesluit, bezien in samen-hang met de artikelen 16 (eerste lid, aanhef en onder 10), 32 en 33 (tweede lid) van de Arbowet.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Arbowet meldt de werkgever arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe aangewezen toezichthouder en rapporteert hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk aan deze toezichthouder.

Het niet naleven van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet is een beboetbaar feit, krachtens de artikelen 32 en 33 (eerste lid) van de Arbowet.

Beleid van de minister

5. Volgens (de bijlage bij) de Beleidsregel bedraagt de boete wegens overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit € 9.000, indien die overtreding is begaan binnen een bedrijf met meer dan 500 werknemers.

Volgens (de bijlage bij) de Beleidsregel bedraagt de boete wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet € 1.500, indien die overtreding is begaan binnen een bedrijf met meer dan 500 werknemers.

Volgens artikel 1, tiende lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel kan het basisbedrag worden verhoogd met de factor 4, indien een arbeidsongeval heeft geleid tot blijvend letsel.

Volgens artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel kan de minister de boete matigen indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, tot 25% per onderdeel:

( a) als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

( b) als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

( c) als er adequate instructies zijn gegeven;

( d) als er adequaat toezicht is gehouden.

Bevoegdheid tot oplegging van de boetes

6. Buiten twijfel staat dat het slachtoffer een arbeidsongeval is overkomen met een afvalcontainer die niet goed functioneerde. Daarnaast neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de container in kwestie niet goed was onderhouden, en dat de veiligheid van het slachtoffer daardoor in gevaar is gebracht.

7. Met betrekking tot het betoog de container niet kan worden aangemerkt als een arbeidsmiddel in de zin van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 1, derde lid sub h, van de Arbowet omschrijft een arbeidsmiddel als: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen.

De Arbowet en het Arbobesluit bevatten geen definitie van het begrip ‘gereedschap’. Daarom zoekt de rechtbank in zoverre aansluiting bij het dagelijks taalgebruik.

Van Dale (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, vijftiende editie, bladzijde 1306) omschrijft gereedschap als: de gezamenlijke voorwerpen die voor het verrichten van werkzaamheden nodig zijn.

Op basis van de zojuist aangehaalde omschrijvingen kwalificeert de rechtbank een afvalcontainer in dit geval als een arbeidsmiddel in de zin van (artikel 1, derde lid sub h, van de Arbowet en dus ook) artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het ophalen en verwerken van afval de kernactiviteit van het door eiseres geëxploiteerde bedrijf is, en dat die activiteit zonder afvalcontainers niet adequaat kan worden verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank hangt de kwalificatie van een product als arbeidsmiddel in de zin van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit niet af van het antwoord op de vraag of het Warenwetbesluit specifieke eisen stelt aan betreffende product. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het Warenwetbesluit containers zich richt tot producenten en slechts bepaalt welke eisen zij bij het vervaardigen van producten in acht moeten nemen (“goede hoedanigheid van waren”), terwijl het Arbobesluit zich richt tot werkgevers en bepaalt welke zorg zij voor de veiligheid en gezondheid van werknemers moeten betrachten. Het Warenwetbesluit heeft dus een ander motief dan het Arbobesluit. Uit het feit dat een product/arbeidsmiddel niet is onderworpen aan de eisen van het Warenwetbesluit, mag dan ook – anders dan eiseres blijkbaar meent – niet worden afgeleid dat de wetgever de in het Arbobesluit bedoelde zorgplicht bij het gebruik van zo’n product/arbeidsmiddel heeft willen opheffen.

De verwijzing van eiseres naar artikel 7.4a van het Arbobesluit leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit artikel bepaalt dat bepaalde arbeidsmiddelen dienen te worden gekeurd. Het bepaalt voorts dat geen keuring op grond van het Arbobesluit nodig is indien op een arbeidsmiddel een Warenwetbesluit van toepassing is en – zo leidt de rechtbank uit dit artikel af – uit hoofde van een Warenwetbesluit reeds aan keuring onderworpen is. Uit de omstandigheid dat een container niet op grond van het Warenwetbesluit containers behoeft te worden gekeurd, kan derhalve niet worden afgeleid dat geen keuring op grond van de Arbowet nodig is. Evenmin kan dit tot de conclusie leiden dat een afvalcontainer geen arbeidsmiddel is.

De rechtbank concludeert dat de minister bevoegd was om boete 1 op te leggen.

8. Met betrekking tot het betoog dat geen sprake is van blijvend letsel in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, overweegt de rechtbank als volgt.

De Arbowet en het Arbobesluit bevatten geen definitie van het begrip ‘letsel’. Daarom zoekt de rechtbank ook voor de uitleg van dit begrip aansluiting bij het dagelijks taalgebruik.

Van Dale (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, vijftiende editie, bladzijde 2184) omschrijft letsel als: verwonding, kwetsuur.

De rechtbank beschouwt beschadiging van, en schade aan, het gebit als een verwonding.

Het verlies van twee tanden kan de rechtbank niet anders duiden dan blijvende schade aan het gebit. Dit wordt niet anders doordat die schade nadien is gecompenseerd met twee kunsttanden, en evenmin doordat het slachtoffer zijn werk als chauffeur volledig en zonder aanpassingen heeft kunnen hervatten. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook sprake van blijvend letsel in de zin van de Arbowet.

In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiseres het arbeidsongeval reeds op of omstreeks 25 maart 2014 aan de arbeidsinspectie had moeten melden. Dit oordeel wijzigt niet indien eiseres aanvankelijk dacht dat het slachtoffer een kunstgebit had. Die omstandigheid komt namelijk voor rekening en risico van eiseres. Hierbij neemt de rechtbank – onder verwijzing naar de foto die als bijlage 7 bij het boeterapport van 16 juli 2014 is gevoegd – in aanmerking dat ook de mond van het slachtoffer schade heeft opgelopen.

De rechtbank concludeert dat de minister bevoegd was om boete 2 op te leggen.

Motivering van het bestreden besluit

9. Met betrekking tot het betoog dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij is gekomen tot een bedrag van € 18.000 als boete wegens overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is op zichzelf voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 1, tiende lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel. In zoverre verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 8. Zij beschouwt de schade aan het gebit van het slachtoffer als blijvend letsel in de zin van de Beleidsregel.

De rechtbank is echter van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval is gekozen voor de factor 4 en niet voor een lagere factor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer van het arbeidsongeval geen blijvende medische beperkingen heeft overgehouden, en dat de behandeling van de opgelopen verwonding niet heel ingrijpend was.

De minister heeft het bedrag van (9.000 x 4 =) € 36.000 gematigd met 50%, maar zonder specifiek aan te geven welke onderdelen van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel hem aanleiding tot die matiging hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is door de minister aldus onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke redenen tot de matiging hebben geleid.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op boete 1, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

10. Met betrekking tot het betoog dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij is gekomen tot een bedrag van € 1.500 als boete wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet overweegt de rechtbank als volgt.

De minister heeft niet heeft gemotiveerd waarom een matiging van boete 2 achterwege is gebleven, ook al heeft eiseres reeds tijdens de bezwaarfase gesteld dat het bepaalde in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel (evenzeer) tot zo’n matiging moeten leiden.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op boete 2, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Vernietiging van het bestreden besluit

10. De rechtbank ziet onvoldoende reden om de zojuist geconstateerde gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te passeren. Zij is namelijk van oordeel dat eiseres wordt benadeeld door het ontbreken van een specifieke toelichting op de keuzen die in het bestreden besluit zijn gemaakt. Eiseres weet thans immers niet precies wat zij moet doen om een boete wegens een ongeval met een afvalcontainer te vermijden. Bezien vanuit deze invalshoek, komt de handelwijze van de minister niet alleen in strijd met het motiveringsbeginsel, maar ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het gehele bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

11. Artikel 8:72a van de Awb verplicht de bestuursrechter om na de vernietiging

van een bestuurlijke boete zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen welke boete zij passend en geboden acht. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit (boete 1)

12. De rechtbank beoordeelt – aan de hand van de in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel geformuleerde criteria – of het arbeidsongeval als zodanig aan eiseres kan worden verweten.

Ter zitting is namens de minister verklaard dat eiseres reeds vóór 25 maart 2014 de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende had geïnventariseerd (artikel 1, elfde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel). De rechtbank ziet geen grond voor een ander oordeel.

Ter zitting is namens de minister verklaard dat reeds vóór 25 maart 2014 voldoende randvoorwaarden waren gecreëerd om te bewerkstelligen dat de door eiseres ontwikkelde werkwijze ook daadwerkelijk kon worden gehanteerd (artikel 1, elfde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel). De rechtbank ziet geen grond voor een ander oordeel.

Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres reeds vóór 25 maart 2014 voldoende instructies over een verantwoord gebruik van afvalcontainers gegeven (artikel 1, elfde lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel). Daartoe wijst de rechtbank op het feit dat de bij eiseres werkzame chauffeurs ten tijde in geding beschikten over het ‘chauffeurshandboek’ (versie maart 2012), het ‘veiligheids- en gedragsboekje’ (versie maart 2010) en de in januari 2014 opgestelde ‘safety flash’. Met name laatstgenoemd documenten maakt volstrekt duidelijk dat een chauffeur niet mag proberen de deur van een defecte container eigenhandig te openen. Bovendien wordt door middel van toolboxmeetings de kennis over veilig werken actueel gehouden. Het slachtoffer had op 4 maart 2014 nog deelgenomen aan de toolbox-meeting “Veiligheid naar hoger plan”.

Naar het oordeel van de rechtbank zag eiseres reeds vóór 25 maart 2014 adequaat toe op naleving van de interne regels over het verantwoord omgaan met afvalcontainers (artikel 1, elfde lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregel). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aard van de door de chauffeurs te verrichten werkzaamheden beperkingen stelt aan de mogelijkheid tot het per geval controleren op naleving van veiligheidsvoorschriften.

13. Blijkens de gedingstukken en de behandeling ter zitting verlangt de minister dat een bedrijf als eiseres dat afvalcontainers als gereedschap – en dus een arbeidsmiddel in de zin van de Arbowet – gebruikt, een preventief onderhoudsprogramma hanteert om risico’s voor de werknemers zoveel mogelijk te beperken. Dit verlangen komt in de praktijk neer op de eis om elke container te (laten) controleren voordat deze door een werknemer mag worden gebruikt bij het ophalen van afval.

Naar het oordeel van de rechtbank kan zo’n eis redelijkerwijs niet worden gesteld. Hierbij neemt zij allereerst in aanmerking dat een preventieve controle van containers – anders dan de minister lijkt te veronderstellen – niet alle risico’s voor werknemers wegneemt. Een container kan immers ook tijdens het vervoer/gebruik ervan beschadigd raken en daardoor potentieel gevaar veroorzaken. Verder acht de rechtbank relevant dat een preventieve controle in de door de minister voorgestane zin voor een afvalverwerkend bedrijf als eiseres aanzienlijke kosten met zich brengt. Zo’n handelwijze noodzaakt immers tot de aanschaf van veel extra containers en de inzet van extra personeel die de preventieve controles moeten verrichten.

14. Op basis van het vorenstaande ziet de rechtbank niet in wat eiseres op 25 maart 2014 meer of anders had kunnen doen dan zij blijkens de gedingstukken en de behandeling ter zitting heeft gedaan, om ongevallen met afvalcontainers te voorkomen. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het arbeidsongeval van 25 maart 2014 redelijkerwijs niet aan eiseres kan worden verweten. Daarom acht de rechtbank het niet gerechtvaardigd om aan eiseres een boete wegens de overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit op te leggen, gelet op het bepaalde in de artikelen 5:41 en 5:46 van de Awb.

15. De rechtbank zal boete 1 herroepen en daarvoor geen nieuwe (lagere) boete in de plaats stellen.

Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet (boete 2)

16. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het te laat melden van arbeidsongeval aan eiseres kan worden verweten.

17. Eiseres heeft niet nader en concreet toegelicht waarom het te laat melden niet of in mindere mate aan haar kan worden verweten. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het te laat melden strekt ter onderbouwing van het standpunt dat geen sprake was van een meldingsplichtig ongeval. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet geheel aan eiseres kan worden toegerekend. De rechtbank ziet geen reden voor matiging van boete 2 wegens het (geheel of gedeeltelijk) ontbreken van verwijtbaarheid aan de kant van eiseres.

Ook overigens ziet de rechtbank geen reden voor matiging van boete 2. Sinds het kenbaar maken van het voornemen tot oplegging van boete 2 zijn immers minder dan twee jaren verstreken. Aldus bezien, is in dit geval geen sprake van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Van andere redenen tot matiging in verband met de (lange) duur van de procedure is de rechtbank niet gebleken. In het bijzonder is niet gebleken dat de minister beleid heeft op dit punt. In zoverre gaat het de vergelijking met de door eiseres aangehaalde jurisprudentie dan ook niet op.

18. De rechtbank zal boete 2 in stand laten.

Griffierecht en proceskosten

19. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient de minister het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

20. De rechtbank zal de minister veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres wegens de door mr. Van der Sluis verleende rechtsbijstand tijdens de beroepsfase heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten – met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht – vast op een bedrag van € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, voor zover daarbij een boete wegens feit 1 is opgelegd;

  • -

    laat boete 2 in stand;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Koenraad, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.