Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1469

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
AWB 16_1279, 16_1297 en 16_1298
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1575, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassen hardheidsclausule Geluidverordening.

Het college heeft in redelijkheid de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule kunnen toepassen.

Omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en beperkte milieutoets.

Het college was niet bevoegd een omgevingsvergunning voor de activiteit beperkte milieutoets te verlenen nu de activiteit waarvoor deze omgevingsvergunning is verleend deel uitmaakt van een IPPC installatie. Omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan grotendeels in stand blijven. Op één punt heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door een voorschrift inzake de maximale geluidsniveaus aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/1279 WABOM, BRE 16/1297 WABOM en BRE 16/1298 WABOM

uitspraak van 7 maart 2017 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[Naam bedrijf] , te [Vestigingsplaats] ,

[Naam stichting] , te Nisse,

samen te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J.E. Dijk,

[Naam bedrijf2] , te [Vestigingsplaats2] , eiseres,

gemachtigde: ir. G.J. Schreurs,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2016 (bestreden besluit I) van het college inzake het toepassen van de in artikel 14 van de Geluidverordening buitengebied Borsele 2011 (Geluidverordening) opgenomen hardheidsclausule. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/1298 WABOM.

Daarnaast hebben eisers beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2016 (bestreden besluit II) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu aan [Naam bedrijf2] . Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/1297 WABOM.

[Naam bedrijf2] heeft eveneens beroep ingesteld tegen bestreden besluit II. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/1279 WABOM.

Bij besluit van 1 november 2016 (bestreden besluit III) heeft het college bestreden besluit II gewijzigd. De beroepen van eisers en [Naam bedrijf2] tegen bestreden besluit II hebben van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit III, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De beroepen zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 24 januari 2017 in Middelburg. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. [Naam bedrijf2] heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. J.A. Huizer, [Naam vertegenwoordiger 1] , [Naam vertegenwoordiger2] , [Naam vertegenwoordiger3] , [Naam vertegenwoordiger4] en haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger5] , [Naam vertegenwoordiger6] , [Naam vertegenwoordiger7] , [Naam vertegenwoordiger8] en [Naam vertegenwoordiger9] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[Naam bedrijf2] exploiteert een uienverwerkingsbedrijf aan de [Adres] te [Vestigingsplaats2] . De activiteiten van deze inrichting zien onder meer op het verhandelen en verwerken van uien, sjalotten, plantuitjes, zilveruien en de productie van uienolie en uienconcentraat. Op 16 april 1991 is voor de inrichting een revisievergunning verleend.

[Naam bedrijf2] heeft op 4 juli 2013 een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit milieu ingediend ten behoeve van het verkrijgen van een nieuwe voor de gehele inrichting omvattende vergunning (revisievergunning).

Op 5 juni 2014 is door het college een ontwerpbesluit met bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegd inhoudende dat het voornemens is de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Onder meer [Naam bedrijf2] en de [Naam stichting] hebben tegen dit voornemen een zienswijze naar voren gebracht.

Bij brief van 24 november 2014 heeft [Naam bedrijf2] de aanvraag omgevingsvergunning op enkele onderdelen gewijzigd en aangevuld.

Op 22 juni 2015 is door [Naam bedrijf2] een definitief akoestisch onderzoek aangeleverd ter vervanging van de eerdere aangeleverde geluidsrapporten. Dit akoestisch onderzoek is opgesteld door [Naam bedrijf3] en dateert van 22 juni 2015.

Naar aanleiding van de gewijzigde aanvraag heeft het college met ingang van 2 juli 2015 een hernieuwd ontwerpbesluit met bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegd inhoudende dat het voornemens is de aangevraagde gewijzigde omgevingsvergunning te verlenen.

Met ingang van 16 juli 2015 heeft het college gedurende 6 weken ter inzage gelegd het ontwerpbesluit inhoudende dat het college voornemens is om de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule toe te passen voor de inrichting.

Onder meer [Naam bedrijf2] en eisers hebben tegen beide voornemens van het college zienswijzen naar voren gebracht.

Bij bestreden besluit I heeft het college de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule voor de inrichting toegepast.

Bij bestreden besluit II heeft het college de door [Naam bedrijf2] aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend voor de handel en verwerking van uien, sjalotten, plantuitjes en zilveruien (met uitzondering van zilveruienverwerking tussen 19.00 en 21.00 uur) en de productie van uienolie en uienconcentraat.

Bij bestreden besluit III heeft het college bestreden besluit II gewijzigd in die zin dat eveneens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend voor het vervaardigen van dierlijke of plantaardige oliën of vetten.

Ontvankelijkheid beroepen

2. Allereerst ligt ter beoordeling aan de rechtbank de vraag voor of de beroepen ontvankelijk zijn. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat eisers, gelet op de statutaire doelstellingen en hun feitelijke werkzaamheden, een rechtstreeks betrokken belang bij bestreden besluiten I tot en met III hebben. Gelet hierop kunnen zij als belanghebbenden worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. De beroepen van eisers tegen bestreden besluiten I tot en met III zijn dan ook ontvankelijk. Deze conclusie geldt eveneens voor het beroep van [Naam bedrijf2] dat zich richt tegen bestreden besluiten II en III. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluiten I tot en met III.

Bestreden besluit I (toepassen hardheidsclausule)
zaaknummer: BRE 16/1298 WABOM

3. Eisers voeren, samengevat, aan dat het college ten onrechte bij bestreden besluit I de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule heeft toegepast. Allereerst stellen zij dat artikel 14 van de Geluidverordening buiten toepassing moet blijven wegens strijd met de wet. Daarnaast stellen eisers dat niet is voldaan aan de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen voorwaarden. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden en is geen sprake van een onvoorziene situatie. Eisers brengen in dit kader naar voren dat de inrichting al jarenlang een te grote mate van geluidhinder veroorzaakt. Bovendien geldt in de Geluidverordening als uitgangspunt dat in gevallen waarin sprake is van een knelpunt op termijn aan de grenswaarden van de Geluidverordening moet worden voldaan. Door de inrichting worden ook niet de beste beschikbare technieken (BBT) toegepast. Ook kan het argument van het college dat het gezien de kosten van de te nemen maatregelen niet van [Naam bedrijf2] kan worden gevergd om aanvullende maatregelen te treffen niet dienen ter onderbouwing van het toepassen van de hardheidsclausule. Het college heeft op dit punt ook onvoldoende een eigen afweging gemaakt. Evenmin is door het college voldoende gemotiveerd dat het niet toepassen van de hardheidsclausule leidt tot sluiting van de inrichting dan wel dat bedrijfsverplaatsing geen mogelijkheid is.

4. De rechtbank constateert dat de raad van de gemeente Borsele lokaal geluidbeleid heeft vastgesteld. Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad de Geluidverordening met bijbehorend Aanwijzingsbesluit vastgesteld. In de Geluidverordening is vastgelegd hoeveel geluidproductie binnen bepaalde gebieden met bijbehorende zones is toegestaan. De Geluidverordening is gebaseerd op het bij besluit van 3 juni 2010 door de raad vastgestelde “Geluidplan voor het buitengebied”.

Artikel 3 van de Geluidverordening bepaalt dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ten gevolge van inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones geldt dat de niveaus op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen of wanneer er geen woning binnen 50 meter staat, dan geldt de afstand van 50 meter vanaf het bouwblok, binnen de in tabel 1 en 2 genoemde dagdelen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden voor de betreffende zones:

Tabel 1: Richt- en grenswaarden voor het gebied I (extra geluidruimte)

Gebied I

Referentieniveau

Beleid voor bedrijven

Richtwaarde

(etmaalwaarde)

Grenswaarde
(etmaalwaarde)

Zone 1

45-50 dB(A)

Tot maximaal 5 dB(A) extra geluidruimte boven wettelijke waarde

Dag: 50

Avond: 45
Nacht: 40

Dag: 50

Avond: 45

Nacht: 40

Zone 2

40-45 dB(A)

Ontheffing mogelijk tot maximaal 5 dB(A) extra geluidruimte boven wettelijke waarde

Dag: 45
Avond: 40

Nacht: 35

Dag: 50

Avond: 45

Nacht: 40

Tabel 2: Richt- en grenswaarden voor gebied II (handhaving bestaande geluidkwaliteit)

Gebied II

Referentieniveau

Beleid voor bedrijven

Richtwaarde

(etmaalwaarde)

Grenswaarde
(etmaalwaarde)

Zone 3

40-45 dB(A)

Geldt het referentieniveau tot maximaal de wettelijke waarde

Dag: 45

Avond: 40
Nacht: 35

Dag: 45

Avond: 40

Nacht: 35

Zone 4

<40 dB(A)

Ontheffing mogelijk tot maximaal de wettelijke waarde

Dag: 40
Avond: 35

Nacht: 30

Dag: 45

Avond: 40

Nacht: 35

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Geluidverordening kan het college bij bestaande situaties overeenkomstig de Handreiking in afwijking van de gebiedsgerichte geluidsnormen zoals opgenomen in de tabellen van artikel 3, maatwerk opleggen in de vorm van voorschriften aan een inrichting die binnen een aangewezen zone ligt.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de in het eerste lid genoemde voorschriften zijn bestemd voor de aanpak van bestaande situaties om uiteindelijk te kunnen voldoen aan de in de tabellen van artikel 3 genoemde geluidwaarden.

Artikel 14 van de Geluidverordening bepaalt dat het college kan afwijken van de bepalingen in de verordening, indien naar zijn oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepaling(en) te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

5. Uit het bij de Geluidverordening behorende Aanwijzingsbesluit volgt dat de inrichting voor het grootste deel is gelegen binnen zone 3 en voor een klein deel is gelegen binnen zone 1. Op grond van artikel 3 van de Geluidverordening gelden binnen zone 3 als grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 45, dB(A) 40 dB(A) en 35 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Voor zone 1 gelden als grenswaarden 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode.

Het college heeft op grond van de aanvraag omgevingsvergunning met onderliggende stukken, waaronder het akoestisch onderzoek van [Naam bedrijf3] van 22 juni 2015, en de uitgevoerde BBT-analyse geconstateerd dat de inrichting met de huidige en in de omgevingsvergunning aangevraagde bedrijfsactiviteiten niet kan voldoen aan de grenswaarden van zowel zone 3 als zone 1. Hierin heeft het college aanleiding gezien om de in artikel 14 van de Geluid-verordening opgenomen hardheidsclausule toe te passen.

6. Ter beoordeling aan de rechtbank ligt de vraag of het college in redelijkheid de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule heeft kunnen toepassen.

Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de bevoegdheid van het college om deze hardheidsclausule toe te passen een discretionaire bevoegdheid betreft. Als gevolg hiervan moet de rechtbank het toepassen van de bevoegdheid alsmede de motivering hiervan terughoudend toetsen.

Verder is bij deze beoordeling van belang dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor de conclusie dat artikel 14 van de Geluidverordening buiten toepassing moet blijven wegens strijd met de wet, zoals eisers stellen. De rechtbank acht daarbij van belang dat op grond van artikel 149 van de Gemeentewet de raad van de gemeente Borsele verordeningen kan vaststellen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. In dit geval heeft de raad het nodig geoordeeld om een Geluidverordening vast te stellen ter uitwerking van het lokale geluidbeleid. Er is geen wettelijk voorschrift die het vaststellen van dergelijk lokaal geluidbeleid verbiedt. In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, dat een hulpmiddel is voor overheden om hinder door industrielawaai te voorkomen en beperken, is juist vermeld dat het voor een gemeente aanbeveling verdient om op grond van de Handreiking een eigen geluidbeleid vast te stellen. Verder volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule tot gevolg heeft dat een onbeperkte geluidsbelasting is toegestaan. Bij het toepassen van de hardheidsclausule moet het college een afweging maken tussen de belangen van de inrichting en de belangen van omwonenden en de omgeving. Als gevolg hiervan kan van een onbeperkte geluidsbelasting nimmer geen sprake zijn.

7. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de in artikel 14 van de Geluidverordening opgenomen hardheidsclausule heeft kunnen toepassen.

Hierbij acht de rechtbank van belang dat reeds op grond van de vigerende revisievergunning hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn toegestaan, te weten 55 dB(A), 50 dB(A) en 45 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. In zoverre is voor omwonenden en de omgeving geen sprake van een toename van de geluidbelasting ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast heeft het college onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek van [Naam bedrijf3] en de gemaakte BBT-analyse zich op het standpunt kunnen stellen dat een verlaging van de geluidemissie van de inrichting met 10 dB(A), waarmee kan worden voldaan aan de grenswaarden die gelden voor zone 3, niet haalbaar is.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt eveneens dat de inrichting reeds geluidreducerende maatregelen heeft genomen, zoals het vervangen van daken en gevels van bedrijfsgebouwen door beter geluidisolerende constructies. Bovendien worden in het kader van de nieuwe omgevingsvergunning eveneens aanvullende geluidreducerende maatregelen genomen, zoals het toepassen van geluiddempende roosters in de openingen van bedrijfsgebouw nummer [Getal] . Met deze aanvullende maatregelen neemt de geluidsbelasting voor de omgeving en omwonenden af ten opzichte van de huidige situatie. In het akoestisch onderzoek zijn nog verdergaande geluidreducerende maatregelen onderzocht. Deze aanvullende maatregelen betreffen onder meer het plaatsen van geluidschermen op de noordelijke en oostelijke aarden wallen en rondom de beluchtingsvijver en het plaatsen van geluiddempende roosters voor de luchttoevoer in de noordgevel van hal 6. Uit het onderzoek blijkt dat deze aanvullende maatregelen een maximale geluidreductie van 2,5 dB(A) op één woning ( [adres4] ) opleveren. Bij de andere woningen is de geluidreductie beperkter, zijnde maximaal 1 dB(A). Op grond van de benodigde investering van ongeveer € 100.000,- in relatie tot het daarmee te verwezenlijken geluidreducerend effect is het college van mening dat deze aanvullende maatregelen niet als BBT kunnen worden aangemerkt. Voor de hinderbeleving heeft een reductie van 2,5 dB(A) volgens het college een zeer gering effect en voor het menselijk gehoor is een dergelijk verschil in geluidniveau nauwelijks waarneembaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze conclusie van het college te twijfelen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat ook met een reductie van 2,5 dB(A) dan wel 1 dB(A) nog steeds sprake is van een overschrijding van de op grond van de Geluidverordening meest strenge geldende grenswaarden voor zone 3.

Met betrekking tot de stelling van eisers dat geen sprake is van een onvoorziene situatie constateert de rechtbank dat in de tekst van artikel 14 van de Geluidverordening zelf niet is opgenomen dat sprake moet zijn van een onvoorziene situatie. In de toelichting behorende bij de Geluidverordening is wel vermeld dat in vooraf onvoorziene gevallen een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule. Naar het oordeel van de rechtbank is dit punt voldoende door het college toegelicht. Zo is uiteengezet dat de exacte akoestische situatie van alle aanwezige geluidbronnen bij de inrichting pas duidelijk werd nadat een akoestisch rapport ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning was opgesteld. Op dat moment is pas door het college geconstateerd dat maatwerk op grond van artikel 5 van de Geluidverordening geen oplossing biedt. Een overschrijding van de geluidsnormen uit de vigerende revisievergunning is door het college niet geconstateerd en ook niet voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Verder acht de rechtbank nog van belang dat uit het aan de Geluidverordening ten grondslag liggende Geluidplan volgt dat maatwerk bij knelpunten – bestaande situaties waarin niet aan de geluidsnormen van de Geluidverordening wordt voldaan – mogelijk is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat strikte toepassing van de bepalingen van de Geluidverordening voor de inrichting gevolgen zouden hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen dan wel leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard, als bedoeld in artikel 14 van de Geluidverordening.

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit I in stand kan blijven en het beroep van eisers ongegrond moet worden verklaard.

9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Bestreden besluiten II en III

zaaknummers: BRE 16/1298 WABOM (beroep van eisers) en BRE 16/1279 WABOM (beroep van TOP)

Wettelijk kader

10. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
e. 1 het oprichten, 2 het veranderen of veranderen van de werking of 3 het in werking hebben van een inrichting;

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

De gronden voor weigering van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo zijn opgesomd in artikel 2.14 van die wet. In het eerste lid van dit artikel zijn gronden opgenomen die het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval moet betrekken. Dit betreft onder meer de bestaande toestand van het milieu, de gevolgen voor het milieu en de mogelijkheden tot bescherming van het milieu. In het tweede lid van dit artikel zijn gronden opgenomen waarmee het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag rekening moet houden. In het derde lid zijn gronden opgenomen die het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in acht moet nemen. Dit betreft onder meer dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

De hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort.

Op grond van artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor worden als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, aangewezen:

(…).

Het zevende lid van artikel 2.2a van het Bor bepaalt dat het eerste tot en met het zesde lid niet van toepassing zijn indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie.

Verhouding bestreden besluiten II en III

11. De rechtbank constateert dat bij bestreden besluit II het college de door [Naam bedrijf2] aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit milieu heeft verleend voor de handel en verwerking van uien, sjalotten, plantuitjes en zilveruien en de productie van uienolie en uienconcentraat, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Bij bestreden besluit III heeft het college bestreden besluit II gewijzigd in die zin dat eveneens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend voor het vervaardigen van dierlijke of plantaardige oliën of vetten, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat bestreden besluit III bestreden besluit II vervangt. Gelet hierop ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers en [Naam bedrijf2] nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit II. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geval indien tot de conclusie moet worden gekomen dat bestreden besluit III niet in stand kan blijven. Op dat moment herleeft bestreden besluit II immers weer.

Beoordeling bestreden besluit III

12. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is benodigd (type C). De inrichting moet op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor als vergunningplichtige inrichting worden aangemerkt, nu sprake is van een IPPC-installatie. De inrichting valt namelijk onder categorie 6.4, onder b, sub II van bijlage I van de Richtlijn industriële Emissies, nu sprake is van de bewerking en verwerking van plantaardige grondstoffen voor de fabricage van levensmiddelen met een productiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag.

Bij bestreden besluit III heeft het college naast een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu ook een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend voor het vervaardigen van dierlijke of plantaardige oliën of vetten. Naar het oordeel van de rechtbank was het college echter niet bevoegd om een omgevingsvergunning voor deze activiteit te verlenen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt namelijk dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend deel uitmaakt van de IPPC-installatie. Op grond van artikel 2.2, zevende lid, van het Bor kan in dat geval niet met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets worden volstaan en is een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist. Ter zitting is dit ook door partijen erkend.

13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college niet bevoegd was om de omgevingsvergunning beperkte milieutoets te verlenen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de beroepen van eisers en [Naam bedrijf2] – voor zover gericht tegen bestreden besluit III – gegrond te verklaren en bestreden besluit III te vernietigen. Als gevolg hiervan herleeft bestreden besluit II weer en hebben eisers en [Naam bedrijf2] hun belang bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit II behouden. De rechtbank zal hierna de beroepen van eisers en [Naam bedrijf2] tegen bestreden besluit II ieder afzonderlijk bespreken.

Het beroep van eisers tegen bestreden besluit II

14. Eisers stellen zich op het standpunt dat de voorgeschreven geluidnormen tot de uiterste grenzen worden opgerekt ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van [Naam bedrijf2] . Er is reeds jarenlang sprake van overschrijding van de geluidnormen. Er is onvoldoende gemotiveerd welke technieken worden ingezet om geluidniveaus te reduceren en of de BBT zijn toepast. Met betrekking tot de aanvullende geluidreducerende maatregelen brengen eisers naar voren dat voor omwonenden een vermindering van de geluidbelasting met 2,5 dB(A) een aanzienlijke verlichting zou betekenen. Met betrekking tot de specifieke voorschriften die gelden tijdens de zilveruiencampagne stellen eisers dat ten onrechte de geluidsnormen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avondperiode tijdens de zilveruiencampagne hoger zijn dan buiten die periode. Met betrekking tot de geurhinder brengen eisers naar voren dat uit de verleende omgevingsvergunning in samenhang gelezen met de aanvraag en het daarbij behorende geuronderzoek niet duidelijk blijkt welke maatregelen worden getroffen om geurhinder te voorkomen. Verder zijn volgens eisers enkele aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften ten aanzien van het onderdeel geur onjuist. Daarnaast bestaan bij eisers onduidelijkheden over de monitoring. Volgens eisers hebben de bedrijfsactiviteiten in het verleden tot veel geuroverlast geleid.

15.1

Ten aanzien van het onderdeel geluid is van belang dat in hoofdstuk 6 van de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming en beperking van geluidshinder.

15.2

Met betrekking tot de grond van eisers inzake de geluidreducerende maatregelen constateert de rechtbank dat in voorschriften 6.1.7, 6.1.8 en 6.1.9 diverse geluidreducerende maatregelen zijn vastgelegd. Zo is in voorschrift 6.1.7 bepaald dat uiterlijk op 30 juni 2016 een aantal geluidreducerende maatregelen moeten zijn genomen, waaronder het beperken van de geluidsemissie van de ventilatoren in de noordgevel van gebouw 32. Verder is in voorschrift 6.1.8 bepaald dat het na 30 juni 2016 niet meer is toegestaan uien te drogen onder de overkapping van gebouw 15a.

Zoals reeds in overweging 7 van deze uitspraak is overwogen zijn in het akoestisch onderzoek door [Naam bedrijf3] nog verdergaande aanvullende geluidreducerende maatregelen onderzocht, waaronder het plaatsen van geluidschermen op de noordelijke en oostelijke aarden wallen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het college dat deze aanvullende maatregelen op grond van de benodigde investering van ongeveer € 100.000,- in relatie tot het daarmee te verwezenlijken geluidreducerend effect niet als BBT kunnen worden aangemerkt. Het betoog van eisers faalt op dit punt.

15.3

Met betrekking tot de grond van eisers ten aanzien van de geluidsnormen tijdens de zilveruiencampagne constateert de rechtbank dat in voorschrift 6.1.1 grenswaarden zijn opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens de zilveruiencampagne van juli tot en met september. In voorschrift 6.1.2 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau buiten de zilveruiencampagne van oktober tot en met juni. Op grond van voorschrift 6.1.3 mag de productie van zilveruien uitsluitend plaatsvinden tussen 06.30 en 19.00 uur.

Ondanks dat de productie van zilveruien niet de avondperiode mag plaatsvinden geldt op grond van de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 dat voor de woningen aan de [Adres2] en de [Adres3] binnen de zilveruiencampagne de grenswaarde in de avondperiode 1 d(A) hoger is dan buiten de zilveruiencampagne. Het college heeft toegelicht dat tijdens de zilveruiencampagne in de avondperiode een beperkt aantal aan de zilveruienproductie verwante activiteiten plaatsvinden en deze aanverwante activiteiten op grond van voorschrift 6.1.3 niet zijn verboden. Deze activiteiten zorgen tijdens de zilveruiencampagne voor een geringe verhoging van de geluidniveaus ten opzichte van de situatie buiten de zilveruiencampagne. Aanpassing van de vergunning is volgens het college niet mogelijk omdat een lagere norm leidt tot een impliciet verbod op de hiervoor genoemde activiteiten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met deze toelichting dit punt voldoende onderbouwd. Het betoog van eisers faalt op dit punt.

16.1

Ten aanzien van het onderdeel geur is van belang dat in hoofdstuk 7 van de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming en beperking van geuroverlast.

16.2

Met betrekking tot de stelling van eisers dat onduidelijkheid bestaat over welke maatregelen ter voorkoming en beperking van geuroverlast nu zijn aangevraagd, vergund en opgenomen in de voorschriften overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken blijkt dat in eerste instantie bij de aanvraag is uitgegaan van een drietal maatregelen om te voldoen aan de geurcontouren, te weten het realiseren van een gaswasser, een biofilter en een schoorsteen met een hoogte van 20 meter. Dit is aldus zo verwoord in het door [Naam bedrijf4] opgestelde geurrapport van 30 maart 2011 met als kenmerk TOPG10A5. Vervolgens is op 2 oktober 2014 door [Naam bedrijf4] een aanvullend advies uitgebracht met als kenmerk TOPG14B. In dit advies is geconcludeerd dat uit in 2012 en 2013 uitgevoerde metingen blijkt dat het beoogde rendement van het biofilter onder het vereiste rendement van 95% bleef. In het advies is vermeld dat vervolgens door [Naam bedrijf2] een actief koolfilter is geplaatst. Uit een tweetal metingen (TOPG13B1B en TOPG14A1) is gebleken dat door toepassing van het actief koolfilter ruimschoots aan de restemissie-eisen van het rapport TOPG10A5 wordt voldaan, ook zonder schoorsteen. Naar aanleiding hiervan heeft TOP in november 2014 een wijziging van de aanvraag ingediend, inhoudende het plaatsen van een actief koolstoffilter ter vervanging van de gaswasser en het biofilter. Uit bestreden besluit II met behorende stukken kan worden afgeleid dat het volgende nu is vergund: een actief koolstoffilter met een maximale geuruitstoot (voorschriften 7.3.1 en 7.3.2), een vereist rendement van de geurfilter van 98% (voorschrift 7.5.3) en een beperking van de geuremissie van de inrichting tot 2 OUe/m³ als 98‑percentiel bij geurgevoelige objecten (voorschrift 7.2.1). Het realiseren van een schoorsteen is dus niet meer als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onduidelijkheid over de aangevraagde, vergunde en voorgeschreven maatregelen ter voorkomen en beperking van geuroverlast. Het betoog van eisers faalt op dit punt.

16.3

Eisers hebben verder nog gewezen op de voorschriften 7.3.2 en 7.10.1.

In voorschrift 7.3.2 is vastgelegd dat de geuruitstoot van het koolstoffilter niet meer mag bedragen dan 9,5*106 OUe/h. Deze geuruitstoot heeft het college gebaseerd op de door [Naam bedrijf4] uitgevoerde meting met als kenmerk TOPG14A1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid bij deze meting kunnen aansluiten.

In voorschrift 7.10.1 is vastgelegd is dat tijdens de zilveruiencampagne gedurende maximaal 6 weken aaneengesloten per jaar de geuremissie van de uienfabriek met maximaal 630*106 OUe/h (lees: 630*106 OUe/h) mag worden verhoogd van maandag tot en met zaterdag. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze norm had moeten aanpassen. Het betoog van eisers faalt op dit punt.

16.4

Ten behoeve van de monitoring zijn in paragraaf 7.5 voorschriften opgenomen.

Zo is – kort gezegd – in voorschrift 7.5.1 vastgelegd dat de uitworp van geurstoffen van alle geurbronnen, genoemd in het onderzoek van 30 maart 2011 met kenmerk TOPG10A5, in opdracht van de vergunninghouder tweejaarlijks worden bepaald. In voorschrift 7.5.2 is vastgelegd op welke wijze de hiervoor bedoelde metingen moeten worden verricht. In voorschrift 7.5.3 is vervolgens bepaald dat het bevoegd gezag een lagere meetfrequentie kan toestaan nadat door (continue) geurmeting is aangetoond dat het geurfilter een bedrijfszekerheid van tenminste 98% van de bedrijfstijd heeft met het vereiste rendement.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college met deze voorschriften de monitoring van de geuruitstoot op een onjuiste wijze of in onvoldoende mate heeft vastgelegd. Zo is de verwijzing naar het onderzoek van 30 maart 2011 juist, nu daarin per relevante bron de geuremissie (106 OUe/h) en de emissieduur (uur/jaar) is vastgelegd. Verder is in voorschrift 7.5.2 eveneens bepaald dat de resultaten van de metingen moeten worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

17. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de gronden van eisers gericht tegen bestreden besluit II niet slagen. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen bestreden besluit II moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Het beroep van TOP tegen bestreden besluit II

18. Allereerst voert TOP aan dat de afhandeling van de aanvraag door het college te lang heeft geduurd en sprake is van een termijnoverschrijding. Daarnaast stelt [Naam bedrijf2] dat de door het college aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften over het algemeen niet van toegevoegde waarde zijn en onvoldoende duidelijkheid bieden. Zo merkt [Naam bedrijf2] op dat op grond van de ruimtelijke ordening er een hinderzone rondom de inrichting geldt van 300 meter. Daarnaast stelt [Naam bedrijf2] ten aanzien van het onderdeel geluid dat het college in de voorschriften 6.1.1, 6.1.2, 6.1.4 en 6.1.5 ten onrechte grenswaarden heeft opgenomen voor de controlepunten CP01 en CP02. Verder heeft het college voor de (bedrijfs)woning aan de [Adres3] ten onrechte 55 dB(A) als maximale grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gehanteerd. Met betrekking tot de in voorschrift 6.1.6 opgenomen maximale geluidniveaus stelt [Naam bedrijf2] dat het fysisch onmogelijk is dat maximale geluidniveaus lager zijn dan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Ten aanzien van de in hoofdstuk 7 opgenomen voorschriften met betrekking tot het onderdeel geur plaatst [Naam bedrijf2] eveneens diverse kanttekeningen. Daarnaast stelt [Naam bedrijf2] dat de voorschriften 9.3.1 tot en met 9.3.9 wat betreft het onderdeel lucht kunnen komen vervallen, nu sprake is van directe werking van het Activiteitenbesluit. Ook moeten volgens [Naam bedrijf2] de voorschriften zoals opgenomen in hoofdstuk 11 ten aanzien van het opslaan van stoffen komen te vervallen, nu Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30 (PSG 30) niet van toepassing is.

19. Met betrekking tot de afhandeling van de aanvraag en de termijnoverschrijding staat vast dat de aanvraag omgevingsvergunning is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Evenmin is in geschil dat het college niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn op de aanvraag heeft beslist. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college hiervoor dwangsommen heeft verbeurd. Nu het college alsnog op de aanvraag heeft beslist ziet de rechtbank niet in wat [Naam bedrijf2] in het geschil over deze beslissing met deze grond nog wenst te bereiken. Aan het verzoek om te bepalen dat het zich college bij eventuele toekomstige procedures aan de geldende termijnen zal moeten houden, kan de rechtbank in dit geschil niet tegemoetkomen. Het zal de gemachtigde van [Naam bedrijf2] bekend zijn, dat, indien een bestuursorgaan zich bij de afhandeling van een aanvraag niet aan de daarvoor geldende termijnen houdt, daartegen in die procedure op grond van de Awb (rechts-)middelen kunnen worden aangewend.

20. Voor zover [Naam bedrijf2] heeft gewezen op de relatie tussen de in de omgevingsvergunning opgenomen voorschriften en de ruimtelijke ordening is van belang dat voor vraagstukken in de ruimtelijke ordening, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan, een ander afwegingskader geldt dan voor vraagstukken ten aanzien van het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Dat in het ter plaatse geldende bestemmingsplan is aangegeven dat sprake is van een hinderzone van 300 meter kan daarom bij de beoordeling van de in de omgevingsvergunning opgenomen voorschriften geen rol spelen. Het college heeft bovendien terecht opgemerkt dat de hinderzone van 300 meter is gebaseerd op de VNG-brochure, waarin slechts richtafstanden zijn opgenomen. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gaat het om de werkelijke milieubelasting. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

21.1

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn in hoofdstuk 6 van de omgevingsvergunning voorschriften opgenomen ten aanzien van het onderdeel geluid.

21.2

Met betrekking tot de voorschriften 6.1.1, 6.1.2, 6.1.4 en 6.1.5 constateert de rechtbank dat in deze voorschriften grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn opgenomen voor de controlepunten CP01 en CP02.

Het college heeft toegelicht dat deze controlepunten in de voorschriften zijn opgenomen om ongelimiteerde uitbreiding van geluid door de inrichting te voorkomen en te beperken tot de geluidruimte die voor een goede bedrijfsvoering van de inrichting redelijkerwijs nodig is. Controlepunt CP01 is volgens het college in de voorschriften opgenomen ter bescherming van geluidgevoelige bestemmingen in zuidelijke richting die op grotere afstand van de inrichting liggen. Daarmee wordt eveneens de geluidkwaliteit van het achterland aan die zijde, zijnde een rustige landelijke omgeving, gemonitord en gewaarborgd. Controlepunt CP02 is gelegen aan de oostzijde van de inrichting waarin een gebied is gelegen met hoge natuur- en recreatiewaarden. Dit controlepunt is eveneens bedoeld om de ongelimiteerde uitbreiding van geluid te voorkomen. De voor de controlepunten opgenomen grenswaarden in voornoemde voorschriften zijn berekend met het rekenmodel behorend bij het akoestisch onderzoek van Peutz en komen overeen met de door inrichting aangevraagd geluidemissie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met deze toelichting voldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk wordt geacht om ook voor de controlepunten CP01 en CP02 grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op te nemen in de hiervoor genoemde voorschriften. Hierbij acht de rechtbank van belang dat aan een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu niet alleen voorschriften kunnen worden verbonden ten behoeve van de bescherming van geluidgevoelige objecten, maar ten behoeve van bescherming van het milieu. Ook in de Handreiking is opgenomen dat controlepunten op een zekere afstand van de inrichting kunnen worden opgenomen in gevallen waarbij de meest nabijgelegen woning ver weg is gelegen om een ongelimiteerde uitbreiding van geluid door de inrichting te voorkomen. Dit uitgangspunt is ook opgenomen in de Geluidverordening. Voorts acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat [Naam bedrijf2] wordt belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van de voor controlepunten CP01 en CP02 opgenomen grenswaarden. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

21.3

Met betrekking tot de woning aan de Lange Mairedijk 2 is van belang dat uit de stukken blijkt dat ter plaatse van deze woning sprake is een geluidsbelasting die hoger ligt dan de in de revisievergunning uit 1991 voorschreven grenswaarden, waarbij de avondperiode maatgevend is. De bronnen die in de avondperiode voor de overschrijding zorgen zijn verbonden aan de zilveruienproductie. Omdat als gevolg van de zilveruien-productie na 19.00 uur niet kan worden voldaan aan de grenswaarde heeft het college in voorschrift 6.1.3 vastgelegd dat de productie van zilveruien uitsluitend mag plaatsvinden in de uren tussen 06.30 uur en 19.00 uur en zijn de in de voorschriften opgenomen grenswaarden voor de woning aan de Lange Mairedijk 2 gebaseerd op het uitgangspunt dat in de avondperiode geen productie plaatsvindt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid deze redenering voor de woning aan de Lange Mairedijk 2 kunnen hanteren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat een grenswaarde is gehanteerd overeenkomstig de geldende revisievergunning. Daarnaast is de betreffende woning niet binnen inrichtingsgrenzen gelegen en moet deze woning worden aangemerkt als geluidgevoelig object.

21.4

In voorschrift 6.1.6 is bepaald dat de maximale geluidniveaus veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, installaties, alsmede door binnen de inrichting uitgevoerde werkzaamheden in alle bedrijfssituaties op de gevels van de genoemde woningen niet meer mogen bedragen dan in de tabel opgenomen grenswaarden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat deze maximale geluidsniveaus zijn gebaseerd op het door Peutz uitgevoerde akoestisch onderzoek.

Eisers hebben verzocht om de maximale geluidniveaus in dit voorschrift te bepalen op 70, 65 en 60 dB(A) in dag-, avond- en nachtperiode overeenkomstig de in de Handreiking genoemde grenswaarden. De rechtbank ziet daartoe echter geen aanleiding nu uit het akoestisch onderzoek volgt dat deze grenswaarden niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, zoals door [Naam bedrijf2] is aangevraagd. Wel constateert de rechtbank dat voor de woning aan de Provincialeweg 31 het maximale geluidniveau in de nachtperiode 40 dB(A) bedraagt, terwijl op grond van de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode 42 dB(A) bedraagt. Bij de overige woningen zijn de maximale geluidsniveaus wel hoger dan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Volgens de opsteller van het akoestisch onderzoek is het fysisch niet mogelijk dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger is dan het maximale geluidsniveau. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het geen bezwaar heeft tegen het ophogen van de nominale waarde van het maximale geluidsniveau tot die van het gemiddelde geluidsniveau.

Hierin ziet de rechtbank aanleiding het beroep van [Naam bedrijf2] voor zover gericht tegen bestreden besluit II gegrond te verklaren en bestreden besluit II te vernietigen, voor zover daarbij in de tabel bij voorschrift 6.1.6 voor de woning aan de Provincialeweg 31 is opgenomen dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode 40 dB(A) bedraagt. De rechtbank ziet aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het in de tabel bij voorschrift 6.1.6 opgenomen maximale geluidsniveau voor de woning aan de Provincialeweg 31 voor de nachtperiode wijzigen van 40 dB(A) naar 42 dB(A). Dit betekent dat de in voorschrift 6.1.6 opgenomen tabel als volgt komt te luiden:

Woning (adres)

07.00 uur tot 19.00 uur

19.00 uur tot

23.00 uur

23.00 uur tot 07.00 uur

Kadem 21

60 dB(A)

57 dB(A)

57 dB(A)

Korenhalmdijk 16

42 dB(A)

44 dB(A)

44 dB(A)

Lange Mairedijk 2

58 dB(A)

61 dB(A)

61 dB(A)

Schoorkenszandweg 11

55 dB(A)

57 dB(A)

57dB(A)

Provincialeweg 31

52 dB(A)

48 dB(A)

42 dB(A)

21.5

In de voorschriften 6.1.7 en 6.1.8 is bepaald dat enkele geluidreducerende maatregelen uiterlijk op 30 juni 2016 moeten zijn genomen. De rechtbank ziet in hetgeen [Naam bedrijf2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de termijn moet worden aangepast in 6 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning. De termijn is immers reeds verstreken. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.1

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn in hoofdstuk 7 van de omgevingsvergunning voorschriften opgenomen ten aanzien van het onderdeel geur.

22.2

In voorschriften 7.1.1 tot en met 7.1.7 zijn algemene maatregelen opgenomen ter beperking van geuroverlast.

Het college heeft toegelicht dat deze voorschriften zijn opgenomen omdat de inrichting schoon moeten worden gehouden en de voorschriften slaan op diffuse bronnen op het terrein waar geen technieken voor zijn om geurhinder te voorkomen. Voorschrijven om het terrein schoon te houden is volgens het college de enige optie om de invloed van deze diffuse bronnen, die wel degelijk bijdragen aan de geuremissie buiten de inrichting, te voorkomen. Met deze toelichting ziet de rechtbank in hetgeen [Naam bedrijf2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid deze voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.3

In voorschrift 7.3.2 is bepaald dat de geuruitstoot van het koolstoffilter niet meer mag bedragen dan 9,5*106 OUe/h. [Naam bedrijf2] heeft gesteld dat in dit voorschrift een artikel wordt genoemd zonder meetmethode en het genoemde getal een gemiddeld getal betreft. In reactie hierop heeft het college toegelicht dat doordat een norm per uur is opgenomen fluctuaties in de geuruitstoot mogelijk is en niet bij iedere hogere uitstoot per kortere tijdseenheid sprake is van een niet (kunnen) voldoen aan dit gestelde voorschrift. Door dit voorschrift wordt de goede werking van het koolstoffilter vastgelegd, waardoor de gestelde immissienormen worden gehaald. In voorschrift 7.5.2 is vervolgens de meetmethode vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met deze toelichting dit punt voldoende onderbouwd. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt dan ook.

22.4

In voorschrift 7.4.2 is – kort gezegd – vastgelegd dat de ramen en deuren van de uienolie en uienconcentraatfabriek tijdens het in werking zijn van de fabrieken gesloten dienen te zijn met uitzondering van het doorlaten van personen en goederen. De rechtbank volgt [Naam bedrijf2] niet in de stelling dat dit voorschrift geen invloed zou hebben op de geuremissies. Het college heeft namelijk toegelicht dat open deuren wel degelijk invloed hebben op de geuremissie, onder meer doordat een goede onderdruk noodzakelijk is voor een goede werking van het koolstoffilter. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.5

In voorschrift 7.4.3 is – kort gezegd – bepaald dat de gehele installatie zodanig moet worden onderhouden dat deze optimaal functioneert conform de voorschriften van de leverancier. Volgens [Naam bedrijf2] is niet duidelijk wat wordt verstaan onder de gehele installatie. Het college heeft toegelicht dat met de gehele installatie de combinatie van de afzuiging en het koolfilter wordt bedoeld. Met deze toelichting is de strekking van het voorschrift naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.6

In voorschrift 7.4.4 is bepaald dat uienpulp afkomstig van de uienolie en uienconcentraat zodanig moet worden afgekoeld dat er vrijwel geen geuremissie meer optreedt. Volgens [Naam bedrijf2] is dit voorschrift onvoldoende duidelijk. Het college heeft in dit kader toegelicht dat door het koelen van de uienpulp de geuremissie wordt beperkt. De wijze waarop de koeling plaatsvindt wordt met dit voorschrift aan [Naam bedrijf2] zelf overgelaten. De rechtbank kan het college hierin volgen. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.7

In voorschrift 7.5.3 is kort gezegd bepaald dat het bevoegd gezag een lagere meetfrequentie kan toestaan, nadat is aangetoond dat het geurfilter een bedrijfszekerheid heeft van tenminste 98% van de bedrijfstijd van het vereiste rendement. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende toegelicht wat met dit voorschrift wordt bedoeld, namelijk dat het geurfilter zo bedrijfszeker is dat het gedurende 98% van de bedrijfstijd met het vereiste rendement werkt. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

22.8

In voorschrift 7.6.1 zijn maatregelen opgenomen ter voorkoming van bijzondere omstandigheden. Het college heeft toegelicht dat onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan ongewone voorvallen als genoemd in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid dit voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden.

22.9

[Naam bedrijf2] heeft verder nog gevraagd waarover voorschrift 7.10.1 gaat, waarin is vastgelegd dat tijdens de zilveruiencampagne de geuremissie met maximaal 630x106 OUe/h (lees: 630x106 OUe/h) mag worden verhoogd. Het college heeft toegelicht dat deze norm afkomstig is uit het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek van Odournet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit punt voldoende onderbouwd. Het betoog van TOP faalt dan ook.

23. In de voorschriften 9.3.1 tot en met 9.3.9 zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van stuifgevoelige stoffen. De rechtbank constateert dat in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van lucht en geur. Op grond van artikel 2.3a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is deze afdeling ook van toepassing op degene die een inrichting type C drijft. Het college heeft toegelicht dat de voorschriften 9.3.1 tot en met 9.3.9 afkomstig zijn uit de Nederlandse emissie Richtlijn. Deze Richtlijn is vervallen per 1 januari 2016 en gedeeltelijk opgenomen in het Activiteitenbesluit. De voorschriften 9.3.1 tot en met 9.3.9 zijn echter uitgebreider dan de voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit en meer op de situatie van de inrichting toegespitst. Gelet op deze toelichting van het college ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid deze voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden. Het betoog van [Naam bedrijf2] faalt op dit punt.

24. In hoofdstuk 11 van de omgevingsvergunning zijn voorschriften opgenomen inzake het opslaan van stoffen in opslagtanks. In reactie op hetgeen eisers hebben aangevoerd heeft het college uiteengezet dat PGS 15 niet van toepassing is, omdat PSG 15 gaat over opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. PGS 30 gaat uit van een klasseindeling van PGS klasse 0 tot en met 4. PGS klasse 2 geldt voor vloeistoffen met een vlampunt tussen 23 en 55 graden. Aangezien azijnzuur 70% een chemische vloeistof is met een vlampunt 40 graden valt dit onder PGS klasse 2 en is daarom PSG 30 van toepassing. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het betoog van TOP faalt dan ook.

25. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat uitsluitend de grond van [Naam bedrijf2] slaagt inzake het in voorschrift 6.1.6 opgenomen maximale geluidsniveau voor de woning aan de Provincialeweg 31. Het beroep van [Naam bedrijf2] voor zover gericht tegen bestreden besluit II zal dan ook gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien, zoals is omschreven in overweging 21.4.

Proceskosten en griffierecht

26. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen bestreden besluit II wordt ongegrond verklaard. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen bestreden besluit III wordt gegrond verklaard. Hierin ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het griffierecht aan eisers moet worden vergoed. De rechtbank zal het college eveneens veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

27. De beroepen van [Naam bedrijf2] gericht tegen bestreden besluit II en III worden gegrond verklaard. Hierin ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het griffierecht aan [Naam bedrijf2] moet worden vergoed. De rechtbank zal het college eveneens veroordelen in de door [Naam bedrijf2] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing

zaaknummer: BRE 16/1298 WABOM

De rechtbank verklaart het beroep van eisers voor zover gericht tegen bestreden besluit I ongegrond.

zaaknummers 16/1297 WABOM en BRE 16/1279 WABOM

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers voor zover gericht tegen bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van [Naam bedrijf2] voor zover gericht tegen bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit II, voor zover daarbij in de tabel bij voorschrift 6.1.6 voor de woning aan de Provincialeweg 31 is opgenomen dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode 40 dB(A) bedraagt;

  • -

    bepaalt dat de in voorschrift 6.1.6 van bestreden besluit II opgenomen tabel wordt vervangen door de volgende tabel:

Woning (adres)

07.00 uur tot 19.00 uur

19.00 uur tot

23.00 uur

23.00 uur tot 07.00 uur

Kadem 21

60 dB(A)

57 dB(A)

57 dB(A)

Korenhalmdijk 16

42 dB(A)

44 dB(A)

44 dB(A)

Lange Mairedijk 2

58 dB(A)

61 dB(A)

61 dB(A)

Schoorkenszandweg 11

55 dB(A)

57 dB(A)

57dB(A)

Provincialeweg 31

52 dB(A)

48 dB(A)

42 dB(A)

  • -

    verklaart de beroepen van eisers en [Naam bedrijf2] voor zover gericht tegen bestreden besluit III gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit III;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit II en het vernietigde bestreden besluit III;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers en van € 334,- aan [Naam bedrijf2] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,- en van [Naam bedrijf2] tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. S. Ketelaars-Mast, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.