Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1671

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
AWB- 15_7062
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee mestsilo’s en het starten van een milieu-inrichting.

Het college heeft niet beslist over zeker twee activiteiten (a en c) waarvoor eveneens omgevingsvergunning is vereist.

Onlosmakelijk samenhang. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/88 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/7062 WABOA

uitspraak van 16 maart 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Naam eiser] , te [Woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: L.H. Mooij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[Naam vergunninghouder] , te [Vestigingsplaats] , vergunninghoudster.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 september 2015 (bestreden besluit) van het college waarbij aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van twee mestsilo’s en het starten van een milieu-inrichting op het perceel [Adres] te [Plaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 december 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger] , ir. V.M.A. Dekker, [Naam vertegenwoordiger2] , [Naam vertegenwoordiger3] en [Naam vertegenwoordiger4] . Namens vergunninghoudster waren aanwezig [Naam directeur] (directeur) en [Naam aanwezige] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd met zes weken.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghoudster exploiteert op het perceel [Adres] te [Plaats] (hierna: het perceel) een onderneming onder meer gericht op het transporteren van vaste en vloeibare producten, het in- en verkopen van meststoffen, de handel in en verkoop van biomassa en het uitvoeren van agrarisch loonwerk.

Vergunninghoudster heeft op 16 mei 2013 bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor:

  • -

    het slopen van drie varkensstallen;

  • -

    het bouwen van twee mestsilo’s voor de opslag van meststoffen en het bouwen van een overkapping voor de vaste mestopslag;

  • -

    het oprichten van een inrichting; en

  • -

    het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Op 1 augustus 2013 heeft het college gedurende zes weken een ontwerpbesluit ter inzage gelegd.

Eiseres woont aan de [Adres2] te [Plaats] . Zij heeft haar zienswijze op het voornemen naar voren gebracht.

Op 9 juli 2014 heeft het college opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage gelegd.

Eiseres heeft opnieuw haar zienswijze op het voornemen naar voren gebracht.

Op 26 mei 2015 hebben gedeputeerde staten van de provincie Zeeland een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) afgegeven. Op 25 juni 2015 heeft ook de raad van de gemeente Sluis een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:

- afwijken van het bestemmingsplan (het plaatsen van twee mestsilo’s buiten het bouwblok);

- milieu (het in werking hebben van een milieu-inrichting); en

- bouwen (het plaatsen van een overkapping boven de mestplaat).

2. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de verklaringen van geen bedenkingen door gedeputeerde staten en de gemeenteraad zijn afgegeven vóór 1 juli 2015. Nu op 1 juli 2015 nieuwe wettelijke bepalingen van kracht zijn geworden inzake emissies, kunnen deze verklaringen niet geacht worden te zijn afgegeven in overeenstemming met de op het moment van vergunningverlening vigerende milieuwetgeving. Nu de verklaringen rechtskracht ontberen, moet de instemming van zowel gedeputeerde staten als de gemeenteraad geacht worden te ontbreken.

Eiseres stelt dat op grond van het bestemmingsplan, met gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid, maximaal 12.500 m3 aan mest mag worden opgeslagen. Met het bestreden besluit wordt echter een mestopslag van 19.363 m3 vergund. Eiseres is van mening dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens eiseres is het bedrijf van vergunninghoudster geen regionaal mestopslagbedrijf, maar een grootschalige mestverwerker en transporteur. De mestquota van de voormalige, wegbestemde varkenshouderij mochten niet in de huidige vergunningverlening worden meegenomen.

Voorts stelt eiseres dat uit de uitgevoerde quickscan in het kader van de Flora- en faunawet is gebleken dat nader onderzoek naar de effecten op bepaalde soorten noodzakelijk is. Nu dit nader onderzoek niet is overgelegd, had het college niet tot vergunningverlening mogen overgaan.

Ten aanzien van de milieutoets stelt eiseres dat niet alle bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster met het bestreden besluit zijn vergund. Verder wordt niet voldaan aan de beste beschikbare technieken (BBT). Ten onrechte zijn er geen aanvullende maatregelen voorgeschreven met betrekking tot afvalstoffen. Ten onrechte is er geen bodemonderzoek uitgevoerd. Er is geen toets verricht naar het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen. Evenmin is onderzoek gedaan naar de gevolgen voor het verkeer. De toegestane geluidswaarden zijn niet passend in een landelijke omgeving. Er zijn onvoldoende voorschriften gesteld met betrekking tot geurreductie. Eiseres heeft geen inzage in het luchtkwaliteitsonderzoek gehad. Ten slotte wordt de verantwoordelijkheid voor het lozen van afvalwater ten onrechte bij vergunninghoudster gelaten.

Eiseres verzoekt de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de door vergunninghoudster gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd. Tevens verzoekt eiseres een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, waaronder een vergoeding voor het salaris van gemachtigde en deskundigen.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

( a) het bouwen van een bouwwerk;

( c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

( e) 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking, of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag in strijd is met (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening, (c) het bestemmingsplan of (d) redelijke eisen van welstand.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

In artikel 2.14 van de Wabo is het toetsingskader vastgelegd voor de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een project dat bestaat uit het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting. In het eerste lid van dit artikel zijn gronden opgenomen die het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval moet betrekken. Dit betreft onder meer de bestaande toestand van het milieu, de gevolgen voor het milieu en de mogelijkheden tot bescherming van het milieu. In het tweede lid van dit artikel zijn gronden opgenomen waarmee het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag rekening moet houden. In het derde lid zijn gronden opgenomen die het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in acht moet nemen.

Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

4. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad afgegeven verklaringen van geen bedenkingen rechtskracht ontberen, aangezien deze zijn afgegeven vóór 1 juli 2015.

Namens eiseres is in dit kader gesteld dat er op 1 juli 2015 nieuwe wettelijke bepalingen van kracht zijn geworden inzake emissies, maar de gemachtigde van eiseres kon desgevraagd ter zitting niet aangeven op welke nieuwe wettelijke bepalingen wordt gedoeld.

Voor zover eiseres doelt op het Besluit emissiearme huisvesting, dat is vastgesteld op 1 juli 2015 en in werking is getreden op 1 augustus 2015, overweegt de rechtbank dat dit besluit agrariërs verplicht om dierverblijven voor landbouwdieren emissiearm uit te voeren.

Dit besluit is echter niet van toepassing op de onderhavige situatie, omdat de aanvraag niet ziet op het huisvesten van dieren.

5. Eiseres heeft erop gewezen dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied”, met gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.6.6, maximaal 12.500 m3 mest mag worden opgeslagen. Met het bestreden besluit wordt echter een mestopslag van 19.363 m3 mogelijk gemaakt. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus eiseres.

De rechtbank stelt vast dat vergunninghoudster in de aanvraag van 16 mei 2013 twee mestsilo’s van elk 3.800 m3 voor de opslag van meststoffen heeft aangevraagd.

In de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing van 20 juni 2013 is echter beschreven dat de totale opslagcapaciteit van mest in de inrichting, na realisatie van onderhavig plan, 19.363 m3 bedraagt.

Uit de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad blijkt niet of is geoordeeld over het afwijken van het voorschrift van het bestemmingsplan tot een mestopslag van 19.363 m3, danwel dat de raad is uitgegaan van de in de aanvraag genoemde hoeveelheid en/of dat slechts geoordeeld is over het buiten het bouwvlak plaatsen buiten het bouwblok De raad heeft slechts gesteld dat een verklaring van geen bedenkingen wordt afgegeven om “met toepassing van artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3° van de Wabo een omgevingsver-gunning te verlenen voor het plaatsen van twee mestsilo's”. Aangezien een opslagcapaciteit van 19.363 m3 een verdubbeling betreft van de op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks toegestane mestopslag van 8.300 m3, zijn daarvan naar het oordeel van de rechtbank zeker relevante ruimtelijke effecten te verwachten. Het is dan ook van groot belang te kunnen toetsen of de raad de mestopslag met een dergelijke omvang ruimtelijk aanvaardbaar acht, hetgeen thans niet mogelijk is.

Voorts constateert de rechtbank dat in het bestreden besluit geen vergunning is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan, teneinde een mestopslag met een capaciteit van 19.363 m³ mogelijk te maken. De aanvraag ziet weliswaar op de activiteit “gebruiken in strijd met bestemmingsplan”, maar dit heeft alleen betrekking op de plaatsing van twee mestsilo’s buiten het bouwblok. Ook in het bestreden besluit wordt bij de activiteit “afwijken bestemmingsplan” uitsluitend het plaatsen van twee mestsilo’s buiten het bouwblok genoemd.

Dat de ruimtelijke onderbouwing is voorzien van een stempel “behoort bij besluit van burgemeester en wethouders van Sluis d.d. 15 september 2015” is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat met het bestreden besluit vergunning is verleend voor het afwijken van de maximale mestopslag ter plaatse tot 19.363 m³.

Indien dit de bedoeling van het college was, zoals de gemachtigden van het college ter zitting hebben verklaard, had dit expliciet in de vergunning moeten worden opgenomen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de mestsilo’s, bij gebrek aan een vergunning voor het gebruiken daarvan in strijd met het bestemmingsplan, niet kunnen worden geplaatst. De silo’s zijn dan namelijk niet vergunningvrij op grond van artikel 3, zesde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat met het bestreden besluit niet is beslist over zeker twee activiteiten (a en c) waarvoor eveneens een omgevingsvergunning is vereist. Aangezien het plaatsen en gebruiken van de mestsilo’s niet fysiek en volgtijdelijk kan worden onderscheiden van de activiteit milieu, hangen deze activiteiten onlosmakelijk samen in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4442.

Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo en komt op grond daarvan voor vernietiging in aanmerking. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden wordt door de rechtbank niet toegekomen.

6. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat het college opnieuw op de aanvraag zal moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

8. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

De door eiseres genoemde kosten voor deskundigen komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet zijn geconcretiseerd. Evenmin komen de door haar gevraagde reiskosten voor vergoeding in aanmerking, nu zij niet bij de zitting aanwezig was.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. P.H.J.G. Römers, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.