Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:157

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
AWB 16_211
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:4248, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de intrekking van het bezwaar geen sprake is van dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/211 WMO

uitspraak van 10 januari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 januari 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen een beslissing op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger1] en [vertegenwoordiger2] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 19 december 2014 (primair besluit) heeft het college besloten de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden per 1 januari 2015 te beëindigen en heeft het college eiser medegedeeld dat de maatwerkvoorziening een algemene voorziening zou worden. Na een overgangsperiode van 3 maanden is de algemene voorziening hulp bij het huishouden op 1 april 2015 overgegaan.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 13 januari 2015 door het college is ontvangen.

Eiser heeft telefonisch kenbaar gemaakt zijn bezwaar in te willen trekken. Het college heeft eiser bij brief van 11 maart 2015 gevraagd dit verzoek schriftelijk bevestigen. Op 16 maart 2015 heeft het college het door eiser ingevulde en ondertekende intrekkingsformulier bezwaarschrift ontvangen. Bij brief van 17 maart 2015 heeft het college deze intrekking schriftelijk aan eiser bevestigd.

Eiser heeft op 8 april 2015 het college telefonisch kenbaar gemaakt dat hij de intrekking ongedaan wil maken. Bij brief van 9 april 2015 heeft eiser gesteld de intrekking van het bezwaarschrift te herroepen.

Vervolgens heeft eiser op 7 september 2015 (opnieuw) een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiser voert, kort samengevat, aan dat hij heeft gedwaald ten aanzien van de intrekking van het bezwaarschrift. Op 28 januari 2015 heeft eiser gesproken met [contactpersoon1] van de gemeente. Zij heeft eiser gedurende dat gesprek gezegd dat huishoudelijke hulp per 1 april 2015 zal worden voortgezet. Op grond van deze toezegging heeft [eiser] het bezwaar ingetrokken, omdat hij erop vertrouwde dat het college de huishoudelijke hulp ook na 1 april 2015 zou handhaven. Het bezwaar dient als niet ingetrokken te worden beschouwd. Het college heeft het bezwaar op onzorgvuldige wijze in behandeling genomen. Het bezwaar is in behandeling genomen, de behandeling is gestopt vanwege de gestelde intrekking en momenteel is het bezwaarschrift wederom in behandeling genomen.

3. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

4. In geschil is of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiser stelt dat sprake is van dwaling ten aanzien van de intrekking van zijn bezwaarschrift. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:001:ZB9147) een bevoegd gedane intrekking van een bezwaar na afloop van de bezwaartermijn niet meer ongedaan kan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep van eiser op dwaling niet slagen. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser onvoldoende specifiek heeft aangeduid wat hem door [contactpersoon1] in het telefoongesprek op 28 januari 2015 zou zijn voorgehouden. Met name heeft eiser niet gesteld dat hem zou zijn voorgehouden dat hij onder dezelfde voorwaarden aanspraak zou houden op dezelfde hoeveelheid huishoudelijke hulp.

Voorts heeft eiser geen bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat door [contactpersoon1] toezeggingen zouden zijn gedaan en evenmin heeft aangeboden dergelijk bewijs te leveren, wat wel op zijn weg ligt nu hij zich beroept op dwaling bij de intrekking van zijn bezwaar. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij hiertoe niet in staat is, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico te komen.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat eiser heeft gedwaald en dat de oorzaak daarvan bij het college ligt en daarom niet aan eiser valt toe te rekenen.

5. Het college heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.