Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1695

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
5639443
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Billijke vergoeding € 5.000,00 bruto op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW. Ernstig verwijtbaar nalaten werkgever. Werkgever heeft zich onvoldoende ingespannen om de arbeidsrelatie met werknemer te herstellen na een plaatsgevonden incident tussen werknemer en zijn leidinggevende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1599
AR-Updates.nl 2017-0383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 5639443 AZ VERZ 17-3

Beschikking d.d. 14 maart 2017 in de zaak van:

[voornaam verzoeker] [verzoeker],

wonende te Roosendaal,

verzoekende partij,

verder te noemen: ‘ [verzoeker] ’,

gemachtigde: mw. I.G. Bakker, werkzaam bij FNV te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap Laco Strijen B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te (3291 TN) Strijen, aan het adres Sportlaan 4,

verwerende partij,

verder te noemen: ‘Laco’,

gemachtigde: mw. mr. A.W.J.D. Ray-Engels, advocaat te Roermond.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter verwijst voor het verloop van het geding naar zijn beschikking van 11 januari 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2017 ontbonden en Laco veroordeeld om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen ter hoogte van € 18.000,00 bruto. Daarnaast is bepaald dat [verzoeker] zich uiterlijk bij akte op 7 februari 2017 en Laco zich bij antwoordakte op 7 maart 2017 uitlaat over de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding.

1.2.

De akte aan de zijde van [verzoeker] is ter griffie ontvangen op 8 februari 2017. De antwoordakte aan de zijde van Laco op 22 februari 2017.

1.3.

Daarna is beschikking bepaald.

2 Het verzoek

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om ten laste van Laco een billijke vergoeding ter hoogte van € 20.000,00 bruto toe te kennen, op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoeker] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Laco. Meer specifiek stelt [verzoeker] dat er als gevolg van laakbaar gedrag van Laco een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan, waardoor geen andere optie open stond dan ontslag. [verzoeker] stelt daartoe – samengevat – ten eerste dat Laco onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen wegens arbeidsongeschiktheid. Laco heeft het advies van haar bedrijfsarts ten aanzien van de belastbaarheid van [verzoeker] – bestaande uit minder werkbelasting en aangepaste werktijden – niet opgevolgd. Ten tweede heeft Laco niet adequaat gereageerd op een conflict dat op 2 juni 2015 heeft plaatsgevonden tussen hem ( [verzoeker] ) en zijn leidinggevende. Laco heeft geen actie ondernomen om de relatie tussen hem en zijn leidinggevende te verbeteren. De gesprekken die tussen hen hebben plaatsgevonden zijn niet adequaat geweest, omdat deze gesprekken enkel gericht waren op het herstel van [verzoeker] als persoon en niet op herstel van de arbeidsverhoudingen onderling. Ten derde is pas in april 2016 een mediationtraject geïnitieerd, maar op dat moment was de arbeidsrelatie evenwel zo verstoord, dat het voortzetten hiervan niet zinvol was. Laco heeft haar verplichtingen als goed werkgever dan ook in ernstige mate geschonden, zodat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst volledig aan Laco te wijten is, aldus [verzoeker] .

3 Het verweer

Laco verweert zich en stelt dat het verzoek om ten laste van haar een billijke vergoeding toe te kennen, moet worden afgewezen. Van ernstig handelen of nalaten aan haar zijde is geen sprake. Laco is haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoeker] te allen tijde keurig nagekomen. Laco heeft altijd het advies van haar bedrijfsarts opgevolgd. Met de medische klachten van [verzoeker] werd bewust rekening gehouden. Laco heeft de taken (zowel inhoudelijk als qua samenstelling) en uren van [verzoeker] aangepast. Daarentegen heeft [verzoeker] vanaf medio 2015 instructies van Laco genegeerd en zich onredelijk en vijandig tegenover zijn leidinggevende opgesteld. Na het incident op 2 juni 2015 heeft Laco er alles aan gedaan om de arbeidsverhouding tussen haar en [verzoeker] weer op de rit te krijgen. Zo hebben diverse gesprekken tussen partijen plaatsgevonden, heeft Laco een mediator ingeschakeld en heeft Laco aan [verzoeker] een andere functie op een andere locatie aangeboden. Omdat deze maatregelen niet tot een oplossing hebben geleid, had Laco geen andere keuze dan de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden, aldus Laco.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in onderhavige zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend.

4.2.

Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW is slechts plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

4.3.

Vaststaat dat de verhouding tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende verstoord is geraakt. Hiervoor lijkt een kiem te zijn gelegd door de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en door de daarbij behorende re-integratieverplichtingen voor partijen over en weer. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] betoogt, oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat Laco onvoldoende met zijn beperkingen rekening heeft gehouden. Zo blijkt uit het door Laco in het geding gebrachte verzuimdossier dat in de periode vanaf de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] in mei 2014 tot aan indiening van het ontbindingsverzoek door Laco op 11 november 2016 regelmatig gesprekken hebben plaatsgevonden tussen [verzoeker] , de bedrijfsarts, de Arbocoördinator en de vestigingsmanager van Laco. Daarnaast blijkt uit het door [verzoeker] in het geding gebrachte beoordelingsverslag over de periode december 2013 tot december 2014 dat [verzoeker] door zijn ziekte moeilijk objectief te beoordelen is en dat Laco daarom heeft besloten geen ‘echte’ beoordeling in te vullen, maar dat de beoordeling is bedoeld om zaken die spelen formeel vast te leggen en te bespreken. In dat verslag is ook vermeld dat [verzoeker] minder uren is gaan werken. Dit verslag is door [verzoeker] ondertekend. Verder blijkt uit het verslag van de bedrijfsarts van 13 juni 2014 dat [verzoeker] niet op maandagen werkt en dat een deel van het werk aangepast werk is. De bedrijfsarts adviseert om voorlopig op dit niveau qua werkbelasting door te gaan. Ook op 2 maart 2016 geeft de bedrijfsarts het advies: “even het huidige werkniveau aanhouden”. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] met betrekking tot deze adviezen een deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd. Laco mocht derhalve uitgaan van de oordelen van haar bedrijfsarts. Pas op 22 juni 2016 (nadat het incident tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende heeft plaatsgevonden) schrijft de bedrijfsarts dat [verzoeker] niet in staat is om zijn werk te doen en dat hij, met betrekking tot zijn re-integratie, even rust moet houden en de uitslagen van de ingezette medische onderzoeken af moet wachten. [verzoeker] heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat hij door Laco na 22 juni 2016 is opgeroepen om werkzaamheden te verrichten. Geenszins is dus komen vast te staan dat Laco op een onjuiste wijze vorm gaf aan het re-integratietraject. Gelet op voorgaande had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stellingen dat hij meer dan de overeengekomen 38 uren per week werkte, dat enkel de vrije maandagen niet afdoende rust gaven en dat Laco regelmatig vergaderingen en cursussen op maandagen plande, nader te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

4.4.

De arbeidsverhouding is vervolgens verder verstoord geraakt door het incident dat op 2 juni 2015 tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende heeft plaatsgevonden. In een dergelijke situatie ligt het op de weg van de werkgever om de situatie tussen beiden te neutraliseren. In tegenstelling tot hetgeen Laco betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat Laco niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ‘er alles aan gedaan heeft’ om de arbeidsrelatie te herstellen. Een enkel gesprek op 3 juni 2015 – een dag na het incident – en een beoordelingsgesprek op 13 november 2015, waarin volgens Laco de arbeidsrelatie is besproken, is immers onvoldoende. Daarbij komt dat Laco onvoldoende heeft aangetoond dat de inhoud van deze gesprekken gericht was op een herstel van de arbeidsverhouding. Hoewel Laco stelt dat bij het gesprek van 3 juni 2015 de aanwezige regiomanager een bemiddelende rol heeft gehad, is onduidelijk wat partijen en deze regiomanager hebben besproken en welke oplossingsgerichte afspraken tussen partijen zijn gemaakt. Verder heeft het beoordelingsgesprek van [verzoeker] op 13 november 2015 plaatsgevonden met de persoon met wie [verzoeker] op dat moment een conflict had, zonder aanwezigheid van een (onafhankelijke) derde, hetgeen in een dergelijke situatie wel van Laco verwacht had mogen worden. Hoewel in het beoordelingsverslag gesproken wordt over het opstellen van een verbetertraject, is onduidelijk of dit traject enkel ziet op het vermeend (dis)functioneren van [verzoeker] , op de verhouding tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende of op een combinatie van beide. Bovendien wordt het initiatief tot het opstellen van een verbetertraject geheel bij [verzoeker] gelegd, terwijl – wanneer sprake is van een conflict – het voor de hand ligt dat het initiatief hiervoor van beide kanten dient te komen. Laco stelt nog dat uit het beoordelingsverslag blijkt dat er tussen de periode van juni 2015 tot en met november 2015 een aantal gesprekken heeft plaatsgevonden, waaronder met de Arbocoördinator en de regiomanager. De kantonrechter stelt echter vast dat in het beoordelingsverslag staat: “Sinds [voornaam verzoeker] vanaf mei weer helemaal aan de slag zou gaan lijkt er sprake te zijn van achteruitgang in zijn algehele functioneren. Er hebben hierover verschillende gesprekken plaatsgevonden o.a. functioneringsgesprek maar ook met de Arbo coördinator en de regiomanager”. Het voornoemde woord “hierover” lijkt te impliceren dat de gestelde gesprekken (voornamelijk) hebben plaatsgevonden om de arbeidsongeschiktheid en het vermeend (dis)functioneren van [verzoeker] te bespreken. Laco heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld wanneer die gesprekken hebben plaatsgevonden en dat tijdens die gesprekken (oplossingsgericht) over de arbeidsverhouding tussen partijen is gesproken. Laco stelt nog bij akte dat de door haar ondernomen pogingen niet tot een wezenlijke verbetering hebben geleid, reden waarom zij in juni 2016 een mediator heeft ingeschakeld om de arbeidsverhouding te herstellen dan wel verbeteren. Niet is gebleken welke pogingen – anders dan de gesprekken van 3 juni en 13 november 2015, die op zichzelf onvoldoende zijn – Laco dan heeft ondernomen. Laco heeft geen andere gespreksverslagen of stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij (voldoende) inspanningen heeft verricht om de arbeidsrelatie te herstellen. De kantonrechter kan [verzoeker] dan ook volgen in zijn stelling dat op het moment dat het mediationtraject gestart werd, de arbeidsrelatie dusdanig verstoord was dat dit traject niet langer zinvol werd geacht. Dat Laco onvoldoende inspanningen heeft verricht om de situatie te neutraliseren klemt te meer omdat [verzoeker] al lange tijd in dienst was en altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Laco heeft na het incident op 2 juni 2015 spreekwoordelijk haar kop in het zand gestoken en de verstoring in stand gelaten. Die opstelling acht de kantonrechter laakbaar, en wel zodanig dat dit valt te kwalificeren als een ernstig verwijtbaar nalaten in de zin van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW.

4.5.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever. Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 5.000,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de arbeidsrelatie door het nalaten van Laco dusdanig verstoord is geraakt dat dit heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar dat de verstoring niet uitsluitend door dit nalaten is veroorzaakt. De ernstig verwijtbare gedraging van Laco rechtvaardigt derhalve wel een vergoeding, maar de gedraging is niet zodanig ernstig dat dit een vergoeding rechtvaardigt zoals door [verzoeker] verzocht.

4.6.

Nu aan de ontbinding (zoals uitgesproken bij beschikking met zaaknummer 5506132 AZ VERZ 16-120 van 11 januari 2017) een vergoeding wordt verbonden, zal Laco – gelet op artikel 7:686a lid 6 BW – in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

4.7.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Indien Laco het ontbindingsverzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verzoeker] moeten betalen. De proceskosten van [verzoeker] zullen in dat geval worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 voor salaris van de gemachtigde van [verzoeker] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Laco het ontbindingsverzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 24 maart 2017.

Voor het geval de werkgever het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

5.2.

veroordeelt Laco om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.4.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Voor het geval de werkgever het verzoek binnen die termijn intrekt:

5.5.

veroordeelt Laco tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoeker] .

5.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2017, in tegenwoordigheid van mr. V. Hartman griffier.