Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1623

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
02/325853/HA RK 17-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/325853/HA RK 17-10

Beslissing van 16 maart 2017 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[Verzoeker]

wonende aan de [Adresgegevens]

hierna te noemen: verzoeker.

1 Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken in de strafzaak met parketnummer [parketnummer] .

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 1 juni 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de openbare zitting van 11 januari 2017 van de economische politierechter mr. Ides Peeters, waarin het door verzoeker mondeling gedaan wrakingsverzoek is opgenomen;

1.2

Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer op de zitting van 10 maart 2017

behandeld. De gewraakte economische politierechter, mr. Ides Peeters en de officier van justitie, mr. Zwiers, hebben op voorhand laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen en daartoe in de gelegenheid gesteld, niet ter zitting verschenen.

2 Het verzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Ides Peeters in zijn hoedanigheid van economisch politierechter, verder te noemen de politierechter, en belast met de behandeling van de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer [parketnummer] .

2.2

De politierechter heeft niet berust in het verzoek tot zijn wraking.

3 Feiten en de gronden van het wrakingsverzoek

3.1.

In de strafzaak met parketnummer [parketnummer] wordt verzoeker verdacht van

overtreding van een milieuvoorschrift, neergelegd in het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Na eerdere behandelingen van de zaak op 1 juni 2015, 27 oktober 2015 en 9 maart 2016 is de zitting voortgezet op 6 april 2016. Ter zitting heeft verzoeker de destijds behandelend politierechter, mr. Pick, gewraakt. Bij beslissing van 1 juni 2016 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen en bepaald dat de behandeling van de strafzaak dient te worden voortgezet. Op 11 januari 2017 heeft de politierechter het onderzoek ter zitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op de zitting van 6 april 2016 wegens het gedane wrakingverzoek bevond.

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 januari 2017 heeft zich ter zitting het volgende voorgedaan:

- verdachte heeft ter zitting verklaard: ‘Ik heb op 23 juni 2016 een brief gestuurd naar

de rechtbank met daarin de mededeling dat ik heb vastgesteld dat het dossier niet compleet is en het verzoek tot het toevoegen van stukken aan het dossier’.

- De verdachte legt bedoelde brief van 23 juni 2016 aan de economische politierechter

over. De economische politierechter laat hiervan twee kopieën maken door de dienstdoende bode waarna hem een exemplaar wordt overhandigd en het andere exemplaar aan de officier van justitie wordt overhandigd. De economische politierechter zal bedoelde brief aan het dossier toevoegen.

- De officier van justitie krijgt het woord en voert aan:

‘De verdachte stelt dat de door hem in zijn brieven genoemde stukken relevant zijn voor het onderzoek in deze zaak. Ik proef uit zijn bewoordingen dat hij de ontvankelijkheid van de vervolging aan de orde wenst te stellen en een beroep doet op het verbod op willekeur. Die vraag komt naar mijn mening niet aan de orde. Op de camping van verdachte is een milieudelict geconstateerd. Het is gebruikelijk dit soort overtredingen af te doen door het sturen van een strafbeschikking. Het betreffen eveneens zaken waarin het openbaar ministerie overgaat tot dagvaarden. Ook in deze zaak zijn de van toepassing zijnde richtlijnen gevolgd. Een verbod van willekeur vermag ik niet in te zien en is door verdachte ook niet aannemelijk gemaakt. Vertrouwelijke besprekingen worden niet in procesdossiers gevoegd tenzij de rechtmatigheid van het onderzoek im frage staat. Ik zie geen begin van verweer dat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou raken. Ik verzoek u het verzoek van de verdachte af te wijzen.’

- Verdachte heeft vervolgens gesteld:

Genoemde stukken zijn wel relevant in deze zaak. Die zijn een start geweest om een en ander te gaan bekijken. Die situatie bestaat nog steeds. Ik ben middellijk bestuurder van de camping samen met een ander.’

- De verdachte deelt hierop mee dat hij de onpartijdigheid van de economische

politierechter in twijfel trekt, indien hij zijn verzoek zou afwijzen.

- De economische politierechter deelt verdachte mee dat hij van oordeel is dat de inhoud

van de brief van verdachte van 23 juni 2016 in deze zaak niet aan de orde is en wijst het verzoek van de verdachte af.

- Desgevraagd door de economische politierechter deelt verdachte mee dat hij inderdaad

de economische politierechter wraakt.

4 Het standpunt van de politierechter

4.1

De politierechter is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op het verzoek tot zijn wraking. De politierechter heeft de griffier medegedeeld niet aanwezig te zijn tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek en heeft overigens geen standpunt ingenomen betreffende het wrakingsverzoek.

5 Het standpunt van de officier van justitie

5.1

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen aangaande het wrakingsverzoek.

6 De beoordeling

6.1

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid dient als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.

6.3

Verzoeker komt met zijn wrakingsverzoek op tegen de beslissing van de politierechter waarbij het verzoek van verzoeker om de door hem genoemde stukken in zijn brief van

23 juni 2016 aan het procesdossier te voegen, is afgewezen. Vastgesteld moet worden dat dit een processuele beslissing betreft. Het middel van wraking is niet bedoeld om tegen een dergelijke, niet welgevallige beslissing te ageren. Een procedurele beslissing kan alleen dan leiden tot een gerechtvaardigde grond voor wraking, wanneer deze dermate onbegrijpelijk is dat daardoor de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid is ingegeven. Hoewel de afwijzing van het verzoek door de politierechter summier is gemotiveerd, is van een dergelijke vooringenomenheid geen sprake.

6.4

Naar het oordeel van de wrakingskamer doen zich, gezien voorgaande overwegingen, geen feiten of omstandigheden voor waardoor sprake is van vooringenomenheid en de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6.5

Gelet op de omstandigheid dat dit tweede wrakingsverzoek wederom ziet op een processuele beslissing, zoals ook in de eerdere wrakingszaak met betrekking tot mr. Pick aan de orde was, is de wrakingskamer van oordeel dat, door dit nu weer te doen, sprake is van misbruik van recht. Bovendien is verzoeker wederom niet verschenen om zijn wrakingsverzoek nader toe te lichten. Gezien vorenstaande zal op grond van artikel 515, vierde lid Sv een volgend verzoek om wraking van de behandelend economische politierechter niet in behandeling worden genomen.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze strafzaak niet in behandeling wordt genomen;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer [parketnummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 16 maart 2017 door mr. Scheffers, voorzitter,

mr. Van de Sande en mr. Dekker, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Althuis, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.