Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1503

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
02-800415-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging. Slachtoffer is een politieagent, niet tijdens de uitoefening van zijn functie. Het feit dat het slachtoffer politieagent is, levert geen strafverzwarende omstandigheid op omdat niet aannemelijk is dat zijn functie de aanleiding was voor het tegen hem gepleegde geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800415-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

raadsman mr. R. van ‘t Land, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 december 2016. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,

mr. Koning, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

Primair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Tilburg tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht

een kopstoot tegen de neus dan wel het gezicht heeft gegeven en/of een of meer

knietjes met kracht richting en/of tegen het hoofd dan wel het bovenlichaam

heeft gegeven en/of een armklem met kracht rondom de nek/hals heeft toegepast

en enige tijd zo gehouden en/of een of meer stompen en/of klappen en/of

schoppen met kracht op/tegen het lichaam van deze [slachtoffer] heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Tilburg met een ander of anderen, op een

voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke

ruimte, te weten sportschool [naam sportschool] ( [adres sportschool] ), openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met

kracht) geven van een kopstoot en/of een of meer knietjes en/of een of meer

schoppen en/of een of meer stompen en/of een of meer klappen tegen het hoofd

dan wel het lichaam en/of het aanwenden van een armklem rondom de hals/nek

van deze [slachtoffer]

en/of

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer] ), (met kracht) een kopstoot en/of een of

meer knietjes en/of een of meer schoppen en/of een of meer stompen en/of een

of meer klappen tegen het hoofd dan wel het lichaam heeft gegeven en/of door

een armklem met kracht rondom de hals/nek van deze [slachtoffer] aan te brengen

en enige tijd daar te houden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De officier van justitie acht de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wel wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van poging tot zware mishandeling of openlijke geweldpleging, maar wel tot een bewezenverklaring van mishandeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverweging betreffende getuigenverhoren

Het dossier bevat processen-verbaal van verhoren van vier getuigen door de politie en door de rechter-commissaris, waarbij niet de identiteitsgegevens van die getuigen zijn vermeld maar, in plaats daarvan, een nummer. De getuigen hebben hun verklaringen aldus afgelegd onder beperkte anonimiteit. Uit de processen-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuigen onder beperkte anonimiteit hebben verklaard omdat zij niets met het incident te maken wilden hebben en/of bang waren omdat zij hadden vernomen dat verdachte en/of de medeverdachte lid waren van een (motor)bende, eerder met politie in aanraking waren gekomen en/of vuurwapengevaarlijk waren. De beperkte anonimiteit heeft geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging nu dat recht is uitgeoefend bij de getuigenverhoren door de rechter-commissaris.

Bewijsmiddelen

Op 25 april 2014 ging aangever, die politieagent is, in zijn vrije tijd sporten bij sportschool [naam sportschool] aan het [adres sportschool] in Tilburg. Aangever bevond zich in de kleedkamer toen verdachte ook de kleedkamer in kwam. Tussen beiden ontstond een woordenwisseling, waarbij verdachte vroeg: ‘Jij werkt toch bij de arrestantenverzorging?’ Aangever antwoordde daar niet op en zei tegen verdachte: ‘Jij bent toch [verdachte] ?’1 Verdachte zei: ‘Ja, kennen wij elkaar?’ Aangever verliet de kleedkamer.2 Verdachte vertelde medeverdachte [medeverdachte] over de woordenwisseling.3 Aangever was inmiddels gaan sporten in de sportzaal. Even later kwam ook verdachte die sportzaal in, gevolgd door [medeverdachte] . Er ontstond opnieuw een woordenwisseling tussen aangever en verdachte. Aangever liep daarop naar de kantine. Verdachte en [medeverdachte] liepen achter hem aan. Aangever zei dat ze hem met rust moesten laten. In de kantine kwamen aangever en verdachte tegenover elkaar te staan. Verdachte gaf aangever een kopstoot tegen zijn neus, waardoor aangever pijn had en zijn neus begon te bloeden.4 Drie getuigen hebben gezien dat verdachte een (harde) kopstoot gaf aan aangever.567 Vervolgens pakte aangever verdachte vast en gooide hem op de grond.8 Een andere getuige kwam aanlopen en zag de mannen in gevecht. Hij wilde hen scheiden. Hij zag dat de blanke man met de bloedneus onder lag en heeft de andere man van hem afgetrokken. Vervolgens pakten de mannen elkaar weer vast en ging ook de man met de bril zich met de vechtpartij bemoeien. Hij was agressief en viel de blanke man aan.9 Aangever heeft daarover verklaard dat [medeverdachte] hem vanachter met een arm om zijn keel/nek pakte, waarbij de keel van aangever werd dichtgeknepen en hij geen lucht meer kreeg. Nadat aangever uit de greep om zijn nek los gekomen was, werd hij door verdachte en [medeverdachte] vastgepakt10 en gaf [medeverdachte] hem knietjes.111213 [medeverdachte] gaf hem ook stompen.14 Een getuige heeft verklaard dat de man met de bril, aangever begon te slaan en schoppen.15 Een tweede getuige heeft verklaard dat er over en weer enkele klappen vielen.16 De neus van aangever was gezwollen en stond scheef.17

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van voorgaande bewijsmiddelen vast dat, nadat tussen aangever en verdachte in de kleedkamer een woordenwisseling was ontstaan - waarbij overigens niet relevant is hoe die is ontstaan – verdachte verhaal is gaan halen bij aangever, kennelijk omdat de houding en/of reactie van aangever verdachte niet beviel. Verdachte zocht aangever daartoe op in de sportzaal en volgde hem van daaruit naar de kantine van de sportschool, waar het tot een gevecht kwam doordat verdachte een harde kopstoot gaf aan aangever. [medeverdachte] (de man met de bril) was met verdachte naar de sportzaal en daarna naar de kantine meegelopen en heeft zich in het gevecht tussen verdachte en aangever gemengd door met zijn arm om de nek van aangever te klemmen en door aangever te stompen en/of te slaan en knietjes te geven.

Kwalificatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en [medeverdachte] geweldshandelingen hebben gepleegd tegen aangever.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de gepleegde geweldshandelingen, waaronder een kopstoot tegen de neus, geen poging tot zware mishandeling opleveren. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

Aan verdachte is subsidiair openlijke geweldpleging en/of mishandeling ten laste gelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van openlijke geweldpleging, stellende dat geen sprake is van openlijkheid omdat het incident zich heeft afgespeeld in de beslotenheid van een sportschool waartoe slechts leden toegang hebben.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van openlijkheid, omdat het geweld niet in verborgenheid heeft plaats gehad. Leden en medewerkers van de sportschool konden het geweld zien en hebben het overigens ook daadwerkelijk gezien. Voor openlijkheid is niet vereist dat het geweld plaatsheeft op een plaats waar iedere willekeurige persoon het zou hebben kunnen zien of dat de plaats voor derden zonder enige belemmering toegankelijk is.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat het geweld niet is gepleegd in vereniging, in de zin van nauwe en bewuste samenwerking, omdat bij verdachte geen sprake is van aanvaarding van het door [medeverdachte] gepleegde geweld.

De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het leerstuk omtrent medeplegen ook van toepassing is op het delict openlijke geweldpleging. De rechter zal derhalve moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook van toepassing op - en wordt ook frequent toegepast bij - openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen -soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of te dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet gewelddadige handelingen (HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320).

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van geweldpleging in vereniging. Nadat verdachte [medeverdachte] had verteld over de woordenwisseling met aangever, hebben zij aangever immers opgezocht, zijn zij hem vervolgens gevolgd en toen verdachte aangever een kopstoot gaf, ging [medeverdachte] vrijwel direct ook over tot toepassing van geweld tegen aangever, waarbij verdachte en [medeverdachte] aangever ook samen hebben vastgepakt. Verdachte en [medeverdachte] zijn dan ook gezamenlijk opgetrokken toen verdachte de confrontatie met aangever opzocht. Verdachte heeft het geweld geïnitieerd, [medeverdachte] heeft zich daarbij aangesloten en vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] het gebruik van geweld tegen aangever gezamenlijk voortgezet. In deze omstandigheden is sprake van een zodanige onderlinge betrokkenheid tussen verdachte en [medeverdachte] en hebben beiden ook een zodanige beduidende en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld, dat sprake is van geweldpleging in vereniging.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging zoals subsidiair ten laste gelegd. Alle gepleegde geweldshandelingen worden in het kader van openlijke geweldpleging (mede) aan verdachte toegerekend.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Tilburg met een ander of anderen, op een

voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke

ruimte, te weten sportschool [naam sportschool] ( [adres sportschool] ), openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met

kracht) geven van een kopstoot en/of een of meer knietjes en/of een of meer

schoppen en/of een of meer stompen en/of een of meer klappen tegen het hoofd

dan wel het lichaam en/of het aanwenden van een armklem rondom de hals/nek

van deze [slachtoffer]

en/of

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer] ), (met kracht) een kopstoot en/of een of

meer knietjes en/of een of meer schoppen en/of een of meer stompen en/of een

of meer klappen tegen het hoofd dan wel het lichaam heeft gegeven en/of door

een armklem met kracht rondom de hals/nek van deze [slachtoffer] aan te brengen

en enige tijd daar te houden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden. De officier van justitie legt aan die eis ten grondslag dat het feit dat aangever politieagent is, de reden was voor de geweldpleging tegen hem. De officier van justitie stelt dat aan verdachte en de samenleving een duidelijk signaal moet worden gegeven dat geweldpleging tegen een politieagent ontoelaatbaar is.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging ontkent dat verdachte wist dat aangever politieman was en stelt dat in ieder geval niet de aanleiding voor het incident was.

De verdediging gaat uit van een bewezenverklaring van mishandeling, uitsluitend bestaande uit de door verdachte gegeven kopstoot, en meent dat de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis daarvoor een meer dan voldoende straf is, gelet ook op de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich, samen met [medeverdachte] , schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Nadat verdachte een woordenwisseling had gehad met aangever, heeft hij, samen met [medeverdachte] , aangever opgezocht om verhaal te gaan halen. Verdachte heeft aangever toen een kopstoot gegeven en vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte] met aangever in gevecht gegaan.

Aangever heeft letsel opgelopen en daarnaast heeft het handelen van verdachte en [medeverdachte] gevoelens van onveiligheid en angst opgeroepen bij aangever, en gevoelens van onrust bij de omstanders.

Hoewel de rechtbank uit de door verdachte afgelegde verklaringen opmaakt dat verdachte wist dan wel minst genomen vermoedde, dat aangever politieagent was, namelijk arrestantenverzorger, volgt de rechtbank niet het betoog van de officier van justitie dat de functie van aangever de aanleiding was voor het tegen hem gepleegde geweld. Op basis van de verklaringen van aangever en verdachte is dat niet aannemelijk geworden. Uitgaande van die verklaringen lijkt de aanleiding te zijn geweest dat de reactie en/of houding van aangever verdachte niet beviel. Dat verdachte en [medeverdachte] om die reden verhaal zijn gaan halen en daarbij zijn overgegaan tot geweldpleging tegen aangever, is volstrekt ontoelaatbaar. Van een strafverzwarende omstandigheid vanwege de functie van aangever is echter geen sprake.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat hij de initiatiefnemer voor de geweldpleging is geweest en ook met het feit dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Stafrecht en de rechtbank past strafvermindering toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Het voorgaande afwegend acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan een voorwaardelijk deel van 52 dagen en een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf dient om verdachte ervan te weerhouden om nogmaals een strafbaar feit te plegen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 883,60.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 522,40 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, waarvan € 22,40 ter zake van materiële schade (reiskosten voor twee ziekenhuisbezoeken) en € 500,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2014 tot de dag van algehele voldoening.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De vordering van de benadeelde partij zal voor het overige worden afgewezen nu niet aannemelijk is geworden dat deze schade zich heeft voorgedaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 100 dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 52 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 522,40, waarvan € 22,40 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2014 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] (subsidiair feit), € 522,40 te betalen, bij niet betaling te vervangen door tien dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04A)

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Brouwer en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Koks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 januari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt bedoeld de paginanummers van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2014082917 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 183. Proces-verbaal van aangifte, p. 45 en 46.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 46.

3 Proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte [medeverdachte] , p. 81.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 46 en 47.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 54.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 56.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 46.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 50.

10 Proces-verbaal van aangifte, p. 46 en 47.

11 Proces-verbaal van aangifte, p. 47.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 57.

13 Een geschrift, zijnde de schriftelijke weergave van een getapt telefoongesprek van medeverdachte [medeverdachte] , p. 101.

14 Idem voetnoot 13.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 57.

17 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, p. 111.