Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1625

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
BRE - 14 _ 7414
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting / Inkomstenbelasting / Zorgverzekeringswet

Uit informatie uit het Europees BTW-systeem is gebleken dat Duitse en Belgische bedrijven op het btw-identificatienummer van de VOF van belanghebbende hebben “gelist”. De inspecteur heeft, na indiening van een verzoek, uit het buitenland facturen verkregen die op naam van de VOF zijn uitgeschreven. Voornoemde (inkoop)facturen zijn niet in de administratie van belanghebbende aangetroffen. De inspecteur heeft aangenomen dat daarmee zwarte omzet is behaald. De inspecteur heeft daarom naheffingsaanslagen OB aan de VOF opgelegd en aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV met boeten en navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zvw.

De rechtbank overweegt dat kanttekeningen te plaatsen zijn bij (de onderbouwing van) de standpunten van beide partijen met betrekking tot de Duitse facturen. Belanghebbende heeft wisselend verklaard; de inspecteur heeft geen onderzoek gedaan naar de juistheid van de facturen. Alles afwegende komt de twijfel over wat hier nu wel of niet gebeurd is ten nadele van de inspecteur, in aanmerking genomen dat de bewijslast op de inspecteur rust. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat belanghebbende de betwiste inkopen heeft gedaan. Vervolgens zet de rechtbank, met inachtneming van vorenvermelde, voor ieder jaar afzonderlijk uiteen wat de gevolgen zijn voor zowel de OB als de IB/PVV en de Zvw. Tevens vermindert of vernietigt de rechtbank de boeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-10-2017
FutD 2017-2643

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 14/7414 tot en met 14/7425

uitspraak van 8 februari 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende 1, en

[belanghebbende 2] , gevestigd te [plaats 1] ,

belanghebbende 2,

(samen: belanghebbende)

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2013 aan belanghebbende 1 (hierna: [belanghebbende 1] ) de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (IB/PVV), inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringwet (ZvW) en boetebeschikkingen opgelegd en gelijktijdig bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht:

Zaaknr.

Jaar

Middel

Aanslagnr.

Belasting/Bijdrage

boete

rente

14/7416

2007

IB/PVV

[aanslagnummer 1] .H.77

€ 2.343

€ 1.171

€ 513

14/7418

2008

IB/PVV

[aanslagnummer 1] .H.87

€ 7.927

€ 3.963

€ 1.326

14/7420

2009

IB/PVV

[aanslagnummer 1] .H.97

€ 4.861

€ 2.430

€ 582

14/7422

2010

IB/PVV

[aanslagnummer 1] .H.07

€ 5.047

€ 2.523

€ 412

14/7424

2011

IB/PVV

[aanslagnummer 1] .H.17

€ 5.537

€ 2.768

€ 303

14/7417

2007

ZvW

[aanslagnummer 1] .W.77

€ 241

------

€ 52

14/7419

2008

ZvW

[aanslagnummer 1] .W.87

€ 926

------

€ 154

14/7421

2009

ZvW

[aanslagnummer 1] .W.97

€ 659

------

€ 78

14/7423

2010

ZvW

[aanslagnummer 1] .W.07

€ 815

------

€ 66

14/7425

2011

ZvW

[aanslagnummer 1] .W.17

€ 1.030

------

€ 56

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 december 2013 aan belanghebbende 2 (hierna: [belanghebbende 2] ) de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) en boetebeschikkingen opgelegd en gelijktijdig bij beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht:

Zaaknr.

Tijdvak

Aanslagnummer

Belasting

boete

rente

14/7414

jan. 2008 t/m dec. 2011

[aanslagnummer 2] .F.01.1501

€ 27.739

€ 13.869

€ 2.802

14/7415

jan 2012 t/m dec. 2012

[aanslagnummer 2] .F.01.2501

€ 7.205

€ 3.602

€ 220

1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 12 november 2014 bij separate uitspraken op bezwaar de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en de beschikkingen boete en heffingsrente gehandhaafd.

1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 december 2014 bij separate uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag OB, de beschikkingen boete en heffingsrente over het tijdvak jan. 2008 tot en met december 2011 gehandhaafd en de naheffingsaanslag OB, de beschikkingen boete en heffingsrente over 2012 verminderd tot respectievelijk € 3.666, 1.833 en € 112.

1.5.

Namens belanghebbende is tegen voornoemde uitspraken op bezwaar bij brieven van 11 december 2014, ontvangen bij de rechtbank op 15 december 2014, beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen betreffende zaaknummers 14/7416 tot en met 14/7425 heeft de griffier van [belanghebbende 1] eenmaal griffierecht geheven van € 45 en ter zake van de beroepen betreffende zaaknummer 14/7414 en 14/7415 heeft de griffier van [belanghebbende 2] eenmaal griffierecht geheven van € 328.

1.6.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.7.

De inspecteur heeft in zaaknummers 14/7414 en 14/7415 voor de zitting nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is aan [belanghebbende 2] verstrekt.

1.8.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [belanghebbende 1] , als gemachtigde van belanghebbende: [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] te [plaats 2] ,

namens de inspecteur: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 4 november 2016 naar partijen is verzonden.

1.9.

Belanghebbende heeft per brief van 2 juni 2016 nadere stukken ingebracht. Bij brief van 21 juni 2016 heeft de inspecteur daarop gereageerd. Bij brief van 3 november 2016 heeft belanghebbende nog een toelichting gegeven. Bij brief van 4 november 2016 heeft de rechtbank een gespreksonderwerp voor de te houden nadere zitting geagendeerd.

1.10.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen [belanghebbende 1] en als gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] voornoemd, en namens de inspecteur: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] , voornoemd.

1.11.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt verzonden.

1.12.

Bij brief van 22 december 2016 heeft de rechtbank de in 1.11 vermelde termijn met zes weken verlengd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

[belanghebbende 1] is geboren op [datum] 1950 en is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Volgens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel zijn de vennoten van [belanghebbende 2] : [belanghebbende 1] en diens echtgenote. De activiteiten van [belanghebbende 2] bestaan volgens voornoemd uittreksel uit: overige afwerking van gebouwen, productie, montage en handel van en in ramen, deuren, kozijnen en zonwering.

2.3.

In de onderhavige jaren genoot [belanghebbende 1] ook inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.

2.4.

Namens de inspecteur is op 29 maart 2012 een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften OB over de tijdvakken 1 januari 2007 tot en met 31 december 2012 ten name van [belanghebbende 2] en de aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2011 van [belanghebbende 1] . Van dit onderzoek is op 2 december 2012 voor zowel de OB als de IB/PVV een rapport opgesteld. In het rapport inzake de OB heeft de inspecteur geconcludeerd dat [belanghebbende 2] goederen in Duitsland en België heeft ingekocht, dat [belanghebbende 1] deze goederen persoonlijk bij de leveranciers heeft afgehaald, dat bij de afhaal van de goederen contant door [belanghebbende 1] is betaald en dat de verkoopopbrengsten van voormelde goederen niet de aangiften OB en IB/PVV zijn verantwoord. De inspecteur is tot deze conclusie gekomen op basis van het volgende:

  • -

    uit informatie uit het Europees BTW-systeem (VAT Information Exchange System (VIES)) is gebleken dat Duitse en Belgische bedrijven in de jaren 2007 tot en met 2011 “gelist” hebben op het btw-identificatienummer van [belanghebbende 2] . Wat betekent dat door [belanghebbende 2] goederen zijn ingekocht in Duitsland en België;

  • -

    met toepassing van de Verordening (EG) 904/2010 de facturen bij de autoriteiten in Duitsland en België zijn opgevraagd;

  • -

    de uit het buitenland verkregen facturen op naam van [belanghebbende 2] zijn uitgeschreven en niet in de administratie van belanghebbende zijn aangetroffen.

In het rapport inzake de OB heeft de inspecteur een op te leggen vergrijpboete van 50% van de verschuldigde omzetbelasting (artikel 67f AWR) aangekondigd en in het rapport inzake de IB/PVV heeft de inspecteur eveneens een op te leggen vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting (artikel 67e AWR) aangekondigd.

2.5.

De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek en na diverse gesprekken met [belanghebbende 1] de onderhavige naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen opgelegd.

2.6.

Gespecificeerd per jaar zijn de correcties voor de IB/PVV als volgt:

Aangifte /

aanslag

Correcties

Navorderings-aanslag

2007

Belastbare winst

-/- 958

Meer omzet

6.444

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

13.054

Aandeel aftrekposten eigen woning

-/-1.623

Aandeel persoonsgebonden aftrek

-/-1.871

810

Belastbaar inkomen uit werk en woning

8.602

15.856

2008

Belastbare winst

-/- 690

Meer omzet

24.258

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

14.007

Aandeel aftrekposten eigen woning

------

Aandeel persoonsgebonden aftrek

-/-4.195

400

Belastbaar inkomen uit werk en woning

9.122

33.780

2009

Belastbare winst

-/-890

Meer omzet

14.623

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

14.419

Aandeel aftrekposten eigen woning

-/-445

Belastbaar inkomen uit werk en woning

13.084

27.707

2010

Belastbare winst

-/-394

Meer omzet

19.163

MKB-winstvrijstelling

-/-2.299

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

14.679

Aandeel aftrekposten eigen woning

-/-1.859

Belastbaar inkomen uit werk en woning

12.426

29.290

2011

Belastbare winst

1.010

Meer omzet

20.716

MKB-winstvrijstelling

-/-2.485

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

14.964

Aandeel aftrekposten eigen woning

-/-512

Aandeel persoonsgebonden aftrek

-/-634

634

Belastbaar inkomen uit werk en woning

14.828

33.693

2.7.

Gespecificeerd per jaar zijn de correcties voor de OB als volgt:

2008

2009

2010

2011

2012

Verschuldigd over omzet

9.811,46

5.914,40

8.540,04

11.020,36

7.480,65

Privégebruik uit administratie

55,88

27,94

55,88

28,48

---

Verschuldigde OB

9.867,34

5.942,34

8.595,92

11.048,84

7.480,65

Voorbelasting uit administratie

-777,83

-87,51

-649,25

-6.246,14

Meer voorbelasting corr. inkopen

-300,93

-274,97

Minder voorbelasting corr. Privé

377,60

Totaal voorbelasting

-777,83

-87,51

-649,25

-6.169,47

-274,97

Na te heffen OB

7.205,00

4.850,00

7.946,00

5.854,00

9.089,00

2.8.

De inspecteur heeft op 10 juli 2014 aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven wegens het niet voldoen aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Tussen partijen is niet in geschil dat deze informatiebeschikking is komen te vervallen zoals bedoeld in artikel 52a, derde lid, van de AWR.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de bestreden belastingaanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderings-/naheffingsaanslagen, beschikkingen boete en heffingsrente. De inspecteur was aanvankelijk de tegenovergestelde mening toegedaan; tijdens de zittingen is hij op een aantal punten aan belanghebbende tegemoetkomen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.1.

De uitspraken in de zaken van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] zijn in één geschrift vervat, mede omdat [belanghebbende 1] heeft bevestigd dat [belanghebbende 2] alleen door hem werd gedreven. Daarvan is ook de inspecteur uitgegaan door de correcties voor de inkomstenbelasting volledig bij [belanghebbende 1] in aanmerking te nemen. Daarover bestaat ook geen geschil. Desgevraagd op de eerste zitting heeft [belanghebbende 1] gemeld dat er geen aanleiding is om de toerekening van de resultaten zoals verantwoord in de aangiften IB/PVV – waarbij een deel is toegerekend zijn echtgenote – te corrigeren. Het geschil beperkt zich tot de correcties door de inspecteur. Gelet op de vereenzelviging van VOF en [belanghebbende 1] is hiervoor en hierna in enkelvoud gesproken over belanghebbende.

4.1.2.

Belanghebbende heeft op de tweede zitting gesteld een geluidsdrager met opnamen van een gesprek met [F] aan de rechtbank te hebben verzonden. Ter zitting heeft de rechtbank gemeld niet bekend te zijn met de geluidsdrager, na te zullen gaan of deze geluidsdrager toch ontvangen is, en zo dat niet het geval is, het onderzoek niet te zullen heropenen. De rechtbank heeft niet kunnen traceren dat de geluidsdrager ontvangen is.

4.1.3.

De inspecteur heeft op de eerste zitting het nadere standpunt ingenomen dat voor de berekening van de over de gecorrigeerde ‘zwarte’ omzet verschuldigde omzetbelasting uitgegaan kan worden van de breuk 19%/119% in plaats van de bij de naheffingsaanslagen gehanteerde berekening van 19% over de gecorrigeerde omzet.

4.1.4.

Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat in het rapport boekenonderzoek inzake de OB, p. 8 weliswaar de ‘aangegeven omzet’ is vermeld, maar dat het hier gaat om omzet zoals vermeld is in de aangiften IB/PVV. Voor de omzetbelasting is voor de hier betrokken jaren steeds aangifte gedaan van nihil (of een negatief bedrag). Dit is door belanghebbende niet weersproken.

Algemeen

4.2.1.

Bij de overwegingen hierna zal de rechtbank – net zoals ter zitting – de cijfermatige overzichten per jaar zoals de gemachtigde van belanghebbende die heeft opgesteld en gevoegd bij de beroepschriften als uitgangspunt nemen. Zoals ter zitting door partijen is bevestigd, geven deze overzichten op een juiste wijze de correcties van de inspecteur weer, terwijl ook goed is te zien op welke onderdelen belanghebbende de correcties bestrijdt.

4.2.2.

Bij het opleggen van de bestreden belastingaanslagen is de inspecteur ervan uitgegaan dat omkering van de bewijslast van toepassing was. Niet in geschil is evenwel dat de omkering van de bewijslast niet kan worden gegrond op het niet voldoen aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR. De daarop betrekking hebbende eerder genomen informatiebeschikking is namelijk van rechtswege vervallen (zie 2.8). De inspecteur beroept zich wel op omkering van de bewijslast wegens het niet-doen van de vereiste aangifte.

4.2.3.

In dat kader moet het volgende worden vooropgesteld. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).

4.2.4.

De naheffingsaanslag OB 2008-2011 ziet op meerdere jaren (zie 1.2; zie 2.7 voor de bedragen). Tussen partijen is niet in geschil dat per jaar – en niet voor de jaren tot 2008 tot en met 2011 gezamenlijk – beoordeeld moet worden of de vereiste aangifte voor de OB is gedaan en dat derhalve met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2008-2011 sprake zou kunnen zijn van gedeeltelijke omkering van de bewijslast.

4.2.5.

Zoals de inspecteur ter zitting heeft bevestigd is in hoofdlijnen de volgende tweedeling te maken wat betreft de correcties:

  • -

    Voor de periode 2007 tot en met 2010 zien de correcties op het volgende. In de administratie zijn bepaalde inkopen niet aangetroffen die er volgens de inspecteur wel zijn geweest. Uit die inkopen is vervolgens met toepassing van een brutowinstpercentage van 88,60% (ten opzichte van de inkopen) een omzet afgeleid.

  • -

    Voor de periode 2011 en 2012 zien de correcties op het volgende. Hierbij gaat het om inkopen die wel in de administratie zijn aangetroffen, maar waartegenover volgens de inspecteur geen corresponderende omzet is verantwoord in de aangiften. Deze omzet is alsnog in aanmerking genomen rekening houdend met voormeld brutowinstpercentage van 88,60%.

Periode 2007 tot en met 2010: De facturen van [A BV] en [B BV]

4.3.1.

De kern van het geschil tussen partijen in elk van de jaren 2007 tot en met 2010 betreft de correcties in verband met door de inspecteur veronderstelde inkopen van de Duitse ondernemingen [A BV] (hierna: [A BV] ) en van [B BV] (hierna: [B BV] ). De overige door de inspecteur gestelde inkopen van Belgische bedrijven ( [C BV] , [D BV] en [E BV] ) heeft belanghebbende in beroep niet bestreden. Belanghebbende heeft wel de hoogte van de daarop betrekking hebbende gecorrigeerde omzet bestreden.

4.3.2.

Dat de Duitse ondernemingen verkopen hebben ‘gelist’ op het btw-identificatienummer van belanghebbende, is niet in geschil. De inspecteur heeft de onderliggende facturen opgevraagd bij de Duitse autoriteiten en kopieën daarvan verstrekt aan belanghebbende. Belanghebbende betwist in de kern van een groot deel van deze facturen de juistheid: belanghebbende heeft de desbetreffende producten niet afgenomen; de facturen zijn vals.

4.3.3.

Zoals aan partijen ter zitting voorgehouden lijken er twee scenario’s mogelijk te zijn:

  1. De Duitse ondernemingen [A BV] en [B BV] hebben valse facturen opgemaakt, mogelijk met doel om de desbetreffende producten zonder btw-druk en buiten het zicht van de Duitse fiscus in Duitsland te kunnen verkopen.

  2. Belanghebbende heeft inkopen van [A BV] en [B BV] en daarmee gegenereerde omzet buiten het zicht van de Nederlandse fiscus willen houden.

4.3.4.

De enige directe bewijsmiddelen van de inspecteur – op wie de bewijslast rust – ter onderbouwing van zijn stelling dat scenario 2 van toepassing is, zijn de overgelegde facturen. De inspecteur heeft ook aangevoerd dat scenario 1 niet aannemelijk is in aanmerking genomen dat belanghebbende de Belgische inkopen evenmin had opgenomen in de administratie. Verder heeft de inspecteur gewezen op wisselende, inconsistente verklaringen van belanghebbende gedurende de onderzoeks-, bezwaar- en beroepsfase. Een en ander vormt evenwel geen direct bewijs, maar stelt in de kern de betwisting van belanghebbende ter discussie. De inspecteur heeft ter zitting verklaard geen onderzoek te hebben gedaan of laten doen in Duitsland naar de juistheid van de facturen. Verder heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat wel gepoogd is om te onderzoeken of er “negatieve kassen” (die op zwarte omzet zouden kunnen duiden) waren, maar dat een dergelijk onderzoek niet goed mogelijk was door de zeer gebrekkige administratie bij belanghebbende.

4.3.5.

Aan de inspecteur moet worden toegegeven dat belanghebbende inderdaad op sommige punten wisselend heeft verklaard. Ook moet aan de inspecteur worden toegegeven dat belanghebbende geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor de Belgische ‘listings’. Belanghebbende heeft in beroep niet meer gesteld dan dat hij de desbetreffende inkopen niet betwist, omdat hij ze niet kan bestrijden. Verder moet aan de inspecteur worden toegegeven dat de administratie van belanghebbende bepaald niet op orde lijkt.

4.3.6.

Daartegenover staat dat belanghebbende van meet af aan steeds met stelligheid het grootste deel van de gestelde inkopen van [A BV] en [B BV] heeft bestreden. In dat kader heeft belanghebbende een uiteenzetting gegeven over de verhouding en verwevenheid tussen [A BV] en [B BV] . Belanghebbende stelt in de kern dat [A BV] en [B BV] valse facturen hebben opgemaakt. In dat kader heeft belanghebbende verscheidene kanttekeningen gemaakt bij onderdelen van de facturen om zijn stelling te onderbouwen dat de facturen vals zijn; aanvankelijk betroffen dat enkele kanttekeningen, gaandeweg in bezwaar en beroep is het aantal groter geworden. De inspecteur heeft (kennelijk) in de betwisting van belanghebbende en de gemaakte kanttekeningen geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de juistheid van de facturen. Reden hiervoor was – mede gelet op de inhoud van de hoorgesprekverslagen – mogelijk dat de inspecteur ervan uitging dat de bewijslast was omgekeerd en daarmee belanghebbende aan zet was. De rechtbank merkt op dat de inspecteur in zijn verweerschriften puntsgewijs op elke kanttekening is ingegaan, maar dat die reactie in wezen steeds inhoudt dat de desbetreffende kanttekening niet aan de juistheid van de factuur (en daarmee aan de juistheid van levering aan belanghebbende) hoeft af te doen. Dat laatste is op zichzelf voor iedere kanttekening afzonderlijk juist, maar het geheel aan kanttekeningen maakt wel dat niet gezegd kan worden dat de betwisting van de juistheid van de facturen (de stelling dat de facturen vals zijn) onvoldoende gemotiveerd is. Daarbij verdient opmerking dat het opvallend is dat – naar belanghebbende heeft gesteld en de rechtbank heeft geconstateerd – op twee van de facturen van [B BV] ogenschijnlijk twee exact dezelfde handtekeningen staan, hetgeen op het kopiëren van een handtekening kan duiden. Voorts verdient opmerking dat in ogenschouw moet worden genomen dat als de facturen vals zijn, belanghebbende dit zonder medewerking van de betrokkenen moeilijk hard kan maken, nu het niet-doen van een aankoop lastig te bewijzen is (negatief bewijs).

4.3.7.

Gelet op het voorgaande zijn kanttekeningen te plaatsen bij (de onderbouwing van) de standpunten van beide partijen. Wat betreft belanghebbende verwijst de rechtbank naar wat in 4.3.5 is vermeld. Wat betreft de inspecteur valt op te merken dat de inspecteur de zaak steeds vanuit scenario 2 lijkt te hebben benaderd. Er is niet gebleken dat enig serieus onderzoek heeft plaatsgevonden naar scenario 1. Zo zijn de opmerkingen van belanghebbende ter zake van de facturen steeds gepareerd met in de kern (alleen) de reactie dat het gestelde niet hoeft aan te doen aan de juistheid van de facturen en de inkopen (vgl. 4.3.6). Nu de facturen cruciaal waren (en zijn), had het voor de hand gelegen dat onderzoek zou zijn gedaan naar de juistheid van de facturen, ook gelet op het vereiste van een zorgvuldige besluitvorming. Dit geldt te meer nu ook sprake is van bestraffing door middel van vergrijpboeten.

4.3.8.

De rechtbank is alles afwegende tot het oordeel gekomen dat de twijfel over wat hier nu wel of niet gebeurd is ten nadele van de inspecteur komt, in aanmerking genomen dat de bewijslast op de inspecteur rust. Cruciaal is immers of de facturen voldoende bewijskracht hebben. Daarvoor is nodig dat ze juist zijn in die zin dat de facturen terecht [belanghebbende 2] als afnemer vermelden. De juistheid van de facturen is door belanghebbende gemotiveerd betwist. De mogelijkheid dat de facturen onjuist zijn, kan bovendien niet voorshands worden uitgesloten nu het vermelde scenario 1 niet bij voorbaat onaannemelijk is. Nu de inspecteur zich op de facturen beroept, lag het op zijn weg – gelet op de betwisting – om nader te onderbouwen dat de facturen juist zijn. De inspecteur heeft dat onvoldoende gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de gestelde inkopen van [A BV] en [B BV] – voor zover betwist – heeft gedaan. De rechtbank heeft bij zijn bewijsoordeel ook in aanmerking genomen dat zij de stellige betwisting door [belanghebbende 1] ter zitting niet zonder meer ongeloofwaardig vond overkomen. Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder laten meewegen dat de inspecteur geen nader onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de facturen. Dat de inspecteur dergelijk onderzoek niet heeft verricht om mogelijk de reden dat hij ervan uitging dat niet hij maar belanghebbende de bewijslast had, komt voor zijn risico.

4.3.9.

De rechtbank heeft onderkend dat indien de gestelde inkopen van [A BV] en [B BV] en de gestelde corresponderende omzet buiten beschouwing worden gelaten, de omzet en het inkomen van belanghebbende wel erg laag uitkomen. Wat er verder zij van de door belanghebbende daarvoor gegeven verklaring (hij heeft aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt is en dat hij slechts sporadisch nog werk aanneemt dat hij bovendien dan niet zelf uitvoert maar laat uitvoeren; verder heeft hij aangevoerd dat hij en zijn vrouw leven van zijn uitkering en van wat zijn vrouw verdient), het gegeven dat de omzet en het inkomen laag uitkomen is onvoldoende om tot een ander (bewijs)oordeel te komen.

4.3.10.

Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur de correcties die voortvloeien uit de facturen van [A BV] en [B BV] , voor zover betwist, niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierna wordt uiteengezet wat de gevolgen zijn voor ieder jaar afzonderlijk.

Jaar 2007

4.4.1.

Voor het jaar 2007 geldt het volgende onder verwijzing naar het overzicht:

  • -

    Eén van de inkopen van [A BV] (nr. RE 048177) is naar belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur heeft erkend (verweerschrift IB/PVV, p. 7) wel in de administratie opgenomen. Ook de corresponderende omzet is opgenomen volgens de inspecteur. Nu die omzet wel onderdeel is van de correctie door de inspecteur, dient de correctie in zoverre te vervallen.

  • -

    Dan resteert alleen een correctie in verband met inkopen van [C BV] . De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brutowinstmarge hoger is dan de door belanghebbende gestelde 32,09%. Dit betekent dat sprake is van een omzetcorrectie van € 1.743,64 en een inkoopcorrectie van € 1.320, per saldo een brutowinstcorrectie van € 423,64.

4.4.2.

De voormelde brutowinstcorrectie is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit betekent voor de IB/PVV 2007 dat de correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning vóór de persoonsgebonden aftrek (hierna: pga) uitkomt op € 423. De correctie pga in verband met het effect op de drempel wordt daarmee (11,5% van € 423 is) € 48. De totale correctie is € 471. Per saldo is het belastbare inkomen uit werk en woning dan (€ 8.602 plus € 471 is) € 9.073.

4.4.3.

In aanmerking genomen dat de aangegeven belastbare winst uit onderneming € 958 negatief was en met € 423 moet worden verhoogd, betekent het voorgaande voor de Zvw dat niet aannemelijk is gemaakt dat het bijdrage-inkomen hoger is dan nihil. De navorderingsaanslag Zvw 2007 zal daarom worden vernietigd.

Jaar 2008

4.5.1.

Voor het jaar 2008 geldt het volgende:

  • -

    Met betrekking tot de factuur van [A BV] met nummer RE 048550 heeft belanghebbende erkend dat deze inkoop is gedaan, zij het voor zijn dochter. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat met deze inkoop wel omzet is gegenereerd. Voor de IB/PVV is er op dit punt daarom geen grond voor een correctie. Voor de OB geldt dat sprake was van een intracommunautaire verwerving (hierna: icv), gevolgd door een belaste levering naar privé voor het inkoopbedrag. Per saldo dient – zoals belanghebbende ter zitting ook heeft erkend – dan omzetbelasting geheven te worden over het inkoopbedrag van € 703,49.

  • -

    Verder resteren de correcties in verband met inkopen van [C BV] en [D BV] . De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat het brutowinstmarge hoger is dan de door belanghebbende gestelde 32,09%. Dit betekent dat op dit punt sprake is van een gecorrigeerde omzet van € 3.165,94 en een gecorrigeerde inkoop van € 2.396,74, per saldo een gecorrigeerde brutowinst van € 769,20.

4.5.2.

Voor de OB betekent het voorgaande dat de correctie voor het jaar 2008 over de omzet uitkomt op € 639,14 (19% over € 703,49 en 19/119e over € 3.165,94). Dit bedrag is niet zodanig groot dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Bij de berekening van de naheffingsaanslag OB 2008-2011 voor zover die ziet op het jaar 2008 is uitgegaan van een bedrag aan correctie over de omzet van € 9.811,46 (zie 2.6). Aangezien het verschil van € 9.172 tussen de voornoemde bedragen groter is dan het nageheven belastingbedrag van € 9.089 in de naheffingsaanslag 2008-2011 dat ziet op het jaar 2008 (zie 4.2.4), dient uit de naheffingsaanslag OB 2008-2011 dat laatste bedrag te worden gecorrigeerd. Er is geen aanleiding om voor 2008 een negatief bedrag in aanmerking te nemen, nu belanghebbende een negatief bedrag niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.5.3.

Voor de inkomstenbelasting geldt dat de brutowinstcorrectie van € 769,20 onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit betekent voor de inkomstenbelasting dat de correctie van belastbaar inkomen uit werk en woning vóór pga wordt beperkt tot dat bedrag. De correctie pga in verband met het effect op de drempel wordt daarmee (1,65% van € 769,20 is) € 13. De totale correctie is € 782. Per saldo is het belastbaar inkomen uit werk en woning (na pga) dan (€ 9.122 plus € 782 is) € 9.904.

4.5.4.

In aanmerking genomen dat de aangegeven belastbare winst uit onderneming € 690 negatief was, betekent het voorgaande voor de Zvw dat aannemelijk is gemaakt dat het bijdrage-inkomen € 79 is. Het tarief voor het jaar 2008 bedraagt 5,10%. Nu de verschuldigde bijdrage voor de Zvw lager is dan € 42, blijft de heffing daarvan achterwege (artikel 49, lid 3, Zvw in samenhang met artikel 9.4, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001). De navorderingsaanslag Zvw 2008 zal daarom worden vernietigd.

Jaar 2009

4.6.1.

Voor het jaar 2009 geldt het volgende:

  • -

    Met betrekking tot twee facturen heeft belanghebbende erkend dat inkopen van in totaal (€ 1.488,94 plus € 975 is) € 2.463,94 zijn gedaan, zij het voor zijn dochter. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat met deze inkoop wel omzet is gegenereerd. Voor de IB/PVV is er op dit punt daarom geen grond voor een correctie. Voor de omzetbelasting geldt dat sprake was van een icv, gevolgd door een belaste levering naar privé voor het inkoopbedrag. Per saldo dient – zoals belanghebbende ter zitting ook heeft erkend – dan omzetbelasting geheven te worden over het genoemde inkoopbedrag.

  • -

    Verder resteren de correcties in verband met inkopen van [C BV] en [D BV] . De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brutowinstmarge hoger is dan de door belanghebbende gestelde 32,09%. Dit betekent dat op dit punt sprake is van een gecorrigeerde omzet van € 8.331,15 en een gecorrigeerde inkoop van € 6.307, per saldo een gecorrigeerde brutowinst van € 2.024,14.

4.6.2.

Voor de omzetbelasting betekent dit dat de correctie over de omzet in beginsel uitkomt op € 1.798 (19% over € 2.463,94 en 19/119e over € 8.331,15). Hiertegenover staat wat betreft de gecorrigeerde inkopen per saldo geen aftrek nu het om icv-inkopen gaat. Naar de rechtbank begrijpt heeft belanghebbende geen positief bedrag aan omzetbelasting aangegeven over 2009. In aanmerking genomen dat het bedrag aan voorbelasting volgens de administratie € 87,51 (zie 2.7) betreft, is aannemelijk gemaakt dat ruim € 1.700 aan omzetbelasting ten onrechte niet is aangegeven. Dat is zowel relatief als absoluut aanzienlijk. Aannemelijk is voorts dat belanghebbende zich ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk te laag bedrag is aangegeven. Dit betekent dat de vereiste aangifte OB niet is gedaan voor het jaar 2009. Dit betekent dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust dat de naheffingsaanslag onjuist is. Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd. De schatting van de inspecteur en de daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn bovendien niet onredelijk: het in aanmerking nemen van omzet op basis van veronderstelde inkopen van [A BV] is niet onredelijk gelet op de facturen, en ook de brutowinstmarge is niet onredelijk. De correcties blijven derhalve in zoverre in stand. Wel dient voor zover het gaat om de correctie over de gecorrigeerde omzet uitgegaan te worden van 19/119e in plaats van 19% (zie 4.1.3). In plaats van € 5.914,40 (zie 2.7) dient wat betreft die correctie daarom te worden uitgegaan van € 4.970,10. De naheffingsaanslag OB 2008-2011 dient daarom wat betreft het jaar 2009 te worden verlaagd van € 5.854 met € 944 tot € 4.910.

4.6.3.

Voor de IB/PVV 2009 geldt dat de brutowinstcorrectie van € 2.024,14 onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, nu de daarop betrekking hebbende hoogte van het bedrag aan IB/PVV 2009 niet aanzienlijk is. Het gecorrigeerde belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt daarom (€ 13.084 plus € 2.024 is) € 15.108.

4.6.4.

In aanmerking genomen dat de aangegeven belastbare winst uit onderneming € 890 negatief was, betekent het voorgaande voor de Zvw 2009 dat aannemelijk is gemaakt dat nagevorderd kan worden over een bijdrage-inkomen van € 1.134.

Jaar 2010

4.7.1.

Voor het jaar 2010 geldt het volgende:

  • -

    Belanghebbende is bij brief van 3 november 2016 teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat de factuur van [B BV] met nummer 100049 inkopen voor zijn dochter betrof; volgens belanghebbende heeft hij de inkopen niet gedaan.

  • -

    De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de correctie met betrekking tot [C BV] dient te vervallen.

  • -

    Ter zitting is vastgesteld dat de bestreden correcties alle zien op gestelde inkopen van [B BV] en [A BV] . Gelet op hetgeen in 4.3.10 is overwogen, betekent dit dat voor dit jaar geen correcties aannemelijk zijn gemaakt.

4.7.2.

Voor de OB betekent dit evenwel niet dat de correctie voor het jaar 2010 volledig dient te vervallen. De inspecteur heeft immers onweersproken gesteld dat geen positief bedrag aan omzetbelasting voor 2010 is aangegeven terwijl in de administratie wel omzet is opgenomen (zie 4.1.4). Het gaat hier om een bedrag van € 4.155 aan (kennelijk niet-‘zwarte’) omzet (zie rapport boekenonderzoek inzake de OB, p. 8), derhalve (19%) € 789,45 aan omzetbelasting. Met daarbij opgeteld omzetbelasting van € 55,88 in verband met privé-verbruik (zie 2.7) en een vermindering van voorbelasting van € 649,25 (zie 2.7) leidt dit tot een omzetbelastingcorrectie van € 196 voor het jaar 2010.

4.7.3.

Voor de IB/PVV 2010 brengt het voorgaande mee dat de navorderingsaanslag dient te worden vernietigd. Dit geldt ook voor de navorderingsaanslag Zvw 2010.

Jaren 2011 en 2012

Jaar 2011

4.8.1.

Met betrekking tot het jaar 2011 overweegt de rechtbank als volgt onder verwijzing naar het overzicht voor dat jaar:

  • -

    Gelet op hetgeen over en weer is verklaard, is niet in geschil dat de in het overzicht genoemde bedragen aan omzet van [A] , [B] en [C] wel in de administratie van belanghebbende zijn opgenomen, zij het dat het bij [C] volgens belanghebbende om een iets lager bedrag gaat (€ 29.125 in plaats van € 29.720).

  • -

    De inspecteur heeft met betrekking tot [B] en [A] wel een correctie gemaakt aan de inkoopkant. De inspecteur heeft verklaard dat geen met de voornoemde omzet corresponderende inkoop kon worden gevonden in de administratie. Deze correctie is naar de rechtbank constateert derhalve ten voordele van belanghebbende. De inspecteur heeft gerekend met een brutowinstmarge van 88,60% om het bedrag van de inkopen te berekenen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het inkoopbedrag hoger is dan het door de inspecteur berekende bedrag.

  • -

    De correctie aan de omzetzijde van € 22.151,62 is nagenoeg geheel terug te voeren op veronderstelde omzet op basis van inkopen van [F] van € 829,14 en van [C BV] van € 10.595.
    Met betrekking tot [F] heeft de inspecteur aangevoerd dat deze inkopen wél in de administratie waren verantwoord, maar dat geen corresponderende omzet is aangetroffen. Belanghebbende heeft in de kern daartegenover alleen aangevoerd dat de inkopen wel in de administratie waren opgenomen. Aangezien belanghebbende dus niet (gemotiveerd) betwist heeft dat er geen corresponderende omzet is verantwoord in de administratie, wordt dat laatste als vaststaand aangenomen door de rechtbank. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brutowinstmarge hoger is dan 32,09%. Derhalve is aannemelijk gemaakt dat er een extra omzet van € 1.095 is gemaakt.
    Vast staat dat belanghebbende in zijn administratie een bedrag aan inkopen van [C BV] heeft opgenomen van € 9.376. De inspecteur stelt dat voormelde inkopen € 1.219 hoger zijn, dus € 10.595. De inspecteur heeft tegenover de betwisting van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan inkopen is gedaan. Belanghebbende heeft op zijn beurt onvoldoende gemotiveerd betwist dat er geen corresponderende omzet is verantwoord in de administratie. Ook ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd geen verklaring kunnen geven. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat met inkopen van € 9.376 wel omzet is gemaakt die niet in de administratie is opgenomen. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brutowinstmarge hoger is dan 32,09%. Derhalve is een bedrag van € 12.985 aan extra omzet aannemelijk gemaakt.

  • -

    Per saldo leidt dit aan de inkoopzijde tot een vermindering van de “correctie hogere inkoop” van € 3.422,02 met € 1.219 tot € 2.203,02. Aan de omzetzijde bedraagt de aannemelijk gemaakte correctie ongeveer € 14.000.

4.8.2.

Voor de omzetbelasting betekent dit dat aannemelijk is gemaakt dat per saldo 19/119e maal het verschil van ongeveer € 11.800 tussen de gecorrigeerde omzet en inkopen, niet is aangegeven, dus ongeveer € 1.880. Daarbij komt nog dat er een correctie is in verband met de wél in de administratie opgenomen omzet van € 35.850,29 (zie rapport boekenonderzoek inzake de OB, p. 8). De omzetbelasting daarover bedraagt € 6.811,55, terwijl volgens de administratie (zie 2.7) de voorbelasting € 6.246 bedraagt. Per saldo gaat het dus om ongeveer € 600 aan te betalen omzetbelasting over de wel in de administratie opgenomen bedragen. Belanghebbende heeft echter geen positief bedrag aan omzetbelasting aangegeven in 2011 (zie 4.1.4). Het totaal van het bedrag aan correctie omzetbelasting dat aannemelijk is gemaakt, bedraagt per saldo ongeveer afgerond € 2.400.

Dit bedrag is zowel relatief als absoluut aanzienlijk. Nu voorts aannemelijk is dat belanghebbende zich ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk te laag bedrag is aangegeven, betekent dit dat de vereiste aangifte OB niet is gedaan voor het jaar 2011. Dit betekent dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust dat de naheffingsaanslag onjuist is voor zover die betrekking heeft op het jaar 2011. Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd. Nu de schatting van de inspecteur en de daarbij gehanteerde uitgangspunten niet onredelijk zijn, blijven de correcties in stand. Wel dient voor de correctie over de niet in de administratie opgenomen bruto omzet van € 22.151,63 (zie rapport boekenonderzoek inzake de OB, p. 8), uitgegaan te worden van 19/119e in plaats van 19% (zie 4.1.3). Dit resulteert in een verlaging van de omzetbelastingcorrectie met € 672. De naheffingsaanslag OB 2008-2011 dient daarom wat betreft de correctie voor het jaar 2011 te worden verlaagd tot (€ 4.850 minus € 672 is) € 4.178.

4.8.3.

Voor de IB/PVV is een correctie van de brutowinst aannemelijk gemaakt van ongeveer € 11.800 (zie 4.8.2). Het IB/PVV-bedrag dat – rekening houdend met de MKB-winstvrijstelling van 12% en de arbeidskorting – daarop betrekking heeft, is zowel relatief (gelet op het bedrag over het wel aangegeven inkomen) als absoluut aanzienlijk. Nu voorts aannemelijk is dat belanghebbende zich ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk te laag bedrag is aangegeven, betekent dit dat de vereiste aangifte IB/PVV niet is gedaan voor het jaar 2011. Dit betekent dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust dat de navorderingsaanslag onjuist is. Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd. Nu de schatting van de inspecteur en de daarbij gehanteerde uitgangspunten niet onredelijk zijn, blijft de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 in stand.

4.8.4.

Het voorgaande geldt dienovereenkomstig voor de navorderingsaanslag Zvw. Weliswaar gaat het bij de bijdrage Zvw in absolute zin om een lager bedrag dan bij de IB/PVV, maar de rechtbank is van oordeel dat voor de beoordeling – in het kader van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan – of sprake is van een bijdrage Zvw dat op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, er rekening mee dient te worden gehouden dat het bij bijdragen Zvw in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief.

Jaar 2012

4.9.1.

Voor het jaar 2012 overweegt de rechtbank als volgt onder verwijzing naar het overzicht voor dat jaar:

  • -

    In de bezwaarfase is de correctie in verband met de aanvankelijk gestelde inkoop van € 9.875,67 van [F] reeds vervallen.

  • -

    Ter zitting is geconstateerd dat niet langer in geschil is dat ter zake van de inkopen [F] (€ 6.105), [G BV] en [H BV] geen afzonderlijke correctie aan de omzetzijde hoeft te worden gemaakt, omdat deze inkopen zijn gebruikt voor het werk ‘ [werk 1] ’ (of [werk 1] ). Dit werk heeft volgens – door de inspecteur onvoldoende gemotiveerd betwist – gegevens van belanghebbende een omzet van € 8.823,53 opgeleverd.

  • -

    Verder is niet in geschil dat de inkopen [F] van € 1.844,93 zijn gebruikt voor het werk [werk 2] .

  • -

    Wel in geschil is de omzet die is gegenereerd voor het werk [werk 2] . De inspecteur stelt onder verwijzing naar een offerte dat de omzet € 7.403,36 is, terwijl belanghebbende onder verwijzing naar een factuur stelt dat het bedrag € 5.487,60 bedraagt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de omzet hoger is dan dit laatste bedrag.

  • -

    Gelet op de overgelegde staatjes door belanghebbende (bijlage 2 en 3 bij de brief van 2 juni 2016) bedraagt voor het werk [werk 1] de inkoop-btw € 1.443,06 en de btw over de omzet € 1.676,47, en voor het werk [werk 2] € 911,28 respectievelijk € 1.152,40. Per saldo is volgens deze gegevens het bedrag aan btw afgerond € 474.

4.9.2.

Nu vaststaat dat belanghebbende niet naar een positief bedrag aangifte heeft gedaan, dient gelet op het voorgaande de naheffingsaanslag OB 2012 te worden verminderd tot € 474.

Tussenconclusie

4.10.

De navorderingsaanslagen IB/PVV moeten worden vernietigd dan wel gehandhaafd of verminderd tot navorderingsaanslagen naar de volgende gegevens:

Jaar

Correctie

Belastbaar inkomen uit werk en woning

2007

€ 471

€ 9.073

2008

€ 782

€ 9.904

2009

€ 2.024

€ 15.108

2010

<geen>

<navorderingsaanslag vernietigd>

2011

€ 18.910

€ 33.693 (gehandhaafd)

4.11.

De navorderingsaanslagen Zvw moeten worden vernietigd dan wel gehandhaafd of verminderd tot navorderingsaanslagen naar de volgende gegevens:

Jaar

Bijdrage-inkomen

2007

<navorderingsaanslag vernietigd>

2008

<navorderingsaanslag vernietigd>

2009

€ 1.134

2010

<navorderingsaanslag vernietigd>

2011

€ 19.241 (gehandhaafd)

4.12.

De naheffingsaanslag OB 2008-2011 moet worden verminderd tot € 9.284:

Jaar

Omzetbelasting

2008

0

2009

€ 4.910

2010

€ 196

2011

€ 4.178

Totaal

€ 9.284

4.13.

De naheffingsaanslag OB 2012 moet worden verminderd tot € 474.

Heffingsrente en belastingrente

4.14.

De beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienen overeenkomstig de belastingaanslagen waarop ze betrekking hebben te worden gehandhaafd, verminderd dan wel vernietigd.

Boeten

4.15.

Zowel voor de IB/PVV als voor de OB zijn vergrijpboeten van 50% opgelegd, met kort gezegd als motivering dat belanghebbende bewust inkopen en verkopen uit het zicht van de fiscus heeft proberen houden en er daarmee sprake is van opzet en listigheid.

4.16.1.

De boeten zijn aangekondigd op 2 december 2013. Nu geen omstandigheden zijn gebleken die meebrengen dat redelijke termijn langer dan twee jaar is, heeft de rechtbank ambtshalve geconstateerd dat de redelijke termijn met één jaar en ruim twee maanden is overschreden.

4.16.2.

Met betrekking tot de boeten voor de IB/PVV overweegt de rechtbank als volgt:

  • -

    De boete met betrekking tot het jaar 2010 moet worden vernietigd (vgl. 4.7.3) .

  • -

    Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 gaat het in absolute zin om lage IB/PVV-bedragen die betrekking hebben op de niet-aangegeven winsten. De rechtbank acht aannemelijk dat sprake is van ten minste voorwaardelijke opzet. Door de gebrekkige administratie heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Met inachtneming van de hoogte van de betrokken IB/PVV-bedragen acht de rechtbank voor de jaren 2007, 2008 en 2009 boeten van respectievelijk € 50, € 100 en € 300 passend en geboden. In verband met de hoogte van de boeten geeft de voornoemde overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding de boeten te verlagen. Volstaan wordt met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

  • -

    Ook met betrekking tot het jaar 2011 acht de rechtbank aannemelijk dat het minstens aan voorwaardelijke opzet van belanghebbende te wijten is dat eerder te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht een boete van € 2.000 passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de boetegrondslag tot stand is gekomen met toepassing van omkering van de bewijslast. In verband met overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete verminderd tot € 1.700.

4.16.3.

Met betrekking tot de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag OB 2008-2011 overweegt de rechtbank als volgt

  • -

    De boete vervalt voor zover die betrekking heeft op het jaar 2008.

  • -

    Voor de andere jaren acht de rechtbank aannemelijk dat het, mede gelet op de gebrekkige administratie, ten minste aan voorwaardelijke opzet van belanghebbende te wijten is dat eerder te weinig omzetbelasting is voldaan op aangifte. In aanmerking genomen dat de naheffingsaanslag voor zover het de jaren 2009 en 2011 betreft, beoordeeld is met toepassing van omkering van de bewijslast, acht de rechtbank een boete van € 2.500 passend en geboden. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat een deel van de boetegrondslag betrekking heeft op inkopen die (volgens belanghebbende) zouden zijn gedaan voor de dochter, geen aanleiding gezien de boete te verminderen. De rechtbank meent juist dat bij belanghebbende ingeslepen dient te worden dat het niet juist is om via zijn onderneming ‘btw-vrij’ privé-inkopen te doen in het buitenland.

  • -

    In verband met de overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete verminderd tot € 2.125.

4.16.4.

Met betrekking tot het jaar 2012 is ter zitting tussen partijen komen vast te staan dat belanghebbende als gevolg van een typefout een onjuiste aangifte heeft gedaan. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboete dient daarom te vervallen.

Slotsom

4.17.

De beroepen betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV en de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2011 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente zijn ongegrond. De overige beroepen zijn gegrond. De desbetreffende belastingaanslagen, rentebeschikkingen en boeten worden vernietigd dan wel verminderd zoals vermeld in 4.10 tot en met 4.13 hiervoor.

5 Proceskosten

5.1.1. De gemachtigde heeft op de eerste zitting desgevraagd verklaard dat hij het verzoek om de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase laat varen.

5.1.2. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor de beroepsfase zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.720 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, 0,5 punt door het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 496 maal 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een factor 2 voor het gewicht van de zaken). In de omstandigheid dat de rechtbank eigenlijk vóór 1 januari 2017 uitspraak had moeten doen, ziet de rechtbank aanleiding om het oude (hogere) tarief van € 496 toe te passen. Gelet op het feit dat de beroepen van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gezamenlijk zijn behandeld, de vereenzelviging en de inhoud van de geschriften van de gemachtigde, is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van voornoemd besluit. In elk van de zaken ( [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ) is daarom een proceskostenvergoeding van € 1.860 toegekend.

6 Beslissing

Zaaknummers 14/7416 tot en met 14/7425 ( [belanghebbende 1] )

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2011 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep betreffende de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2011 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente ongegrond;

  • -

    verklaart de overige beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de desbetreffende uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010, de navorderingsaanslagen Zvw over de jaren 2007, 2008 en 2010, de bij deze navorderingsaanslagen behorende beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.073, vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 50;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.904, vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 100;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.108, vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 300;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2009 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 1.134 en vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2011 tot € 1.700;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.860;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

Zaaknummers 14/7414 en 14/7415 ( [belanghebbende 2] )

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag over de jaren 2008 tot en met 2011 tot € 9.284, vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig en vermindert de boete tot € 2.125;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag over het jaar 2012 tot € 474, vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de boete;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.860;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 februari 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.