Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:148

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_1996
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:3255, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de stukken blijkt niet of de bedrijfsarts voldoende medische informatie had om een oordeel te geven over de ziekte en gebreken van eiseres. Gelet op de processuele opstelling van eiseres komt dit voor haar rekening en risico. Nu er geen objectieve stukken zijn waaruit een causaal verband tussen de klachten van eiseres en het werk of werkomstandigheden kan worden aangenomen, heeft het college op goede gronden de aanvraag om een aanvullende uitkering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/1996 AW

uitspraak van 10 januari 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P. Bots,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 januari 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering een aanvullende uitkering toe te kennen.

Het beroep is ingediend bij rechtbank Rotterdam. Rechtbank Rotterdam heeft aanleiding gezien om de zaak voor verdere behandeling te verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 december 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. de Witte-van den Haak, [naam vertegenwoordiger] en mr. P. van Namen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op 1 augustus 2006 in dienst getreden bij het college als juridisch medewerker. Op 5 juli 2011 heeft eiseres zich arbeidsongeschikt gemeld.

Per 16 juli 2013 is aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.

Bij brief van 12 augustus 2013 heeft eiseres verzocht om een aanvullende uitkering op grond van artikel 52 van het Ambtenarenreglement.

Het dienstverband van eiseres bij verweerder is bij besluit van 16 september 2013 per 23 november 2013 beëindigd.

Bij besluit van 8 mei 2014 (primair) besluit is het verzoek van eiseres om een aanvullende uitkering op grond van artikel 53 van het Ambtenarenreglement afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Eiseres is van mening dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen de arbeidsongeschiktheid en haar werkzaamheden. Gelet op de gang van zaken vanaf het bezwaarschrift over de kwestie over de toepassing van artikel 52 van het Ambtenarenreglement, heeft eiseres haar twijfels over de objectiviteit van de bezwaaradviescommissie en de bedrijfsarts. Eiseres vindt het niet terecht dat het college aanvullende criteria naast de criteria van de Centrale Raad van Beroep heeft gesteld.

3. In artikel 53, eerste lid, van het Ambtenarenreglement is bepaald dat aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering wordt verleend.

4. Naar vaste rechtspraak geldt voor de toepassing van regelingen als artikel 53 van het Ambtenarenreglement dat er sprake moet zijn van in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid hebben veroorzaakt. Bij klachten van psychische aard zal ook nog beoordeeld moeten worden of die factoren objectief bezien een buitensporig karakter dragen. Vervolgens moet nog vastgesteld worden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het werk of de werkomstandigheden en de psychische arbeidsongeschiktheid (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2383).

5.1

Niet in geschil is dat voldaan is aan de eerste twee voorwaarden. In geschil is uitsluitend of er sprake is van een causaal verband tussen de arbeidsongeschikt en het werk of de werkomstandigheden. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een causaal verband zal duidelijk moeten zijn wat de aard van de arbeidsongeschiktheid is van eiseres en waardoor die arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt.

5.2

Eiseres heeft gesteld dat er sprake is van een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) en dat deze is veroorzaakt door twee of drie geweldsincidenten die zich tijdens de dienst hebben voorgedaan.

Hoewel in de gedingstukken een aanwijzing te vinden is dat eiseres psychische klachten heeft, zijn er geen objectiveerbare medische stukken in het geding gebracht waaruit op te maken is wat de aard van en aanleiding voor die psychische klachten is. Met name blijkt uit de beschikbare stukken niet dat er sprake is van PTSS. Dat de bezwaarcommissie op 15 mei 2012, in het kader van een de behandeling van het bezwaar inzake de toepassing van artikel 52 van het Ambtenarenreglement, is uitgegaan van de door eiseres gestelde diagnose PTSS en het aannemelijk heeft gevonden dat er sprake is van een causaal verband met de werkomstandigheden, betekent niet dat het college daarvan ook in deze zaak heeft moeten uitgaan. Ten eerste betreft het hier een advies dat destijds niet heeft geleid tot een gegrond bezwaar. Het bezwaar is immers niet-ontvankelijk verklaard. Ten tweede hebben aan het advies geen objectiveerbare medische gegevens ten grondslag gelegen. Het college heeft dan ook bij de beoordeling of eiseres recht heeft op een aanvullende uitkering op grond van artikel 53 van het Ambtenarenreglement niet ten onrechte de eis gesteld dat uit medische objectiveerbare gegevens moet blijken wat eiseres heeft en waardoor dat komt.

5.3

Uit de gedingstukken blijkt dat de bedrijfsarts van mening is dat er onvoldoende medische gegevens aanwezig zijn om vast te kunnen stellen welke ziekte of gebreken eiseres had. De rechtbank stelt vast dat de bedrijfsarts heeft getracht medische informatie te verkrijgen bij de diverse door eiseres opgegeven behandelaars. Dat er onvoldoende medische informatie werd verstrekt, werd volgens de bedrijfsarts mede veroorzaakt door de beperkte toestemming die eiseres heeft gegeven. Eiseres is dan ook nog zelf in de gelegenheid gesteld medische informatie in te brengen. Eiseres heeft van deze mogelijkheid, om haar moverende redenen, geen gebruik gemaakt.

Eiseres heeft de bedrijfsarts geen toestemming gegeven om de wel bij hem bekende medische gegevens te verstrekken aan derden. Dit betekent dat in het beroepsdossier de (medische) stukken die wel aan de bedrijfsarts verstrekt zijn, niet zijn toegevoegd. Eiseres heeft die gegevens ook niet zelf alsnog ingebracht in beroep. Het is voor de rechtbank dan ook niet mogelijk te beoordelen of de bedrijfsarts op goede gronden heeft gesteld dat hij onvoldoende medische informatie heeft. Dit dient, gelet op de processuele opstelling van eiseres, voor haar rekening en risico te blijven. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de bedrijfsarts onvoldoende medische informatie had om te kunnen beoordelen wat de aard en oorzaak (of aanleiding) van de klachten van eiseres is.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat het college, door het bij eiseres opvragen van medische informatie, geen aanvullende eisen heeft gesteld. Het college heeft immers geprobeerd om de informatie te verkrijgen, die nodig was om een zorgvuldig onderzoek te kunnen (laten) uitvoeren. Nu het mede door de houding van eiseres voor het college niet mogelijk is de benodigde medische gegevens boven water te krijgen, lag het op de weg van eiseres om deze gegevens te verstrekken. Zij is immers bij uitstek degene die die gegevens kan verkrijgen.

5.4

Nu er geen objectieve medische stukken zijn waaruit blijkt wat precies de klachten van eiseres zijn en dat er sprake is van een causaal verband tussen die klachten en het werk of de werk-omstandigheden, heeft het college de aanvraag van eiseres op goede gronden afgewezen.

5.5

Aan de stelling van eiseres dat de bedrijfsarts en de bezwaaradviescommissie niet objectief waren, heeft eiseres ten grondslag gelegd dat de commissie het advies uit 2012 heeft miskend, de bedrijfsarts de gegevens niet boven water heeft gekregen en de samenstelling van de kamer van de bezwaaradviescommissie is gewijzigd.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. Zoals onder punt 5.2 is overwogen hoefde de commissie geen rekening te houden met het advies uit 2012, met name niet omdat, zoals het college onbetwist heeft aangevoerd, voor het oordeel van de bezwaaradviescommissie uit 2012 geen enkele medische onderbouwing was gegeven. Dat de samenstelling van de adviescommissie een andere was dan in 2012 heeft de gemachtigde van het college verklaard door aan te voeren dat de samenstelling van de kamers regelmatig wisselt, mede vanwege de beperkte zittingsduur van 8 jaar. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Onder punt 5.3 is overwogen dat het niet kunnen verkrijgen van de nodige medische gegevens mede veroorzaakt is door de houding van eiseres, zodat ook haar stelling dat de bedrijfsarts niet objectief was omdat hij geen stukken kon krijgen niet kan slagen. Nu de stelling van eiseres dat de bedrijfsarts niet objectief was niet verder is gespecificeerd en niet is onderbouwd, zal de rechtbank hieraan verder voorbij gaan.

6. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. N.E.M. de Coninck en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.