Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1400

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
4942753 CV EXPL 16-2510
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet na verstekvonnis. Verzetstermijn. Niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaak/rolnr.: 4942753 CV EXPL 16-2510

vonnis d.d. 1 maart 2017

inzake

[opposant] ,

wonende te [adres] ,

opposant, tevens eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. R.A. Baltes, advocaat te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap [geopposeerde],

gevestigd te [woonplaats] ,

geopposeerde, tevens verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. J.P.A. Jansen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het verstekvonnis van de kantonrechter te Tilburg met zaak/rolnummer 4678909 CV EXPL 15-10196 van 23 december 2015 met de daarin genoemde stukken;

b. de verzetdagvaarding van 18 maart 2016 met producties;

c. de conclusie van antwoord in oppositie met producties;

d. de conclusie van repliek in oppositie, tevens wijziging van eis met producties.

2 Het geschil

in oppositie / in conventie:

2.1

Bij op 18 september 2015 uitgebrachte dagvaarding heeft geopposeerde (als eiser in de verstekzaak, verder te noemen: [geopposeerde] ) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd opposant (als gedaagde in de verstekzaak, verder te noemen [opposant] ) te veroordelen tot betaling van:

- € 14.595,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de facturen tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 920,95 aan buitengerechtelijke kosten,

- de proceskosten en de nakosten,

- de wettelijke rente ex artikel 6:119aBW over de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten, vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

2.2

Bij verstekvonnis van 23 december 2015 heeft de kantonrechter de vordering van [geopposeerde] toegewezen, met dien verstande dat vordering aangaande de buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten zijn afgewezen.

2.3

[opposant] komt in verzet van voornoemd vonnis. [opposant] vordert van de bij het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling te worden ontheven en de vordering van [geopposeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van het verzet.

2.4

[geopposeerde] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van voormeld verstekvonnis, met uitzondering van het oordeel over de buitengerechtelijke kosten en nakosten die in het verstekvonnis zijn afgewezen, met voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [opposant] in de buitengerechtelijke kosten, de nakosten en de kosten van het verzet.

3 De beoordeling

3.1

De kantonrechter moet ambtshalve vaststellen of hij rechtsmacht heeft en of hij absoluut en relatief bevoegd is. Door de omstandigheid dat in de inleidende dagvaarding wordt gesteld dat opposant in Indonesië woonachtig is, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

3.2

Nu [opposant] in rechte is verschenen en geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de kantonrechter, neemt de kantonrechter aan dat partijen het erover eens zijn dat de Nederlandse rechter rechtsmacht ontleent aan artikel 26 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (herschikte EEX-Vo), althans aan art. 9 sub a Rv.

3.3

Op grond van artikel 99 Rv is de kantonrechter te Tilburg relatief bevoegd om kennis te nemen van deze zaak.

3.4

Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

3.5

[geopposeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [opposant] niet-ontvankelijk is in zijn verzet, nu hij te laat in verzet is gekomen.

3.6

Volgens artikel 143 lid 2 Rv vangt de termijn waarbinnen verzet moet worden gedaan aan op het moment waarop het verstekvonnis in persoon aan de veroordeelde is betekend of deze een daad pleegt waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Vanaf dan heeft de veroordeelde vier weken om verzet aan te tekenen. Deze termijn wordt verlengd tot acht weken indien de veroordeelde geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland heeft, maar zijn woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is.

3.7

Een daad van bekendheid mag niet licht worden aangenomen, mede gelet op het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende fundamentele recht om te worden gehoord. Er moet sprake zijn van een waarneembare gedraging waaruit ondubbelzinnig volgt dat de veroordeelde bekend is met (de hoofdinhoud van) het verstekvonnis of met de aangevangen tenuitvoerlegging.

3.8

[geopposeerde] heeft het verstekvonnis weliswaar bij exploot tevens een betalingsbevel op 5 januari 2016 ten parkette van de Officier van Justitie, laten betekenen (productie 3 bij verzetdagvaarding), maar het verstekvonnis is nooit in persoon aan [opposant] betekend.

3.9

[geopposeerde] heeft gesteld dat de verzetdagvaarding op 18 maart 2016, zijnde meer dan vier weken na de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, is uitgebracht. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat zij op 8 januari 2016 ten laste van opposant executoriaal derdenbeslag heeft gelegd onder ABN Amro Bank N.V. en dat ABN Amro Bank N.V. het bedrag dat zij verschuldigd was aan [opposant] op 17 februari 2016 uit hoofde van het derdenbeslag heeft uitgekeerd aan de deurwaarder. Volgens [geopposeerde] is de verzettermijn vanaf 17 februari 2016 gaan lopen. Volgens [geopposeerde] brengt de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het derdenbeslag met zich dat het vonnis al na uitbetaling geacht wordt ten uitvoer te zijn gelegd. Zij verwijst in dat kader naar artikel 144 sub b Rv dat bepaalt dat het vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd in geval van een derdenbeslag op een vordering, na uitbetaling aan de beslaglegger of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste betaling.

3.10

[opposant] heeft aangegeven dat hij in Azië woonachtig is en de Nederlandse taal niet machtig is en dat daarom de in artikel 143 lid 2 Rv genoemde termijn van acht weken van toepassing is bij de bepaling van de verzetstermijn.

3.11

Alleen als [opposant] geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland zou hebben, maar zijn woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, zou op grond van artikel 142 lid 3 Rv een verruiming van de verzettermijn van vier weken aan de orde kunnen zijn. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat [opposant] (mede) zijn woonplaats heeft in Nederland. Hij weegt daarbij mee dat dat [opposant] in de verzetdagvaarding heeft erkend dat hij en zijn vrouw in Riel (Nederland) een manage met tientallen paarden zijn gestart, zij aldaar personeel in dienst hebben en dat daar evenementen plaatsvinden. Dat alles vindt in privé plaats. Bij gebreke van andere gegevens van de zijde van [opposant] stelt de kantonrechter daarmee op grond van artikel 1:14 BW vast dat [opposant] zijn kantoor of filiaal en daarmede het centrum van zijn beroeps- of bedrijfswerkzaamheden en daarmee (mede) zijn woonplaats in Nederland heeft.

3.12

Dit betekent echter niet zonder meer dat [opposant] niet meer in zijn verzet kan worden ontvangen. Onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn moet immers achterwege blijven indien die toepassing tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, en wel in het bijzonder in een situatie waarin een bij verstek veroordeelde pas in het stadium van tenuitvoerlegging met het veroordelend vonnis bekend raakt (HR 16 januari 2004, NJ 2005, 191). In dit geval is weliswaar sprake van een situatie waarin [opposant] pas in het kader van de tenuitvoerlegging bekend raakte met het vonnis, maar de kantonrechter constateert evenwel dat [opposant] heeft nagelaten concrete informatie te verstrekken over het moment waarop hij op de hoogte raakte van het verstekvonnis. [opposant] heeft in dat kader gesteld dat hij op of omstreeks 18 februari 2016 contact heeft gehad met de executienotaris en dat hij pas nadien op de hoogte is geraakt van het verstekvonnis. Zonder nadere toelichting van de zijde van [opposant] , die ontbreekt, betekent dat niet dat de verzettermijn zodanig opschoof dat 18 maart 2016 nog in de verzettermijn lag. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [opposant] niet aanvoert wanneer hij wel kennis heeft genomen van het verstekvonnis of de executiemaatregelen en of hij terstond na kennisname van het verstekvonnis of de executiemaatregelen verzet heeft ingesteld. Gelet op het standpunt van [geopposeerde] aangaande de verzettermijn lag het op de weg van [opposant] om daar duidelijkheid over de scheppen. Dat heeft hij echter nagelaten. Daarmee is niet duidelijk of [opposant] tot 18 februari 2016 inderdaad zo weinig kennis heeft gehad van de procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis van 23 december 2015, van dat vonnis zelf en van het feit dat executiemaatregelen op grond van dit specifieke vonnis zijn genomen. Dit komt voor rekening en risico van [opposant] . De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat onverkorte toepassing van de verzettermijn in dit geval zou leiden tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Dit heeft tot gevolg dat [opposant] geen beroep toekomt op een zekere verruiming van de termijn ter effectuering van zijn door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.

3.13

Naar het oordeel van de kantonrechter betekent dit dat de verzetstermijn verliep op

16 maart 2016. Nu [opposant] het verzet pas op 18 maart 2016 heeft ingesteld was dit niet tijdig en dient [opposant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzet.

3.14

[geopposeerde] heeft in de conclusie van antwoord in oppositie gevorderd om [opposant] alsnog te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten, omdat de kantonrechter in het verstekvonnis die vorderingen niet heeft toegewezen. Een dergelijke vordering van [geopposeerde] is evenwel niet toegestaan in het kader van een door de wederpartij ingesteld verzet, zodat [geopposeerde] in die eis niet kan worden ontvangen. Aldus zal worden beslist. Er is geen plaats voor proceskostenveroordeling dienaangaande.

3.15

Nu [opposant] is te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [opposant] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure bestaande uit een bedrag van

€ 399,87 bestaande uit € 99,87 voor het uitbrengen van de dagvaarding en € 300,00 voor het salaris gemachtigde van [geopposeerde] .

4 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet en veroordeelt [opposant] in de kosten van het verzet, aan de zijde van [geopposeerde] tot op heden begroot op € 399,87;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart [geopposeerde] niet-ontvankelijk in haar vordering [opposant] alsnog te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Geerits, en in het openbaar uitgesproken op

1 maart 2017.