Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1756

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
02-700193-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verkrachting. Verklaring minderjarige aangeefster onvoldoende geloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-700193-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

ten tijde van de zitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, te Middelburg.

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 maart 2017, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij meermalen op of omstreeks 9 augustus 2015 te Terneuzen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand beneden de

leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedag slachtoffer] 2001),

buiten echt, ontuchtige handeklingen heeft/hebben gepleegd, te weten het

betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of slaan/betasten op/van de vagina

van die [slachtoffer] en/of het kussen van die [slachtoffer] ;

2.

hij meermalen op of omstreeks 09 augustus 2015 te Terneuzen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of

meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of

zijn mededader(s) de penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die die andere feitelijkhe(i)d(en)

hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) fysiek en geestelijk overwicht

hadden op die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] hebben geslagen/gestompt en/of aan

de haren getrokken en/of van haar kleding ontdaan en/of de deuren van de

woning -waarin die [slachtoffer] samen met verdachte en/of zijn mededader(s) zich

bevond- op slot gedaan en/of de rolluiken van die woning naar beneden gedaan

en/of de telefoon afgenomen;

3.

hij meermalen op of omstreeks 9 augustus 2015 te Terneuzen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt,

te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedag slachtoffer] 2001), buiten echt, ontuchtelijke

handelingen heeft/hebben gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

en/of zijn mededader(s) de penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, dat wil zeggen: het tezamen en in vereniging met een ander plegen van ontuchtige handelingen bij aangeefster en verkrachting van aangeefster.

Hij stelt daartoe dat in deze zedenzaak, zoals in vele zedenzaken, sprake is van twee uiteenlopende verklaringen van verdachte en aangeefster over de eventuele vrijwilligheid van de seksuele handelingen. Hij hecht meer waarde aan de verklaringen van aangeefster dan aan de verklaringen van verdachte, mede gelet op diens proceshouding. Verdachte heeft naar zijn mening gelogen over het gebruik van een condoom tijdens de seks omdat uit DNA-onderzoek is gebleken dat sperma van verdachte diep in de vagina van aangeefster is aangetroffen. Hij heeft zich bij zijn eerste verhoren beroepen op zijn zwijgrecht en hij is pas later, nadat de resultaten van het DNA-onderzoek over de spermasporen bekend waren, gaan verklaren dat hij met instemming van aangeefster seks met haar heeft gehad, daarbij (nog steeds) ontkennend dat er ook een ander bij betrokken was, zoals aangeefster verklaart. Verdachte had geen plausibele reden om de zedenfeiten te ontkennen indien de seks met aangeefster vrijwillig had plaats gevonden, ook al was zij toen nog minderjarig. Het feit dat DNA-sporen zijn aangetroffen van één andere man in het sperma, de zuigzoen en op de tepel van aangeefster ondersteunt haar verklaring dat zij niet alleen door verdachte maar ook door een andere man is verkracht. Er is het dossier geen overtuigend argument voor een ander scenario voor de feiten te vinden dan hetgeen aangeefster daarover heeft verklaard. Daartegenover staat dat verdachte “in zijn eerste leugen niet is gestikt” zoals blijkt uit zijn strafblad waarin is vermeld dat hij eerder wegens meineed, in hoger beroep, is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde verkrachting, onder 2, niet bewezen kan worden omdat er op basis van de inhoud van het dossier, de ontkenning door verdachte en de afgelegde verklaringen van de als getuigen gehoorde vriendinnen van aangeefster, voldoende kan worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van aangeefster en het waarheidsgehalte van haar verklaringen dat er sprake was van onvrijwillige seks, onder dwang en met geweld, van/door verdachte al dan niet samen met een ander of anderen.

De onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen bewezen worden, met dien verstande dat verdachte vrijgesproken moet worden van het slaan van aangeefster en van dat hij deze feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

4.3

De bewijsoverwegingen

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bewijs van de feiten uit van de volgende uit de bewijsmiddelen van het dossier vaststaande feiten en omstandigheden. Deze feiten zijn door de verdediging niet betwist.

Op 9 augustus 2015 ontmoet de dan 14-jarige aangeefster [slachtoffer] , geboren [geboortedag slachtoffer] 20011, de dan 26-jarige voor haar onbekende verdachte bij het zwembad in Terneuzen. Aangeefster krijgt het telefoonnummer van verdachte en zij stuurt hem even later een whatsapp-berichtje om elders in Terneuzen af te spreken. Als verdachte daar arriveert stapt aangeefster in de auto van verdachte en rijdt zij met verdachte mee. Verdachte rijdt naar zijn ouderlijk huis, aan de [adres 1] in Terneuzen2.

In die woning hebben aangeefster en verdachte seks met elkaar, zowel beneden op de bank als even later boven op een slaapkamer. De seksuele handelingen die verdachte erkent bij aangeefster te hebben gepleegd bestonden uit: het betasten van de borsten en de vagina van aangeefster, het kussen van aangeefster en het brengen van zijn penis in de mond en de vagina van aangeefster3.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte op 9 augustus 2015 meermalen met aangeefster, die toen ouder dan 12 en jonger dan 16 jaar was, meerdere malen, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar borsten en vagina, het kussen van aangeefster en het binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Feit 2

Bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde verkrachting kan alleen dan volgen,

indien sprake is geweest van het door geweld of een andere feitelijkheid (of bedreiging

daarmee) dwingen tot het ondergaan van seksuele handelingen.

De in de tenlastelegging opgenomen beschrijving van de aan de verdachte verweten geweldshandelingen is ontleend aan de door aangeefster gegeven beschrijving van hetgeen zou zijn voorgevallen. Verdachte ontkent ten stelligste dat hij aangeefster tot seks gedwongen heeft en/of dat (een) ander(en) daarbij betrokken was/waren. Er staat slechts vast dat verdachte ontuchtige handelingen met aangeefster heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

De bewijsbeslissing over het tenlastegelegde geweld komt aldus in de kern neer op de beoordeling van de betrouwbaarheid van aangeefster en de geloofwaardigheid van haar verklaringen respectievelijk verdachte over de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde.

In het dossier is gerelateerd dat de politie op 9 augustus 2015, naar aanleiding van een melding van vermissing van aangeefster door haar vriendinnen en haar ouders, die zich zorgen over haar maakten (pv I, pgs. 10-11 en p. 128), naar aangeefster op zoek is gegaan.

Omstreeks 23:24 uur die dag ziet een verbalisant een jonge vrouw lopen in de Newtonstraat. Nadat hij haar heeft aangesproken en heeft vastgesteld dat zij degene is waarnaar men op zoek is, vertelt hij haar dat hij van de politie is en dat hij naar haar op zoek is. Daarop antwoordt zij: “Ik heb niks gedaan” en loopt zij door. Na nogmaals aanspreken gaat zij mee naar het politiebureau (pv I, p. 13). Op het bureau verklaart aangeefster omstreeks 00:45 uur voor het eerst over wat haar zou zijn overkomen (pv I, pgs. 41-45).

Zij verklaart over de geweldshandelingen en de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan dan wel heeft moeten verrichten en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd onder meer als volgt:

a. a) dat zij aan verdachte heeft gevraagd om haar in zijn auto naar een vriendin te brengen en haar daartoe bij het ziekenhuis af te zetten, maar dat verdachte dat niet deed en met haar naar de woning van zijn ouders is gereden, omdat hij daar naar zijn zeggen nog even iets moest pakken, terwijl hij de portieren van de auto op slot had gedaan en dat zij toen zo dom is geweest om met verdachte mee te gaan in die woning;

b) dat er vervolgens nog drie andere Turks sprekende jongens in die woning kwamen, die aan haar gingen zitten en onder andere, onder haar kleding, haar borsten hebben betast en daarin hebben geknepen. Toen zij tegen de jongens zei dat zij Nederlands moesten praten werd zij overal op haar lichaam geslagen. Zij kreeg vooral klappen aan de linkerkant van haar hoofd, waar zij veel pijn van had. Ook werd zij aan haar haren getrokken;

c) dat zij toestemming kreeg om naar de wc te gaan en dat zij daar naar haar vriendin heeft gebeld. Deze zei haar dat zij de politie moest bellen. Deze vriendin zei dat zijzelf al naar de politie was geweest. Daarop kwam één van de jongens en deze pakte telefoon van aangeefster af;

d) dat zij, toen de jongens nog beneden waren, naar boven in die woning is gelopen om te kijken of zij daar de woning uit kon vluchten aangezien de jongens de deuren op slot hadden gedaan en ook de rolluiken naar beneden hadden gedaan;

e) dat daarop twee van de jongens, waaronder verdachte, naar boven kwamen, dat deze haar uitkleedden waarna zij tegen haar wil die beide jongens heeft moeten pijpen (waarmee zij bedoelt dat zij met haar mond aan hun piemel moest zuigen) en dat zij zich door die beide jongens heeft moeten laten neuken (waarmee zij bedoelt dat de jongens hun piemel in haar vagina deden), waarbij zij meerdere malen werd geslagen op haar hoofd, benen en kont toen zij daar niet aan meewerkte en dat beide jongens (in haar) zijn klaargekomen;

f) dat zij woning heeft kunnen verlaten omdat zij een sleutel die op de tafel lag pakte waarmee zij de voordeur van de woning kon openen.

De rechtbank overweegt dat voor deze verklaringen van aangeefster steun kan worden gevonden in de resultaten van de (Y-chromosomale) DNA-onderzoeken en de onderzoeken van de biologische sporen in de bemonsteringen van de schaamlippen, de vagina, van een aangetroffen zuigzoen en van de rechtertepel van aangeefster, waaruit blijkt dat deze bemonsteringen sperma en speeksel bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte (pv I, p. 142) en minimaal één onbekende man (pv II, p. 26).

Echter, bij nadere beoordeling van de bevindingen uit het dossier en de verklaringen van aangeefster over de feiten kan daar het volgende tegenover worden gesteld.

Nog daargelaten de eerste reactie van deze 14-jarige aangeefster (“Ik heb niks gedaan”) tegenover de verbalisant die haar omstreeks 23:24 uur aansprak, kort nadat er volgens haar sprake zou zijn geweest van een brute verkrachting door meerdere onbekende personen waarna zij uit de woning waarin dat zou zijn gebeurd had weten te ontkomen, terwijl zij eerder tegen haar moeder had gezegd dat zij rond 20.00 uur thuis zou zijn (pv I, p. 47, eerste alinea), overweegt de rechtbank als volgt:

Ad a) De rechtbank acht het zeer wel mogelijk dat verdachte de (achter-)portieren van de auto op slot heeft gedaan, bijvoorbeeld door vergrendeling van deze portieren, zoals de raadsman heeft aangevoerd. Een en ander neemt niet weg dat aangeefster bij aankomst bij de ouderlijke woning van verdachte de auto vrijwillig heeft kunnen verlaten nadat verdachte de portieren had ontgrendeld. Dat aangeefster haar portier van de binnenzijde niet kon openen, zoals zij heeft verklaard (pv I, p. 60 vierde alinea van onderen), is niet aannemelijk geworden. Ook overigens blijkt niet dat aangeefster door verdachte is gedwongen om met hem in de woning te gaan (pv I, p. 67, derde alinea).

Ad b en e) In het dossier is geen steunbewijs te vinden voor de verklaring van aangeefster dat zij meerdere malen is geslagen op diverse plaatsen op haar lichaam. Aangeefster is op 10 augustus 2015 omstreeks 03:06 uur, dat wil zeggen binnen vier uur nadat zij op straat was aangetroffen, ten behoeve van een zedenonderzoek onderzocht door een forensisch arts in het ziekenhuis te Terneuzen. Deze arts heeft behoudens een huidverkleuring op haar linkerborst (wegens een zuigzoen) geen uiterlijk waarneembaar letsel bij aangeefster aangetroffen (pv I, pgs. 128-129).

Voor wat betreft het aangetroffen DNA van één andere onbekende man op/in het lichaam van aangeefster overweegt de rechtbank dat aangeefster, volgens haar vriendinnen, ten tijde van het tenlastegelegde reeds seksueel actief was (pv I, p. 85, laatste twee alinea’s; pv II, p. 34, derde alinea) en dat haar volgens haar eigen verklaring van 10 augustus 2015 al tweemaal eerder een zedenfeit was overkomen (pv I, p. 45 vierde alinea). Op grond hiervan kan niet zonder redelijke twijfel worden uitgesloten dat aangeefster op een eerder moment dan de tenlastegelegde feiten seksueel contact met een ander mannelijk persoon heeft gehad. Dat kan de verklaring zijn voor het op aangeefster aangetroffen DNA van de onbekende man.

Ad c) Uit de uitgelezen chatberichten op de in beslag genomen telefoon van aangeefster kan worden opgemaakt dat aangeefster in de gesprekken met haar vriendin [naam 1] geen antwoord kon of wilde geven op de vraag over de locatie waar zij was (pv I p. 28 en p. 32), dat zij benieuwd was of haar ouders het wisten en dat er “1 iemand bij haar is” (pv I, p 29 en p. 32), terwijl zij in het gesprek met haar vader op diens vraag: “Je weet toch wel iets” als antwoord heeft gegeven: “Nee. 1000 turken hier. ik wil weg” (pv I, p. 31). Op grond van deze bevindingen kan niet zonder redelijke twijfel worden uitgesloten dat aangeefster tegenover haar ouders een excuus zocht voor het feit dat zij niet op de afgesproken tijd thuis was gekomen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de persoon van aangeefster ook aanleiding geeft om haar verklaringen met terughoudendheid te bezien aangezien vriendinnen twijfels hebben geuit over de geloofwaardigheid van aangeefster in haar verklaringen.

(Ad d en f) Tegenover de verklaring van aangeefster dat de rolluiken door de jongens werden gesloten voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten staat de verklaring van verdachte dat de rolluiken van de woning al waren gesloten vanaf het moment dat er eerder in de woning was ingebroken, over welke inbraak zijn vader eveneens heeft verklaard (pv II, p, 30). Bovendien staat aangeefster alleen in haar verklaring dat de sleutel van de voordeur van de woning nog op een tafel lag en dat zij deze heeft weten te bemachtigen zonder dat de nog aanwezige jongens dit zouden hebben opgemerkt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verklaringen van aangeefster onvoldoende geloofwaardig zijn om ten grondslag te kunnen leggen aan een bewezenverklaring van de tenlastegelegde verkrachting. Evenmin kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat (een) andere perso(o)n(en) bij de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster betrokken was/waren. Dit brengt mee dat verdachte vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van de onder 2 tenlastegelegde verkrachting moet worden vrijgesproken. Dit laat onverlet dat er vanaf enig moment tijdens de seksuele handelingen door verdachte van vrijwilligheid aan de zijde van aangeefster geen sprake (meer) geweest zou kunnen zijn.

Feiten 1 en 3

Op grond van het vorenstaande en de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tenlastegelegde slaan op de vagina van aangeefster en het tenlastegelegde medeplegen. Zoals hiervoor onder feit 2 is overwogen, is er onvoldoende bewijs dat aangeefster is geslagen en dat er naast verdachte nog andere personen betrokken waren bij de ontuchtige handelingen. Van deze onderdelen van de feiten 1 en 3 zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij meermalen op of omstreeks 9 augustus 2015 te Terneuzen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand beneden de

leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedag slachtoffer] 2001),

buiten echt, ontuchtige handelingen heeft/hebben gepleegd, te weten het

betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of slaan/betasten op/van de vagina

van die [slachtoffer] en/of het kussen van die [slachtoffer] ;

3.

hij meermalen op of omstreeks 9 augustus 2015 te Terneuzen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt,

te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedag slachtoffer] 2001), buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft/hebben gepleegd die bestonden of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

en/of zijn mededader(s) de penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit om bij de straftoemeting voor hetgeen hij bewezen acht aansluiting te zoeken bij de zogenoemde Valkenburgse en Middelburgse zedenzaken (seksueel contact met een minderjarige prostituee), waar in de meeste gevallen straffen zijn opgelegd van een taakstraf in de vorm van een werkstraf in combinatie met één dag gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het bewezenverklaarde neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 14 jaar oud. Hij heeft het meisje meegenomen naar een voor haar onbekende woning en hij heeft haar in die woning ertoe gebracht seksuele handelingen bij hem te verrichten en te ondergaan, waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Verdachte heeft hierdoor louter ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het meisje, dat, zo blijkt genoegzaam uit het dossier, al zeer kwetsbaar was. Hij is bij dit alles volledig voorbij gegaan aan de psychische schade die hij door zijn ontuchtige handelen aan het meisje kon berokkenen.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog gedurende langere tijd ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2016 eerder wegens strafbare feiten, waaronder een diefstal met geweldpleging, tot straffen is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over de persoon van verdachte uitgebrachte advies van Emergis Verslavingsreclassering d.d. 1 november 2016.

De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde informatie vast dat verdachte vóór zijn detentie fulltime werkte als heftruckchauffeur bij een bedrijf in België, dat hij geen schulden heeft, nog bij zijn ouders inwoont en dat er geen aanwijzingen zijn voor psychiatrische problematiek of problematiek ten aanzien van middelengebruik.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de daarbij in aanmerking genomen persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet op de tijd die verdachte in verband met de feiten reeds in voorarrest heeft doorgebracht, had verdachte die straf reeds toen de zaak op zitting is behandeld, uitgezeten. De rechtbank heeft daarom inmiddels bij afzonderlijke beschikking het bevel tot gevangenhouding van verdachte opgeheven.

7 De benadeelde partij

De minderjarige [slachtoffer] (raadsman mr. J.C. van den Doel, advocaat te Zierikzee) heeft via haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 2] (de moeder) een vordering ingediend tot vergoeding van € 7.250,00, waarvan € 6.500,00 aan immateriële schade en

€ 750,00 aan materiële schade wegens rechtsbijstand, geleden wegens de tenlastegelegde feiten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2015, met behoud van het recht om eventueel nu nog niet bekende schade in een later stadium via een civielrechtelijke procedure van verdachte te vorderen. Tevens is namens de benadeelde verzocht de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 4.750,00, waarvan € 4.000,00 aan immateriële schade en € 750,00 aan materiële schade wegens rechtsbijstand.

De raadsman heeft de vordering betwist. Hij stelt daartoe dat uit de stukken blijkt dat aangeefster in het verleden eerder bij zedenzaken is betrokken, dat niet is vast te stellen hoeveel zedenzaken dat zijn geweest, hoe ernstig deze zijn geweest, wat de rol van aangeefster daarbij is geweest en wat de gevolgen daarvan voor aangeefster zijn geweest. De psychische schade die aangeefster uit de onderhavige feiten zou hebben geleden is niet gespecificeerd. Bovendien is tot vrijspraak gepleit ter zake van de tenlastegelegde verkrachting. Het causaal verband tussen dat feit en de gestelde schade ontbreekt. Een en ander maakt dat de hoogte van de immateriële schade niet eenvoudig is vast te stellen. De behandeling van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Ook de vordering wegens de materiële schade is niet voor toewijzing vatbaar aangezien aangeefster in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp.

De rechtbank overweegt dat voor vergoeding van (im)materiële schade alleen die schade in aanmerking komt die rechtstreeks het gevolg is van de tenlastegelegde feiten. De hoogte van die schade is in dit geval niet eenvoudig vast te stellen. De rechtbank overweegt daaromtrent dat aangeefster tegenover de politie heeft verklaard dat haar al tweemaal eerder een zedenfeit is overkomen (pv I, p. 45), dat verdachte van het meest ernstige feit (de tenlastegelegde verkrachting) is vrijgesproken en dat aangeefster voorafgaand aan de feiten al hulpverlening had. Volgens haar moeder (pv I, p. 50) heeft aangeefster ADD (Attention Deficit Disorder). Mede gelet op het verweer van de raadsman over de omvang van de schade en betwisting van het causaal verband tussen het handelen van verdachte en de gestelde schade maakt dat de rechtbank die schade in dit strafgeding niet eenvoudig kan bepalen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat hij met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 55, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige
handelingen plegen, meermalen gepleegd, en

feit 3: Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren

heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het

seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij, de minderjarige [slachtoffer] (raadsman mr. J.C. van den Doel, advocaat te Zierikzee), wettelijk vertegenwoordiger [naam 2] (de moeder) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Voorlopige hechtenis

- stelt vast dat het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven bij afzonderlijke beschikking van 10 maart 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. H.E. Goedegebuur en

mr. B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 maart 2017.

Mr. Poelert is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (Pv) wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een (voor kopie conform het origineel getekend exemplaar van een) ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar een paginanummer of bijlagen met aanduiding pv-I worden daarmee bedoeld: een pagina of bijlage opgenomen in het dossier van politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, team Zeden, onderzoek Brightlingsea, nummer ZBRBC15105 d.d. 1 november 2016 (doorlopende paginanummering 1 t/m 165). Wanneer wordt verwezen naar een paginanummer of bijlagen met aanduiding pv-II worden daarmee bedoeld: een pagina of bijlage opgenomen in het dossier van politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, team Zeden, onderzoek Brightlingsea II, nummer ZBRBC15105 d.d. 2 februari 2017 (doorlopende paginanummering 1 t/m 109).
Geschrift, te weten een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen ondertekend afschrift van een akte van geboorte van [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats slachtoffer] op [geboortedag slachtoffer] 2001, p. 52 pv I.

2 Pv verhoor aangeefster, p. 64 pv I en pv verhoor verdachte, p. 48 pv II.

3 Pv verhoor aangeefster, p. 70 pv I, vierde en dertiende alinea, p. 73 pv I, zesde, zevende en twaalfde alinea, p. 43 pv II, tweede alinea; pv verhoor verdachte, p. 49 pv II, eerste t/m zesde alinea, en verklaring van verdachte ter zitting van 9 maart 2017.