Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1675

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/02/324914/ HA RK 16-261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie Breda

Procedurenummer: C/02/324914/ HA RK 16-261

Beslissing van 14 februari 2017 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[Verzoeker] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verzoeker,

raadsvrouwe: mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het op 19 december 2016 ingekomen wrakingsverzoek, gericht tegen mrs. Janssen, Dekker en De Weert, leden van de meervoudige strafkamer en belast met de behandeling van na te noemen strafzaak;

  • -

    de van mr. Janssen, mede namens mrs. Dekker en De Weert op 31 januari 2017 ingekomen schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek;

  • -

    de processtukken in na te noemen strafzaak, en

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 7 februari 2017, waarbij zijn verschenen namens verzoeker mr. Van Essen, mrs. Janssen en De Weert, alsmede mr. Van Damme, officier van justitie.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mrs. Janssen, Dekker en De Weert, allen voornoemd, hierna ook te noemen de rechters, leden van de strafkamer, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 02/811322-12.

Blijkens de van de rechters ingekomen reactie op het wrakingsverzoek berusten zij niet in het verzoek tot hun wraking.

3 De gronden van wraking

3.1.

In de hiervoor genoemde strafzaak wordt aan verzoeker onder meer het telen/bewerken/verwerken/verkopen van hennepplanten/hennep, het plegen van witwassen van door misdrijf verkregen geldbedragen en/of goederen tenlastegelegd, alsook deelname aan een criminele organisatie. De zaak van verdachte maakt deel uit van een grote strafzaak ([Naam A] c.s.), waarin 17 andere (mede)verdachten terecht staan. In de zaak zijn door de meervoudige strafkamer (in gewijzigde samenstellingen) vanaf 2013 diverse pro forma/regiezittingen gehouden, laatstelijk op 16 december 2016 in een samenstelling als hiervoor genoemd en in de extra beveiligde zittingszaal te Amsterdam (de bunker). Verzoeker zit vanwege door de hem afgelegde voor zijn medeverdachten belastende verklaringen in een zogeheten TGB-traject.

3.2.

Blijkens het van de zitting van 16 december 2016 opgemaakte proces-verbaal en de daaraan gehechte pleitnota heeft de verdediging van verzoeker op de daarbij aangegeven en hierna te noemen gronden de rechters in overweging gegeven zich te verschonen. De rechters zijn hieraan voorbijgegaan. De verdediging van verzoeker heeft vervolgens bij op 19 december 2016 ingekomen verzoekschrift, na sluiting van de zitting, de rechters gewraakt.

3.3.

Als gronden voor het wrakingsverzoek voert de verdediging aan dat de rechters de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt door:

a. onvoldoende oog te hebben voor het belang van de verdediging bij het onbeperkt gebruik maken van het aanwezigheidsrecht ter zitting van verzoeker, zoals gebleken in de planning van de zaak en de communicatie met zijn raadsvrouwe;

b. geen oog te hebben voor het evidente belang van de verdediging bij een gelijktijdige behandeling van de zaken van alle verdachten in dit onderzoek tegenover het ontbreken van een plausibel strafvorderlijk belang bij de gescheiden behandeling, ook in het geval van een regiezitting, en

c. door de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 30 november 2016, inhoudende de gemotiveerde beslissingen op de onderzoekswensen van de medeverdachten.

3.4.

Ter adstructie voor wrakingsgrond ad a. voert de verdediging aan, dat de omstandigheid dat verzoeker als verdachte in de onderhavige strafzaak in een TGB-traject zit, maakt dat de contacten tussen de raadsvrouw en verzoeker en omgekeerd voor de noodzakelijke bespreking van alle ontwikkelingen in de zaak en van de verklaringen van alle getuigen, moeizaam verlopen. Het is dan ook volgens de verdediging van meet af aan volstrekt helder dat verzoeker op zijn zittingen aanwezig wil zijn. Dat was ook de reden dat de zitting voor alle verdachten tegelijk was gepland in de beveiligde rechtbank in Rotterdam.

3.4.1.

Niettegenstaande het vorenstaande heeft de behandeling ter zitting van de zaak van verzoeker plaatsgevonden op 16 december 2016 in de bunker, terwijl de behandeling van de zaken van de overige verdachten op 16 november 2016 heeft plaatsgehad bij de rechtbank Rotterdam, op welke zitting alle onderzoekswensen van de medeverdachten, die volstrekt verweven zijn met die van verzoeker, zijn gedaan en waarop op 30 november jl. is beslist.

3.4.2.

De rechters hebben naar de opvatting van de verdediging daarbij klakkeloos de mededeling van het openbaar ministerie, dat de rechtbank Rotterdam niet geschikt zou zijn voor een behandeling van de zaak van verzoeker, aangenomen en hebben eenvoudigweg besloten dat verzoeker dan maar niet op die zitting aanwezig is.

3.4.3.

In de optiek van de verdediging behoren echter de rechters direct en volstrekt duidelijk en ondubbelzinnig te communiceren naar alle procespartijen dat het aanwezigheidsrecht van verzoeker VOOR allerlei logistieke fouten en complexiteiten gaat. Dit is niet gebeurd.

3.5.

Als toelichting op wrakingsgrond b. betoogt de verdediging dat zij, nu een gelijktijdige behandeling volgens de rechters op grond van het vorenstaande niet mogelijk zou zijn, heeft verzocht de zitting van alle verdachten te verplaatsen naar een datum waarop dit in de bunker mogelijk was. Dit was kennelijk snel het geval, omdat een maand later (16 december 2016) de zaak van verzoeker in de bunker is behandeld.

3.5.1.

Desondanks is door de rechters beslist om de zaak van verzoeker af te splitsen van de overige verdachten. Verzoeker kan zich daardoor niet aansluiten bij de onderzoekswensen van de medeverdachten en is hij niet op de hoogte van de motivering van die wensen, terwijl deze voor het overgrote deel ook op hem en zijn verklaringen betrekking hebben.

3.5.2.

In de opvatting van de verdediging heeft verzoeker een evident belang om diens zaak gelijktijdig met die van de medeverdachten behandeld te zien. Dit was ook de bedoeling gezien de oorspronkelijk geappointeerde gelijktijdige behandeling van alle zaken in de beveiligde rechtbank Rotterdam. Met het niettemin splitsen van de zaken, enkel vanwege een fout aan de kant van het openbaar ministerie of de rechtbank bij de planning, hebben de rechters eveneens getoond vooralsnog weinig oog te hebben voor de belangen van de verdediging.

3.6.

Ter zake van wrakingsgrond ad c. voert de verdediging aan, dat blijkens het proces-verbaal van 30 november 2016 de rechters hebben beslist, dat in beginsel geen onderzoekswensen meer worden gehonoreerd die zien op de wijze van totstandkoming van de verklaringen van verzoeker. Zij hebben dit beslist zonder van verzoeker te hebben vernomen of hetgeen de getuigen hierover hebben verklaard wel correspondeert met hetgeen er is gebeurd en of de verdediging van verzoeker onderzoekswensen heeft die voortkomen uit deze afgenomen verklaringen.

3.6.1.

Nu de zaak volledig valt of staat bij de (on)rechtmatigheid van de totstandkoming van de verklaringen van verzoeker, hebben de rechters daarmee op zijn minst de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid gewekt ten aanzien van de onderzoekswensen van verzoeker, als ook wat betreft het standpunt van de verdediging dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, dan wel dat de verklaringen van verzoeker dienen te worden uitgesloten van bewijs, omdat deze op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

3.7.

Verder heeft de verdediging nog aangevoerd

- dat de voorzitter van de strafkamer haar halverwege haar pleidooi heeft onderbroken voor het toen al geven van een inhoudelijke reactie op haar formele verzoeken/verweren, zonder dat deze met de andere rechters was afgestemd;

- dat de voorzitter de mededeling dat de rechtbank voornemens is de zaak voor de zomer te behandelen, heeft betwist, ondanks het feit dat verzoeker, de verdediging en overige aanwezigen deze mededeling duidelijk hebben gehoord;

- dat de voorzitter de beslissing op het verzoek van de verdediging tot verschoning heeft meegedeeld en daarbij de reactie van de verdediging in tweede termijn niet heeft willen afwachten;

- dat de voorzitter de verdediging, in tegenstelling tot het openbaar ministerie, heeft beperkt in haar spreekrecht door haar slechts 15 minuten te gunnen voor haar tweede termijn;

- dat de voorzitter de verdediging heeft bevolen om, wanneer zij daartoe voornemens is, de rechters direct te wraken en aldus het moment van wraking heeft willen bepalen;

- dat de rechters hun beslissing op de gedane onderzoekswensen, die vrijwel exact hetzelfde luiden als de reeds afgewezen onderzoekswensen in de zaken van de medeverdachten, tot maar liefst een maand later, te weten tot 19 januari 2017 heeft aangehouden, en

- dat de afwijzing van het door de verdediging gemaakte bezwaar tegen de voortzetting van het onderzoek ter zitting in een gewijzigde samenstelling, geen steun vindt in het recht.

3.8.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de verdediging dit nader toegelicht en daarbij volhard.

4 Het standpunt van de rechters

4.1.

De rechters voeren aan dat de zaak [Naam A] een lange voorgeschiedenis kent; op 17 mei 2013 heeft de rechtbank -in een andere samenstelling- al de eerste beslissingen gegeven op de onderzoekswensen van de verdediging. De rechters schetsen het verdere verloop van de behandeling van de zaak. Na gehouden zittingen op 17 februari 2014, op 2, 4 en 7 april 2014, heeft de rechtbank op 22 april 2014 nog aanvullende beslissingen genomen op onderzoekswensen van de verdediging. Op 9 april 2015 heeft een zitting plaatsgevonden om te bezien wat de stand van zaken van het onderzoek was en is de zaak opnieuw in handen gesteld van de rechter-commissaris. De onderzoekshandelingen zagen alle op de totstandkoming van de verklaring van verzoeker en de start van het onderzoek. Op 2 november 2016 heeft de rechter-commissaris het onderzoek gesloten.

4.2.

De rechters betogen verder dat de regiezitting van 16 november 2016 als doel had te bezien of er nog aanvullende onderzoekswensen waren naar aanleiding van de resultaten van de reeds gehoorde getuigen en/of onderzoekswensen die niet op het voortraject zagen. Daarna zou, afhankelijk van de uitkomsten van die zitting, een inschatting kunnen worden gemaakt op welke termijn de zaak inhoudelijk zou kunnen worden afgedaan.

4.3.

Deze zitting is bij brief van 21 juni 2016 aan de verdediging en het openbaar ministerie aangekondigd en 29 september 2016 is nog een reminder gestuurd.

De verdediging van verzoeker heeft als reactie hierop laten weten dat verzoeker bij de zitting aanwezig wilde zijn. Uit de brief van 21 juni 2016 blijkt volgens de rechters dat hun intentie geen andere is geweest dan de zaken gelijktijdig te behandelen. Zij zijn daarbij ervan uitgegaan dat de beveiligde zittingszaal bij de rechtbank Rotterdam voldoende was om de veiligheid van verzoeker te waarborgen. Het was voor hen dan ook een tegenvaller dat dit niet het geval bleek te zijn. Het door hen voorgestelde compromis om de zitting via videoverbinding te laten plaatsvinden, leek een aanvaardbaar alternatief, maar was voor de verdediging van verzoeker kennelijk onvoldoende. Het verschuiven van de behandeling van de zaak van verzoeker naar de zitting van 16 december 2016 is dan ook juist gedaan om tegemoet te komen aan de bezwaren van de verdediging. Bovendien zou het verplaatsen van alle zaken weer een vertraging van enkele maanden opgeleverd hebben, hetgeen gelet op het feit dat de zaak al lang aansleept, voorkomen moest worden. Daarbij geldt volgens de rechters dat de rechtbank voorts de taak heeft om de voortgang van de procedure te bewaken.

4.4.

Met het verplaatsen van de zaak van verzoeker hebben de rechters gemeend hem en zijn verdediging ter wille te zijn en daarmee een praktische oplossing te hebben gevonden

voor een probleem dat de rechtbank niet heeft gewild en niet heeft voorzien. Dat deze tegemoetkoming door de verdediging op de zitting werd tegengeworpen wekte bij de voorzitter irritatie op en was voor haar aanleiding om de verdediging in haar pleidooi te onderbreken. Uit dit alles kan echter geen vooringenomenheid worden afgeleid.

4.5.

Voor hun beslissing om het onderzoek niet opnieuw aan te vangen is volgens de rechters dragend geweest, dat zij daarvoor niet het belang van verdediging zagen. Immers ook bij een nieuwe aanvang van het onderzoek bepaalt artikel 322, vierde lid Sv, dat genomen toewijzende en afwijzende beslissingen ten aanzien van het horen van getuigen in stand blijven. Het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter zitting zou dus niet hebben geleid tot een ander toetsingscriterium. De rechtbank zal in beide situaties aan het verdedigingsbelang moeten toetsen. Daarbij spelen in beide situaties de eerdere beslissingen een rol en dient de verdediging gemotiveerd aan te geven wat het verdedigingsbelang is van het (opnieuw) horen van getuigen. Dit is ook in de beslissing aangegeven. Ook hieruit kan naar de opvatting van de rechters geen vooringenomenheid volgen.

4.6.

Het verplaatsen van de zitting van verzoeker heeft tot gevolg gehad dat de rechtbank al vóór de behandeling van de verzoeken van zijn verdediging een beslissing had genomen ten aanzien van de onderzoekswensen van de raadslieden van de medeverdachten.

De rechters zien hierin geen probleem, nu voor het al dan niet toewijzen van de verzoeken van verdediging de motivering daarvan een heel belangrijk element vormt (HR1 juli 2014, NJ 2014, 441). Elke zaak wordt bovendien op haar eigen merites beoordeeld. Daarnaast kan uit het feit dat zij voornemens waren pas op 19 januari 2017 hun beslissing op de onderzoekswensen kenbaar te maken, worden afgeleid dat zij zich de tijd gunden ook naar die verzoeken goed en zorgvuldig te kijken. Dit was niet nodig geweest als hun beslissing al bij voorbaat vaststond, zoals de verdediging van verzoeker suggereert. Hieruit blijkt evenmin van enige vooringenomenheid, aldus de rechters.

4.7.

Ten slotte betwist mr. Janssen dat zij op de zitting zou hebben gezegd dat de zaak in het voorjaar van 2017 inhoudelijk behandeld zou gaan worden. Het proces-verbaal van de zitting wijst uit dat dit niet juist is en dat dit op de zitting ook al onderwerp is geweest van discussie. Van de zitting is, zoals gebruikelijk in grote zaken, een geluidsopname gemaakt, die, zo de wrakingskamer daaraan behoefte heeft, ter beschikking staat.

4.8.

De rechters menen dat op grond van het vorenstaande het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

5 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich eveneens op het standpunt dat geen van de door verzoeker aangedragen gronden kunnen leiden tot een objectief gerechtvaardigde wraking van de rechters en concludeert tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

6 De beoordeling en de gronden daarvoor

6.1.

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient als uitgangspunt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Van een dergelijke aanwijzing is in het onderhavige geval niet gebleken.

6.4.

De onder a. en b. opgeworpen wrakingsgronden falen reeds daarom, nu vaststaat dat aan de rechters niet kan worden tegengeworpen dat zij, zoals de verdediging kennelijk meent, hebben besloten de zaak van verzoeker afzonderlijk en dus afgesplitst van de zaken van de medeverdachten te behandelen en daarbij de belangen van verzoeker uit het oog hebben verloren.

6.4.1.

Zij werden daartoe genoodzaakt, nu bleek dat een behandeling van de zaak van verzoeker in de beveiligde zittingszaal bij de rechtbank Rotterdam, gelijktijdig met de zaken van de medeverdachten, zoals van meet af aan was geïnitieerd, uit beveiligingsoogpunt wat betreft verzoeker als beschermde getuige, niet mogelijk was. Bovendien hebben de rechters aan de wens van de verdediging van een gelijktijdige behandeling van de zaak op 16 november 2016, zij in het beperkte mate, toch willen tegemoetkomen door aan te bieden die behandeling via een videoverbinding te laten plaatsvinden. Van dit aanbod heeft de verdediging echter geen gebruik willen maken en evenmin heeft de verdediging het niet noodzakelijk gevonden bij de behandeling van de zaken van de medeverdachten op 16 november 2016 (als toehoorder) aanwezig te zijn.

6.4.2.

Dat de rechters er onder die omstandigheden voor hebben gekozen om de behandeling van de zaken van de medeverdachten op 16 november 2016 doorgang te laten vinden en de zaak van verzoeker afzonderlijk in de daarvoor op 16 december 2016 beschikbare bunker in Amsterdam te laten plaatsvinden, is dan ook begrijpelijk. Dit geldt temeer nu, zoals de rechters nog hebben aangevoerd, een geheel nieuwe planning voor een gelijktijdige behandeling van de zaken een vertraging van enkele maanden tot gevolg zou hebben gehad. Dat deze beslissing door enige vooringenomenheid zou zijn ingegeven is dan ook niet gebleken.

6.5.

Ook de onder c. genoemde wrakingsgrond faalt. Uit het enkele feit dat de rechters reeds grotendeels afwijzend hebben beslist op de onderzoekswensen van de medeverdachten, die nagenoeg gelijk zijn aan die van de verdediging van verzoeker, kan evenmin een vooringenomenheid worden afgeleid. Terecht hebben de rechters aangevoerd dat iedere zaak, zo ook de zaak van verzoeker, op de eigen merites moet worden beoordeeld. Mede gelet op de eigen, met name door zijn afgelegde belastende verklaringen ten opzichte van de medeverdachten afwijkende positie van verzoeker, heeft zijn zaak een eigen beoordelingskader. Anders dan de verdediging meent, maakt dit dat niet al bij voorbaat vaststaat, dat op de onderzoekswensen van verzoeker gelijkluidend als in de zaken van de medeverdachten zal worden beslist. Daar komt nog bij dat de strafkamer die de zaak van verzoeker behandelt deels anders is samengesteld.

6.6.

Op grond hiervan en nu de strafkamer de verdediging in de gelegenheid heeft gesteld om ook reeds gedane onderzoekswensen te herhalen, komt aan het argument van de verdediging dat de rechters contra legem hebben beslist dat, ondanks de gewijzigde samenstelling van de strafkamer, het onderzoek zal worden voortgezet in de stand waarin dit bevond, zo al juist, geen betekenis meer toe. Overigens betreft dit een processuele beslissing waartegen niet met het middel van wraking kan worden opgekomen. Dit is slechts anders wanneer die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat op grond daarvan moet worden aangenomen, dat zij door vooringenomenheid is ingegeven. Hiervan is echter, gelet op de aan die beslissing door de rechters gegeven uitleg, in het geheel niet gebleken.

6.7.

Ook de wrakingsgrond gebaseerd op de gestelde uitlating van mr. Janssen, als voorzitter van de strafkamer, dat de inhoudelijke behandeling van de zaak vóór de zomer zal worden behandeld en afgerond, treft geen doel. Daargelaten dat mr. Janssen die uitlating heeft betwist, kan hieraan, ook al zou van de juistheid daarvan moeten worden uitgegaan, geen deugdelijke wrakingsgrond worden ontleend. De meervoudige stafkamer heeft bij monde van haar voorzitter de regie over het verloop en de duur van de behandeling van de zaak. In het licht van het feit dat de zaak zich al jaren voortsleept, valt op geen enkele wijze in te zien dat de voorzitter zich partijdig zou hebben uitgelaten indien zij die mededeling zou hebben gedaan. Dit brengt ook mee dat het verzoek van de raadsvrouwe om een woordelijke uitwerking van de zitting middels de geluidsband alvorens verder te beslissen, wordt afgewezen.

6.8.

De overige door de verdediging aangevoerde argumenten zijn, zo al juist, niet van een zodanig gewicht, dat deze, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, naar objectieve maatstaven gemeten een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen.

6.9.

Dit alles betekent dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6.10.

Ofschoon moet worden vastgesteld dat het wrakingsverzoek op evident kansloze argumenten is gebaseerd en dit ook duidelijk moet zijn geweest, althans had behoren te zijn, voor de raadsvrouwe van verzoeker als strafrechtgespecialiseerde advocaat, vindt de wrakingskamer daarin voor dit moment onvoldoende reden om daaraan de consequentie als bedoeld in artikel 515, vierde lid, Sv te verbinden.

7 De beslissing

De rechtbank

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummers 02/811322-12 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 14 februari 2017 door mrs. Poerink, Kool en Van de Sande, in tegenwoordigheid van De Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

--