Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1728

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 431
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Belanghebbende laat een binnenzwembad bouwen aan het woonhuis van haar vennoten. Na realisatie stelt belanghebbende het zwembad ter beschikking aan Fysio VOF voor fysiotherapeutische behandelingen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van verhuur van een onroerende zaak. Tussen partijen is dan niet in geschil dat er sprake is van een belastbare prestatie en dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de bij de bouw van het zwembad in rekening gebrachte omzetbelasting. Wel ziet de rechtbank in hetgeen partijen over en weer hebben gesteld reden om de vooraftrek te beperken wegens privégebruik van het zwembad.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/27.19.15
V-N Vandaag 2017/1135
FutD 2017-1210 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/1711 met annotatie van drs. J. van der Laan, mr. J.P.W.H.T. Becks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/431 tot en met BRE 16/433

Uitspraak van 22 maart 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[A VOF] , gevestigd te [plaats X] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 27 augustus 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (hierna: het jaar 2014) ( [aanslagnummer] F.02.4502) opgelegd naar een bedrag van € 9.050. In hetzelfde geschrift is € 201 belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 4 september 2015 een beschikking ‘geen teruggaaf van omzetbelasting’ over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (hierna: het jaar 2013) ( [aanslagnummer] O.02.3501) afgegeven.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 december 2015 de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag, de in rekening gebrachte belastingrente en de beschikking gehandhaafd. De inspecteur heeft eveneens bij uitspraak op bezwaar van 11 december 2015 het bezwaar gericht tegen de beschikking ‘geen teruggaaf van omzetbelasting’ over het jaar 2013 (nummer: [aanslagnummer] B.02.3500) ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief van 19 januari 2016, ontvangen bij de rechtbank op 20 januari 2016, beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers: BRE 16/433 betreffende [aanslagnummer] F.02.4502, BRE 16/432 betreffende [aanslagnummer] B.02.3501 en BRE 16/431 betreffende [aanslagnummer] B.02.3500. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 334. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een faxbericht van 23 januari 2017 ingediend. Dit faxbericht is ter zitting in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017 te Breda. Voor het verhandelde ter zitting en een overzicht van de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het afschrift van het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt toegestuurd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Op [datum] 1995 werd [A VOF] opgericht met als vennoten [het echtpaar] . [A VOF] verrichtte van omzetbelasting vrijgestelde fysiotherapieactiviteiten . Vanaf omstreeks 1999 is de handelsnaam [naam] toegevoegd.

2.2.

Per [datum] 2007 (bij overeenkomst van [datum] 2007) werd [A VOF] (hierna: [A VOF] ) opgericht door [het echtpaar] en hun zoon [naam] . Hierbij zijn door [het echtpaar] onder meer de activiteiten en de roerende zaken van [A VOF] ingebracht. Het door [het echtpaar] uitgeoefende bedrijf [B VOF] (hierna: [B VOF] ) blijft buiten deze vennootschap.

2.3.

[A VOF] heeft praktijkruimten op meerdere locaties, te weten aan de [adres 1] te [plaats X] , de [adres 2] te [plaats X] en [adres 3] te [Plaats Y] .

2.4.

[het echtpaar] is woonachtig in het woonhuis aan de [adres 2] te [plaats X] (hierna: het woonhuis). In het woonhuis is de voornoemde praktijkruimte, bestaande uit twee behandelkamers en een fitnessruimte, gelegen.

2.5.

In 2013 is gestart met de uitbreiding van het woonhuis door de aanbouw van een binnenzwembad inclusief douche- en kleedruimte en berging (hierna: het zwembad). De facturen hiervan zijn gericht aan [B VOF] . Op de facturen van [naam bouwbedrijf] staat achter ‘betreft’: ´Uitbreiding woonhuis aan de [adres 2] te [plaats X] ’.

2.6.

Op 2 april 2014 hebben [B VOF] en [A VOF] een ‘overeenkomst gebruik zwembad’ gesloten. Hierbij zijn [B VOF] en [A VOF] overeengekomen dat [B VOF] het zwembad aan [A VOF] in gebruik geeft tegen een vergoeding van € 30 per uur exclusief 6% omzetbelasting. Maandelijks wordt een voorschotfactuur van € 1.000 exclusief btw in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar vindt een afrekening plaats op basis van het werkelijke gebruik.

In de overeenkomst staat voorts, voor zover hier van belang:

3. Voorwaarden /verplichtingen voor Gebruiker

a. Het is Gebruiker [Rb: [A VOF] ] niet toegestaan het zwembad aan een derde (andere dan een patiënt van Gebruiker) in gebruik te geven;

b. Het zwembad moet door Gebruiker in overeenstemming met haar bestemming worden gebruikt, aanwijzingen van de beheerder in dit kader moeten stipt worden opgevolgd;

c. In het gehele gebouw mag niet gerookt worden;

d. De gebruiker mag alleen binnen de overeengekomen tijd het zwembad betreden;

e. Het zwembad dient na het overeengekomen gebruik te worden achtergelaten zoals de gebruiker de accommodatie in gebruik nam. Bij niet-naleving hiervan zullen de eventuele kosten voor schoonmaak, reparatie of anderszins door Exploitant [Rb: [B VOF] ] in rekening worden gebracht bij Gebruiker;

f. Gebruiker is verplicht Exploitant onmiddellijk in kennis te stellen van alle schade en/of gebreken aan het zwembad of inventaris daarvan;

g. Gebruiker is verplicht tot vergoeding van schade aan het zwembad en inventaris, die door zijn toedoen is veroorzaakt;

h. De aanwezige nooduitgangen mogen niet worden geblokkeerd en de brandblusmiddelen moeten bereikbaar zijn;

i. Het zwembad mag niet met schoenen worden betreden (uitsluitend badslippers, blote voeten of de desbetreffende schoenhoesjes);

j. Het is verboden om in het zwembad eten of drinken te nuttigen.

4. Bepalingen voor Exploitant

a. Exploitant is gehouden tot de schoonmaak en onderhoud van het zwembad en te voorzien in de voorzieningen en materialen, zodat Gebruiker het zwembad kan gebruiken voor de bestemming;

b. Exploitant is gerechtigd om over het zwembad te beschikken voor het uitvoeren van

onderhoudswerkzaamheden of evenementen van Exploitant zelf; van dit recht zal uitstuitend

gebruik worden gemaakt in goed overleg met Gebruiker;

c. Exploitant is gerechtigd om in geval van wanbetaling of het anderszins niet nakomen van

overeengekomen voorwaarden door Gebruiker, een bestaande overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en de toegang tot het zwembad te weigeren. Bij achterstallige betalingen wordt een incassobureau ingeschakeld;

d. Exploitant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die ontstaat als gevolg van letsel, toegebracht aan Gebruiker en derden tijdens het gebruik van het zwembad;

e. Exploitant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor beschadigen, verwisselen of zoekraken van materialen en eigendommen van Gebruiker en derden;”

2.7.

Per 1 april 2014 is het zwembad in gebruik genomen.

2.8.

Over het jaar 2013 zijn op 24 maart 2014 een jaaraangifte en op 8 januari 2015 een suppletieaangifte omzetbelasting gedaan. De jaaraangifte resulteerde in een verschuldigd bedrag aan omzetbelasting (hierna: OB) van € 2.287 en een bedrag aan voorbelasting van € 42.254. In de suppletie is dit herzien in een verschuldigd OB bedrag van € 2.280 en aan voorbelasting een bedrag van € 41.348. Het in deze aangiften belichaamde verzoek om teruggaaf van uiteindelijk € 39.068 is bij beschikking van 4 september 2015 (zie 1.1.2) afgewezen.

2.9.

Over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 is aangifte omzetbelasting gedaan resulterend in een terug te ontvangen bedrag van € 5.805, bestaande uit € 429 verschuldigde omzetbelasting en € 6.234 aan voorbelasting, waarvan € 5.298 ziet op de in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van de bouw van het zwembad. Dit bedrag is aan belanghebbende uitbetaald. Bij naheffingsaanslag van 27 augustus 2015 is dat bedrag van € 5.805 nageheven tezamen met een bedrag van € 3.245 dat ziet op het tweede kwartaal van 2014, derhalve in totaal € 9.050 (zie 1.1.1).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de terbeschikkingstelling van het zwembad door [B VOF] aan [A VOF] aangemerkt moet worden als de verhuur van een onroerende zaak. Indien de terbeschikkingstelling verhuur van een onroerende zaak is, dan is niet in geschil dat de beroepen ongegrond zijn. Indien het geen verhuur van een onroerende zaak is, dan is in geschil of rekening gehouden dient te worden met privégebruik, en zo ja, in welke mate.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot toekenning van de teruggaaf over 2013 zoals verzocht en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag en de in rekening gebrachte belastingrente.

3.4.

De inspecteur concludeert primair tot ongegrondverklaring van de beroepen en subsidiair tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot een teruggaaf over 2013 en vermindering van de naheffingsaanslag voor 2014 naar de in 4.6 vermelde bedragen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf (I)

4.0.

Voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 11 december 2015 gericht tegen de beschikking ‘geen teruggaaf van omzetbelasting’ over het jaar 2013 (nummer: [aanslagnummer] B.02.3500) verklaart de rechtbank dit beroep (zaaknummer 16/431) niet-ontvankelijk. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat aan deze beslissing geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag ten grondslag ligt. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank dan geen belang bij deze procedure.

Vooraf (II)

4.1.

[A VOF] en [B VOF] hebben, hoewel niet alle vennoten dezelfde zijn, lange tijd hetzelfde btw-nummer gehad, zij het met een ander subnummer. Hierdoor is verwarring ontstaan en is de vraag gerezen of de in 2.8 en 2.9 genoemde verzoeken om teruggaaf van btw wel door de juiste belanghebbende zijn gedaan en wie als beroepsgerechtigde kan worden aangemerkt. Ter zitting heeft inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat deze formeelrechtelijke kwesties niet aan belanghebbende worden tegengeworpen, en dat het geschil beperkt is tot de inhoudelijke geschilpunten (zie 3.1). De rechtbank volgt partijen hierin.

Is er sprake van verhuur van een onroerende zaak?

4.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3891, uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die zijn gewezen in de zaken Stockholm Lindöpark (C-150/99) en Temco Europe SA

(C-284/03) afgeleid dat het passieve karakter van de verhuur van onroerende goederen verloren gaat, wanneer de andere elementen van de prestatie waarmee rekening wordt gehouden een meer dan kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van dat deel van de wederprestatie dat met het tijdsverloop verband houdt. In dit arrest heeft de Hoge Raad tevens het volgende overwogen:

“Bij de beoordeling of de kenmerkende elementen die naast de terbeschikkingstelling van een onroerende zaak deel uitmaken van de prestatie, als bijkomstig in vorenvermelde zin moeten worden beschouwd, dient te worden onderscheiden naar handelingen die behoren tot zaakgerelateerde handelingen die een verhuurder normaal gesproken verricht (zoals het onderhoud van het verhuurde, het onderhoud en de schoonmaak van centrale voorzieningen, de aansluiting van elektriciteit, water en gas), en handelingen waarvan is te onderkennen dat zij worden verricht om een specifiek gebruik van de onroerende zaak door de huurder te faciliteren. Deze laatste handelingen hebben, tenzij deze voor het doel van het gebruik door de huurder van ondergeschikt belang zijn, een toegevoegde waarde van betekenis. Hierbij kan gedacht worden aan het ter beschikking stellen van (een) bijzonder voor dat doel geschikte voorziening(en) in combinatie met aanvullend dienstbetoon, verricht door (personeel van) de verhuurder, voor, tijdens en/of na het gebruik van de onroerende zaak.”

4.3.

Gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van verhuur van een onroerende zaak. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. [B VOF] faciliteert een specifiek gebruik van de onroerende zaak, namelijk het faciliteren van fysiotherapeutische behandelingen in het zwembad. Ter zitting heeft de gemachtigde onweersproken gesteld dat het zwembad ter beschikking wordt gesteld met attributen zoals een loopband, jet streams en reguleerbare temperatuur en dat alvorens [A VOF] daar met haar patiënten komt, [B VOF] er voor zorgt dat de temperatuur van het water zodanig is ingesteld dat dit voldoet aan de behandelwensen voor de eerstvolgende cliënt van [A VOF] . Daarnaast is het ook [B VOF] die zorgt voor de dagelijkse schoonmaak. Verder acht de rechtbank van belang dat de duur van de ter beschikking stelling van het zwembad telkens kortstondig is. Uit de ‘overeenkomst gebruik zwembad’ en hetgeen ter zitting is verklaard volgt dat het zwembad telkens voor een behandelduur van één uur aan een fysiotherapeut en zijn cliënt ter beschikking wordt gesteld, een uurtarief wordt gehanteerd en dat maandelijks achteraf verrekening plaatsvindt op basis van het aantal uren waarop het zwembad door [A VOF] daadwerkelijk is gebruikt.

4.4.

Partijen zijn het erover eens dat in het geval zoals hiervoor beslist, niet in geschil is dat er sprake is van een belastbare prestatie. Er bestaat dan dus in principe recht op aftrek van de bij de bouw van het zwembad in rekening gebrachte OB. In hoeverre deze OB kan worden afgetrokken, is afhankelijk van de vraag of en zo ja, hoeveel privégebruik aanwezig is.

Privégebruik?

4.5.

Belanghebbende is van mening dat er geen correctie voor het privégebruik dient plaats te vinden. Zij stelt dat bij de bouw van het zwembad geen privédoeleinde voor ogen stond. Bovendien kon in 2013 nog geen sprake zijn van privégebruik, omdat het zwembad toen nog niet af was. In 2014 was het privégebruik van het zwembad door [het echtpaar] zo minimaal dat dit gebruik verwaarloosbaar moet worden geacht, aldus belanghebbende. Zij verwijst naar artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB).

4.6.

De inspecteur stelt dat vanwege privégebruik de verzochte (2013) en de in aanmerking genomen (2014) vooraftrek beperkt dient te blijven naar evenredigheid van het gebruik voor de bedrijfsactiviteiten (conform artikel 15, eerste lid, van de Wet OB). Hij is van mening dat het privégebruik telkens gesteld moet worden op 389/772ste deel van de verzochte dan wel genoten vooraftrek ter zake van de bouwkosten van het zwembad. Voornoemd deel is gebaseerd op enerzijds een schatting van het aantal uren privégebruik per jaar (389 uur) op basis van verklaringen van [het echtpaar] en anderzijds een schatting van het aantal uren ‘verhuur’ per jaar (383 uur) op basis van rekeningen in de periode april tot en met december 2014. Dit leidt tot een teruggaaf van € 20.375 over het jaar 2013 (zie verweerschrift, onderdeel 7.2). Voor het jaar 2014 heeft de inspecteur ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat de weigering van aftrek wegens privégebruik alleen ziet op het in 2.9 vermelde bedrag van € 5.298, en daarmee € 2.670 (389/772 * 5.298) bedraagt. Tot dit bedrag dient dan de naheffingsaanslag verminderd te worden.

4.7.

In het eerste lid van artikel 15 van de Wet OB is onder meer bepaald dat indien een onroerende zaak deel uitmaakt van het vermogen van het bedrijf van een ondernemer en door de ondernemer zowel voor de activiteiten van het bedrijf als voor zijn privégebruik of voor het privégebruik van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, de belasting over de uitgaven in verband met deze onroerende zaak slechts aftrekbaar is, overeenkomstig de in dit artikel vervatte beginselen, naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de bedrijfsactiviteiten van de ondernemer. Artikel 15, vierde lid, van de Wet OB bepaalt dat de aftrek van belasting plaats vindt overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken blijkt dat de belasting ter zake daarvan voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat het zwembad tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoort. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende een aftrek van voorbelasting claimt. Het is dan ook aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op een hogere aftrek dan waartoe de inspecteur concludeert.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het zwembad naar zijn bestemming er sprake zou zijn van geen enkel dan wel een verwaarloosbaar klein privégebruik. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De omschrijvingen van de werkzaamheden die zijn verricht om het zwembad te realiseren en de aanvraag voor de omgevingsvergunning beschrijven dat het gaat om een zwembad voor privégebruik. Het zwembad is als een deel van de woning ontworpen. Er is een vrije toegang tot de tuin en het maakt deel uit van het gebouw dat als woning dient. Dat enige ruimten daarvan als praktijkruimten in gebruik zijn, maakt dit niet wezenlijk anders. Ten slotte wijst de rechtbank erop dat er tegenstrijdige verklaringen over het gebruik van het zwembad zijn gegeven. Bij het bezoek ter plaatse door de inspecteur heeft [het echtpaar] verklaard dat er ook door hem, zijn vrouw en zijn zoon in wordt gezwommen, en in beroep wordt gesteld dat dit in het geheel niet of verwaarloosbaar het geval is. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk gemaakt dat, naar de bestemming van het zwembad, het privégebruik minder – en omgekeerd het gebruik voor bedrijfsactiviteiten hoger – is dan door de inspecteur in beroep is gesteld. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf dan wel een lagere naheffingsaanslag dan door inspecteur, zie 4.6, is geconcludeerd.

Belastingrente

4.10.

Belanghebbende heeft tegen de belastingrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast. Echter, nu de navorderingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2014 wordt verminderd dient de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd. Het beroep ten aanzien van de beschikking belastingrente is gegrond.

4.11.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep met zaaknummer BRE 16/431 niet-ontvankelijk te worden verklaard (zie 4.0) en dienen de beroepen met zaaknummers BRE 16/432 en BRE 16/433 gegrond te worden verklaard (zie 4.9).

5 Proceskosten

5.1.

Nu de beroepen met zaaknummers BRE 16/432 en BRE 16/433 gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van die beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. In bezwaar is niet om kostenvergoeding gevraagd.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een integrale proceskostenvergoeding worden verleend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Van een bijzondere omstandigheid is sprake als een bestuursorgaan een besluit neemt of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). De rechtbank is van oordeel dat een bijzondere omstandigheid hier niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen tot de door belanghebbende gevraagde vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5.3.

In dat geval verzoekt belanghebbende de te vergoeden kosten op de forfaitaire bedragen van het Besluit vast te stellen. De rechtbank beschouwt beide zaken waarin het beroep gegrond is, als samenhangend. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). In elk van de twee zaken zal de helft van dit bedrag worden toegekend.

6 Beslissing

Met betrekking tot het beroep BRE 16/431, beschikking ‘geen teruggaaf’ omzetbelasting 2013 (nummer [aanslagnummer] B.02.3500):

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot het beroep BRE 16/432, beschikking ‘geen teruggaaf’ omzetbelasting (nummer: [aanslagnummer] O.02.3501):

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de beschikking ‘geen teruggaaf’;

  • -

    verleent een teruggaaf van € 20.375;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 495;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 aan deze vergoedt.

Met betrekking tot het beroep BRE 16/433, naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 (nummer [aanslagnummer] F.02.4502):

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 tot € 2.670;

  • -

    vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 495.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, en mr. C.A.F.M. Stassen en mr. T. van Rij, leden, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.