Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1458

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
C/02/317058 / HA ZA 16-448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op 1 april 1996 een koopovereenkomst gesloten met de gemeente Halderberge ter zake de aankoop van een perceel grond voor het bouwen van een woonhuis, welk perceel op 2 juli 1996 door de gemeente aan eiser in eigendom is overgedragen. Onvoldoende gebleken is, dat er sprake is van grond(water)verontreiniging die schadelijk of niet aanvaardbaar is voor het milieu en/of de volksgezondheid, noch dat de verhoogde waardes aan het normaal gebruik van het perceel in de weg staan, zodat de vordering op grond van non-conformiteit niet toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de vordering uit hoofde van dwaling. Voor zover de door TNO in 1994 geconstateerde bodemverontreiniging al heeft geleid tot de grondwaterverontreiniging die door Tritium op het perceel is geconstateerd in 2014 - hetgeen door de gemeente is betwist gezien het tijdsverloop van 20 jaar tussen beide rapportages en het feit dat de voormalige eigenaar van de stomerij in de tussentijd saneringsmaatregelen heeft doorgevoerd - is ten opzichte van de situatie ten tijde van de door partijen gesloten koopovereenkomst sprake van een louter toekomstige omstandigheid. Voorts staat aan een geslaagd beroep op dwaling in de weg, dat de gestelde dwaling niet te wijten is aan een schending van de mededelingsplicht door de gemeente. De vordering op basis van onrechtmatige daad slaagt evenmin. In geval van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, kan de tekortkoming jegens een contractuele wederpartij slechts tevens een onrechtmatige daad opleveren, indien de gedraging onafhankelijk van de schending van de contractuele verbintenis een onrechtmatige daad oplevert. Nu van een tekortkoming in de nakoming/non-conformiteit zijdens de gemeente geen sprake is, is voor een verdergaande aansprakelijkheid op basis van hetzelfde feitencomplex uit hoofde van onrechtmatige daad dan ook geen ruimte.

De vorderingen van eiser jegens de gemeente Halderberge worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/317058 / HA ZA 16-448

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F. Dijkslag te Amersfoort,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HALDERBERGE,

zetelend te Oudenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. E.W.J. de Groot te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 oktober 2016 en alle daarin reeds genoemde stukken;

  • -

    de producties 13 tot en met 15 zijdens [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

a. voor recht te verklaren dat de op 1 april 1996 tussen [eiser] en (de rechtsvoorganger van) de gemeente gesloten koopovereenkomst onder invloed van dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub a en/of b BW tot stand is gekomen en

b. op grond van artikel 6:230 BW de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nog nader te bepalen nadeel dat [eiser] lijdt bij instandhouding van de overeenkomst te wijzigen;

subsidiair

a. voor recht te verklaren dat de gemeente te tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst;

b. de gemeente te veroordelen tot het aan [eiser] vergoeden van de schade, die [eiser] hierdoor lijdt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 1996, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair

a. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub c BW tot stand is gekomen;

b. op grond van artikel 6:230 8W de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nog nader te bepalen nadeel dat [eiser] lijdt bij instandhouding van de overeenkomst te wijzigen;

uiterst subsidiair

a. voor recht te verklaren dat de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

b. de gemeente te veroordelen tot het aan [eiser] vergoeden van de schade, die [eiser] hierdoor lijdt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 1996, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

met in alle gevallen veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure,

onder bepaling dat de gemeente wettelijke rente over de proceskosten aan [eiser] verschuldigd is, wanneer de gemeente niet binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis het bedrag van de proceskosten heeft voldaan, alsmede in de nakosten.

2.2.

De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, inclusief nakosten, onder bepaling dat [eiser] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn wanneer hij deze kosten niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis zal hebben voldaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. [eiser] is eigenaar van de onroerende zaak aan het adres: [adres eiser] , gemeente Halderberge, thans kadastraal bekend als [kadasternummer] (hierna: het perceel).

b. Op het perceel van [eiser] was voorheen een wielerbaan gelegen. De gemeente heeft op enig moment besloten om op de locatie van de wielerbaan woningbouw mogelijk te maken en de wielerbaan te slopen. Op 13 januari 1994 heeft de gemeente Adviesbureau WEMATECH B.V (hierna: WEMATECH) verzocht verkennend bodemonderzoek te verrichten ten behoeve van de vaststelling van de kwaliteit van de grond en grondwater ter plaatse van de voormalige wielerbaan.

c. Op 9 maart 1994 heeft Adviesbureau WEMATECH in haar rapport geconcludeerd dat:

“Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwater-monsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden, dat er met uitzondering van de tanklocatie en de aanwezige puin, geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie.(multifunctioneel).”

“Aangenomen mag worden, dat het licht verhoogde gehaltes in de grond c.q. in het grondwater [resp. minerale olie en naftaleen] geen risico opleveren voor het milieu en de volksgezondheid.”

d. Naar aanleiding van de gewijzigde Woningwet en Modelbouwverordening heeft de gemeente in aanvulling op het eerder uitgevoerde bodemonderzoek, aanvullend bodemonderzoek laten uitvoeren door WEMATECH. Op 22 februari 1996 heeft WEMATECH in haar rapport op pagina 14 vermeld: “(…) In het geanalyseerde grondwatermonster vanuit peilbuis PB 3 is het gehalte trichlooretheen zeer licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streef-waarde.”(…)”

Voorts wordt in het rapport geconcludeerd dat:

“(…). Uit de VNG-criteria zoals weergegeven in de richtlijn “Bouwen op verontreinigde grond”(ISBN 90-322-7313-2, uitgave 1995) blijkt, dat de (zeer) licht verhoogd aangetroffen gehaltes in de bovengrond en in het grondwater geen risico’s opleveren voor het milieu en de volksgezondheid. (…).

Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en –grondwater-monsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden, dat geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslokatie. Gelet op het resultaat van het verkennend bodemonderzoek is verder bodemonderzoek niet noodzakelijk. (…). De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormen geen belemmering om tot een eigendomsoverdracht over te gaan en de (toekomstige) bouwplannen ter plaatse te realiseren. (…).”

e. [eiser] heeft op 1 april 1996 een koopovereenkomst met (de rechtsvoorganger van) de gemeente gesloten voor de verwerving van de onroerende zaak, thans kadastraal bekend [kadasternummer] , destijds kadastraal bekend gemeente [kadasternummer] (gedeeltelijk).

f. Op 2 juli 1996 is de betreffende onroerende zaak door de gemeente aan [eiser] in eigendom overgedragen. Het betrof een bouwrijp bouwperceel, waarop in opdracht van [eiser] een woonhuis is gebouwd.

g. In de omgeving van het perceel van [eiser] is een stomerij gelegen, te weten op [adres stomerij] . Op 14 september 1994 en 11 oktober 1996 zijn de werkzaamheden van de stomerij door de regionale milieudienst gecontroleerd en goedgevonden. Op de milieu-controleformulieren wordt melding gemaakt van bodem- en grondwateronderzoek door TNO.

h. In het onderzoeksrapport van TNO van 31 oktober 1994 aangaande het perceel van de stomerij staat in paragraaf 4.3.2 onder meer vermeld: “Het verspreidingsrisico is in deze situatie hoog, omdat een verontreiniging is aangetroffen in het watervoerend pakket. Vermoedelijk heeft verspreiding in dit watervoerend pakket reeds plaatsgevonden.” In het rapport wordt geconcludeerd dat er in het grondwater concentraties Per, Tri en cis-1, 2-dichlooretheen werden aangetroffen die op één plaats de interventiewaarde overschrijdt. Voorts staat vermeld dat als de interventiewaarde wordt overschreden in meer dan 100 m3 grondwater er een saneringsnoodzaak is, maar dat “niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat meer dan 100 m3 grondwater ernstig verontreinigd is. Om dit vast te kunnen stellen, moet een nader onderzoek uitgevoerd worden”

i. In de akte van levering van 1996 ter zake het perceel van [eiser] bestemd voor de bouw van een woning is in artikel 3 bepaald:

“(...). Het risico van het verkochte komt vanaf heden voor rekening van de koper, zulks met inachtneming van het hierna in artikel 7 bepaalde.”

In artikel 7 “Bodemverontreiniging” van deze akte staat vermeld:

“1. Omtrent de aanwezigheid van voor het milieu en/of de volksgezondheid gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen in het verkochte, is in opdracht en voor rekening van de gemeente een verkennend bodemonderzoek verricht door

Adviesbureau WEMATECH 8. V., te Rucphen, waarvan het resultaat is vastgelegd in een rapport van twee en twintig februari negentien honderd zes en negentig onder nummer VBE-960126, waaruit blijkt dat er geen reden is om aan te nemen, dat zich in het verkochte dergelijke stoffen bevinden. Partijen verklaarden van de inhoud van dit rapport te hebben kennisgenomen. Evenmin heeft de gemeente, op grond van een verricht historisch onderzoek, redenen om aan te nemen dat dergelijke stoffen zich in de bodem zouden bevinden. (…).

2. Indien na het passeren van deze akte van levering blijkt dat zich in het verkochte stoffen bevinden die naar huidige maatstaven schadelijk of niet aanvaardbaar zijn te achten voor het milieu en/of de volksgezondheid, dient de koper de gemeente Oudenbosch hiervan zo spoedig mogelijk na de bekendwording van deze feiten op de hoogte te stellen.

De gemeente Oudenbosch zal de kosten als gevolg van eventueel door de gemeente noodzakelijke geachte saneringsmaatregelen dragen, tenzij sprake is van een verontreiniging als bedoeld in lid 3 van dit artikel.

(...)”

j. In 2008 is de provincie Noord-Brabant op de hoogte gebracht van de bodemsituatie

rond de stomerij en is in opdracht van de provincie in 2013 en 2014 een bodemonderzoek uitgevoerd door Tritium Microbiologie BV (hierna: ‘Tritium’) dat in haar rapport van 24 februari 2014 vermeld, dat het grondwater rond de stomerij ernstig verontreinigd is met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, maar dat geen sprake is van onaanvaardbaar risico voor omwonenden bij het huidige gebruik, te weten wonen met tuin. Voorts staat in het rapport vermeld dat er geen verspreidingsrisico’s worden verwacht (zie § 6.2.).

k. Bij brief van 9 mei 2014 heeft de provincie Noord-Brabant [eiser] bericht dat uit inventariserend bodemonderzoek door TNO in 1994 is gebleken dat het grondwater ter plaatse van de stomerij op het perceel [adres stomerij] sterk is verontreinigd met vluchtige organische gechloreerde koolwaterstoffen (VOCI). Voorts staat in deze brief vermeld, dat de grondwaterverontreiniging ligt in een pluim vanaf [adres stomerij] in zuidwestelijke richting en op delen van het perceel van [eiser] . Tevens staat in deze brief dat er geen onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn, de bodem dan ook niet met spoed sanering behoeft, maar dat dit kan worden uitgesteld tot een ‘natuurlijk moment’, bijvoorbeeld bij werkzaamheden in de grond of nieuwbouw. Ten slotte staat in deze brief dat [eiser] aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant moet melden indien het gebruik van de locatie wijzigt of ontwikkelingen plaatsvinden die van invloed kunnen zijn op de aanwezige grondverontreiniging, in welk geval de Omgevingsdienst beoordeelt of, en zo ja, welke sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Onttrekking van grondwater dient eveneens voortijdig gemeld te worden en voorts dient bij verkoop van het perceel de verkoper de verontreinigingssituatie aan de koper melden.

l. [eiser] heeft de gemeente van het bericht van de provincie op de hoogte gesteld en de gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering primair op dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub a en/of b BW. Hij stelt daartoe dat indien hij had geweten van de aanwezigheid van de ernstige verontreiniging van het perceel en de daaraan gekoppelde gebruiksbeperking, dat hij de koopovereenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden. Volgens [eiser] is vanwege de ernstige verontreiniging de vrije verhandelbaarheid van het perceel beperkt en in waarde gedaald. In de visie van [eiser] had de gemeente de verontreiniging voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst aan hem moeten melden, nu de gemeente met de verontreiniging bekend was, althans behoorde te zijn, of daar serieus rekening mee had moeten houden. [eiser] stelt daartoe dat de betreffende eigenaar van de stomerij was aangesloten bij de BSB-Stichting Noord-Brabant, waardoor de gemeente als bevoegd gezag wist dat er sprake van verontreiniging moest zijn. Voorts heeft de gemeente toen zij WEMATECH opdracht gaf tot historisch en verkennend onderzoek van het perceel dat [eiser] in 1996 van haar kocht, verzuimd om melding te maken van de in de directe nabijheid daarvan gelegen stomerij, terwijl destijds reeds algemeen bekend was dat onder/rondom stomerijen veelal ernstige (mobiele) verontreiniging aanwezig is en er blijkens de akte van levering juist ook is gesproken over de kwaliteit van de bodem. Naar de mening van [eiser] heeft de gemeente hem derhalve een onjuiste stand van zaken voorgespiegeld, dan wel hem in de waan gelaten dat van ernstige bodemverontreiniging geen sprake zou zijn, waarmee zij artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW heeft geschonden.

Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat sprake is van non-conformiteit, nu de verkochte zaak niet de eigenschappen te bezit die de koper mocht verwachten (artikel 7:17 lid 2 BW). Volgens [eiser] was er geen enkele reden op grond waarvan hij kon verwachten dat er sprake zou zijn van ernstige mobiele verontreiniging waaraan gebruiksbeperkingen verbonden zouden zijn, hetgeen volgens hem op zichzelf al non-conformiteit oplevert, nog los van het wel/niet mogelijk zijn van het door hem beoogde gebruik, terwijl ook het beoogd gebruik impliceert dat de percelen vrij te gebruiken en te verhandelen zijn, zonder beperkingen.

Meer subsidiair is [eiser] van mening dat er sprake is van wederzijdse dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub c BW.

Ten slotte beroept [eiser] zich uiterst subsidiair nog op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), nu volgens hem de gemeente in strijd heeft gehandeld met haar maatschappelijke zorgplicht door aan hem een onroerende zaak te verkopen en te leveren met een verontreinigde bodem.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen

van de aanwezigheid van verontreiniging in de bodem van het betreffende perceel en een veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de kosten/schade die [eiser] hierdoor lijdt, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.3.

De gemeente meent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst er sprake was van verontreinigd bodemwater op het perceel van [eiser] . De gemeente voert aan dat op 9 maart 1994 het eerste bodemonderzoek van WEMATECH op het perceel van [eiser] heeft plaatsgevonden. Daaruit bleek geen bodemverontreiniging, noch uit het bodemonderzoek dat in 1996 op locatie heeft plaatsgevonden. De gemeente betwist voorts, bij gebrek aan wetenschap, dat de bodemverontreiniging die door TNO in 1994 op het perceel van de stomerij werd geconstateerd, heeft geleid tot de grondwaterverontreiniging zoals die blijkt uit het rapport van 2014 van Tritium. In de visie van de gemeente kan de huidige bodemverontreiniging op het perceel immers op ieder moment zijn ontstaan en ontbreekt het causaal verband tussen de grondverontreiniging van 1994 en die van 2014, zijnde 20 jaar later. Dit geldt volgens de gemeente temeer, nu de voormalige eigenaar van de stomerij in de tussentijd saneringsmaatregelen heeft doorgevoerd, die naar verwachting de destijds bestaande bodemverontreiniging (gedeeltelijk) hebben teruggedrongen.

De vorderingen van [eiser] moeten naar de mening van de gemeente voorts worden afgewezen omdat de bodemverontreiniging het normaal gebruik van het perceel niet in de weg staat. De gebruiksbeperkingen op het perceel zijn zodanig miniem, dat dit niet aan normaal gebruik in aan de weg staat.

Daarnaast meent de gemeente dat de vorderingen van [eiser] op grond van non-conformiteit, onrechtmatige daad en wederzijdse dwaling contractueel zijn uitgesloten in de akte van levering. In artikel 7 lid 2 van de akte van levering van 1996 staat vermeld wanneer de gemeente de kosten dient te dragen in het geval van bodemverontreiniging. Daarvoor moet aan twee voorwaarden zijn voldaan, namelijk (1) de bodemverontreiniging dient op het moment van verkoop aanwezig te zijn en (2) de bodemverontreiniging moet schadelijk of niet aanvaardbaar zijn voor het milieu en/of de volksgezondheid. Volgens de gemeente is aan beide voorwaarden in de onderhavige zaak niet voldaan, nu niet is gebleken dat het perceel van [eiser] ten tijde van de verkoop verontreinigd was. Uit de bodemonderzoeken van WEMATECH blijkt immers dat het perceel ten tijde van de verkoop niet verontreinigd was. Daarnaast is de huidige bodemverontreiniging naar de maatstaven van 1996 niet schadelijk dan wel niet aanvaardbaar voor het milieu en/of de volksgezondheid, aldus de gemeente. Op basis van het bodemonderzoek van Tritium uit 2014 blijkt immers, dat de geconstateerde bodemverontreiniging niet schadelijk is voor het milieu en/of de volksgezondheid. Zodoende acht het bevoegd gezag, en in navolging daarvan ook de gemeente, sanering niet noodzakelijk. De situatie valt in de visie van de gemeente derhalve niet onder de toepassing van artikel 7 van de akte van levering, zodat artikel 3 van de akte van levering van toepassing is, waaruit volgt dat de geconstateerde verontreiniging voor risico van de koper komt.

In de visie van de gemeente is zij krachtens deze bepalingen niet aansprakelijk voor verborgen gebreken, zoals bodemverontreiniging. De vorderingen van [eiser] behoren volgens de gemeente dan ook te worden afgewezen.

3.4.

Non-conformiteit

3.4.

Er is sprake van non-conformiteit, indien een zaak, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien (artikel 7:17 lid 2 BW).

Vast staat dat [eiser] op 1 april 1996 een koopovereenkomst heeft gesloten met de gemeente ter zake de aankoop van een perceel grond voor het bouwen van een woonhuis, welk perceel op 2 juli 1996 door de gemeente aan [eiser] in eigendom is overgedragen.

Vast staat voorts, dat door WEMATECH aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd op de betreffende locatie en dat zij in haar rapport van 22 februari 1996 heeft aangegeven, dat in het grondwatermonster vanuit peilbuis PB 3 het gehalte trichlooretheen zeer licht verhoogd is aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. Gesteld noch gebleken is dat er op het perceel van [eiser] waardes zijn gemeten die hoger liggen dan de waarde die is gemeten bij peilbuis 3. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat peilbuis 3 zich op het huidige perceel van [eiser] bevindt en de verhoogde waarde te maken had met de aanwezigheid van de nabij gelegen stomerij - zoals [eiser] lijkt te stellen, maar de gemeente betwist - geldt het volgende.

Bij de beoordeling van de vraag of het perceel beantwoordt aan de overeenkomst, is van belang hetgeen partijen dienaangaande zijn overeengekomen. In akte van levering van 1996 is in artikel 3 bepaald, dat het risico van het verkochte vanaf het moment van levering voor rekening van de koper komt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7. In dat artikel staat in lid 1 vermeld - samengevat - dat in opdracht van de gemeente een verkennend bodemonderzoek is verricht door WEMATECH, uit welk rapport blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat zich in het verkochte gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen bevinden en dat partijen verklaren van de inhoud van dit rapport kennis te hebben genomen. Voorts is in het tweede lid van artikel 7 bepaald - samengevat - dat indien na levering blijkt dat zich in het verkochte stoffen bevinden die schadelijk of niet aanvaardbaar zijn voor het milieu en/of de volksgezondheid, de koper dit zo spoedig mogelijk dient te melden aan de gemeente en dat de gemeente de saneringskosten zal dragen als gevolg van eventueel door de gemeente noodzakelijke geachte saneringsmaatregelen.

Hieruit volgt, dat eventuele verontreiniging die desalniettemin ten tijde van de levering aanwezig was, voor risico komt van [eiser] (artikel 3), tenzij deze verontreiniging naar de destijds geldende maatstaven schadelijk of niet aanvaardbaar is voor het milieu en/of de volksgezondheid. Daarvan is in casu niet gebleken. Uit het onderzoek van WEMATECH blijkt immers, dat er zich in het verkochte geen gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen bevinden, terwijl de zeer licht verhoogde waarde trichlooretheen zoals gemeten bij peilbuis PB 3 - zo die zich al bevindt op het perceel van [eiser] - ontoereikend is om het oordeel te wettigen dat er sprake is van grond(water)verontreiniging die schadelijk of niet aanvaardbaar is voor het milieu en/of de volksgezondheid. Voorts geldt, dat onvoldoende is gebleken dat deze verhoogde waarde aan het normaal gebruik van het perceel in de weg staat. Gelet op het bepaalde in de akte van levering heeft [eiser] het risico van bodemverontreiniging aanvaard, behoudens voor zover deze reeds tijdens het moment van levering aanwezig was en deze schadelijk of niet aanvaardbaar is te achten voor het milieu en/of de volksgezondheid. Daarvan is gezien het vorenstaande geen sprake.

Dat ten tijde van de levering van het perceel overigens sprake was van een verontreiniging die een toerekenbare tekortkoming van de gemeente met zich meebrengt is door de gemeente betwist en door [eiser] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. In het licht van het vooroverwogene is van non-conformiteit dan ook niet gebleken.

Dwaling

3.5.

In artikel 6:228 lid 1 BW is bepaald dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a. indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

In het tweede lid van voornoemd wetsartikel is bepaald dat de vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

3.5.1.

Gezien het bepaalde in artikel 6:228 lid 2 BW, komt aan [eiser] geen succesvol beroep op dwaling toe indien de door Tritium in 2014 geconstateerde verontreiniging van het perceel een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft, nu de dwaling aanwezig dient te zijn bij het aangaan van de overeenkomst. Dit is in casu aan de orde. Immers, ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in 1996 geldt dat WEMATECH in 1994 op locatie een bodemonderzoek heeft verricht waaruit niet is gebleken van bodemverontreiniging, zoals later door Tritium in het rapport van 2014 is vastgesteld. Ook uit het bodemonderzoek dat WEMATECH in 1996 op locatie heeft verricht, blijkt niet van een dergelijke verontreiniging. [eiser] stelt weliswaar dat de bodem van het perceel tijdens de verkoop desalniettemin ernstig verontreinigd was en verwijst daarbij naar het door TNO verrichtte bodemonderzoek, doch dit onderzoek is uitgevoerd bij de stomerij en dateert bovendien uit 1994. Derhalve is dit onderzoek minder recent dan het bodemonderzoek dat WEMATECH in 1996 heeft verricht en bovendien is het onderzoek niet ter plaatse van het perceel van [eiser] uitgevoerd. Voor zover de door TNO in 1994 geconstateerde bodemverontreiniging al heeft geleid tot de grondwaterverontreiniging die door Tritium op het perceel is geconstateerd in 2014, hetgeen door de gemeente is betwist gezien het tijdsverloop van 20 jaar tussen beide rapportages en het feit dat de voormalige eigenaar van de stomerij in de tussentijd saneringsmaatregelen heeft doorgevoerd, is ten opzichte van de situatie ten tijde van de door partijen gesloten koopovereenkomst sprake van een louter toekomstige omstandigheid.

3.5.2.

Voorts staat aan een geslaagd beroep op dwaling in de weg, dat de gestelde dwaling niet te wijten is aan een schending van de mededelingsplicht door de gemeente. Voor zover de gemeente - zo zij destijds al op de hoogte was van het onderzoek uit 1994 van TNO ter plaatse van de stomerij, hetgeen [eiser] stelt, maar de gemeente gemotiveerd betwist - al melding had moeten maken van dit onderzoek, geldt dat er nadien in 1996 een aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd door WEMATECH op het betreffende perceel van [eiser] zelf, waaruit niet van verontreiniging blijkt. Deze informatie heeft de gemeente ook gedeeld met [eiser] , nu in artikel 7 lid 1 van de akten van levering van 1996 staat vermeld, dat WEMATECH een bodemonderzoek op locatie heeft verricht, uit welk rapport blijkt dat er geen reden is om aan te nemen, dat zich in het verkochte perceel verontreinigende stoffen bevinden. De stelling van [eiser] , dat dit rapport niet bij de akte van levering was gevoegd en dat hij daar pas later van op de hoogte is geraakt, betreft een omstandigheid die ex artikel 6:228 lid 2 BW voor zijn rekening en risico komt, nu [eiser] in de akte van levering in artikel 7 lid 1 heeft verklaard van de inhoud van dit rapport kennis te hebben genomen.

3.5.3.

In het licht van het vorenstaande, slaagt evenmin het beroep op wederzijdse dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub c BW.

Onrechtmatige daad

3.6.

In geval van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, kan de tekortkoming jegens de contractuele wederpartij slechts tevens een onrechtmatige daad opleveren, indien de gedraging onafhankelijk van de schending van de contractuele verbintenis een onrechtmatige daad oplevert. In r.o. 3.4. is reeds overwogen dat van een tekortkoming in de nakoming/non-conformiteit geen sprake is. Voor een verdergaande aansprakelijkheid op basis van hetzelfde feitencomplex uit hoofde van onrechtmatige daad is in casu dan ook geen ruimte. Anders dan [eiser] stelt, is verkoop door de gemeente van een perceel met een bouwplicht die (beweerdelijk) verontreinigd is, in de gegeven omstandigheden niet zonder meer onrechtmatig jegens de koper. Uit de overgelegde onderzoeksrapportages blijkt niet dat ten tijde van de levering van dit perceel in 1996 sprake was bodemverontreiniging op de betreffende locatie. Bovendien geldt, dat - zo er al een causaal verband is tussen de door TNO in 1994 geconstateerde verontreiniging ter plaatse van de stomerij en de nadien door Tritium in 2014 geconstateerde verontreiniging op het onderhavige perceel - deze verontreiniging niet schadelijk is voor het milieu of de volksgezondheid en niet aan normaal gebruik van het perceel in de weg staat of spoedige sanering behoeft. Voorts kan [eiser] niet worden gevolgd in zijn betoog, dat de gemeente in haar hoedanigheid van opdrachtgever van WEMATECH dit bureau voorafgaand aan haar onderzoek(en) had moeten informeren over de aanwezigheid van de nabij gelegen stomerij, zodat WEMATECH meer bedacht zou zijn op verontreinig en adequater/grondiger onderzoek zou hebben verricht. De gemeente mag immers bij een professioneel en gecertificeerd onderzoeksbureau zoals WEMATECH, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij zelfstandig een zorgvuldig onderzoek uitvoert naar de bedrijvigheid in de omgeving en de relevante factoren daarvan in het onderzoek betrekt. Zo WEMATECH toch niet op de hoogte was van de nabij gelegen stomerij - zoals [eiser] beweert - is gesteld noch gebleken dat het door WEMATECH verrichtte onderzoek op het perceel van [eiser] destijds ondeugdelijk is uitgevoerd of anderszins niet aan de maatstaven voldeed die daaraan destijds mochten worden gesteld. Het enkele feit dat TNO in 1994 bodemonderzoek heeft verricht op de locatie van de nabij gelegen stomerij en er milieucontrolerapportages zijn opgesteld, brengt - anders dan [eiser] meent - niet met zich, dat de gemeente reeds op basis daarvan behoorde te weten dat het perceel van [eiser] een verdachte locatie zou betreffen. De gemeente heeft immers ter comparitie onweersproken gesteld, dat ten tijde van het sluiten van de betreffende koopovereenkomst er een landelijk onderzoek plaatsvond naar stomerijen, zodat er geen reden was voor de gemeente om naar aanleiding van het onderzoek van TNO bijzondere verdenkingen te koesteren ten opzichte van deze specifieke stomerij, noch de nabij gelegen percelen. Ook de stelling van [eiser] , dat in 1994 reeds algemeen bekend was dat de grond onder/rondom stomerijen veelal met ernstige (mobiele) verontreiniging kampen, kan hem niet baten, nu uit de onderzoeken van WEMATECH de feitelijke toestand van het betreffende perceel blijkt.

3.7.

Al het vorenoverwogene leidt dan ook tot de slotsom, dat de vorderingen van [eiser] behoren te worden afgewezen. De nevenvorderingen treffen mitsdien eenzelfde lot.

3.8.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van de gemeente tot op heden worden begroot op een bedrag van € 904,00 aan salaris advocaat (2 x tarief II (onbepaalde waarde) ad € 452,-) en € 619,- aan griffierecht.

De verzochte nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op een bedrag van € 1.523,00 te vermeerderen met nakosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.