Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1395

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
AWB 16_3615
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

planschade | compensatie in natura | voldoende anderszins verzekerd | normaal maatschappelijk risico | niet in de lijn der verwachtingen | zelf voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/3615 WET

uitspraak van 7 maart 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

  1. [Naam bedrijf] ., te [Vestigingsplaats] ,

  2. De erfgenamen van [Naam overledene],

  3. [Naam persoon1] , te [Plaats2] (België),

  4. [Naam persoon2] , te [Plaats] (België),

hierna gezamenlijk eisers,

gemachtigde: mr. J. de Roo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2016 (bestreden besluit) van het college inzake het toekennen van een tegemoetkoming in planschade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden Middelburg op 24 januari 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, tevens zijn [Naam aanwezige 1] , [Naam aanwezige2] en [Naam aanwezige3] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers zijn afzonderlijk, dan wel gezamenlijk eigenaren van de kadastrale percelen: gemeente Hulst, sectie M, nrs. [Nummers percelen] en [Nummers percelen] , met een oppervlakte van in totaal 33.62.65 hectaren. Deze percelen zijn allen gelegen binnen het gebied “ [Naam gebied] ” te Hulst, welk gebied een totaal oppervlakte heeft van 400 hectaren.

Bij besluit van 22 februari 1996 heeft de raad van de gemeente Hulst het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. `De percelen van eisers hadden in dit bestemmingsplan de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met subbestemming Aln ( landschappelijke en/of cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden). De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met een uitbouwmogelijkheid voor kassen en niet-grondgeboden activiteiten als neventak, alsmede het behoud en/of herstel van de aanwezige natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden, met dien verstande dat geen intensieve veehouderij is toegestaan.

De Landgoed “ [Naam bedrijf] en [Naam persoon2] hebben voor andere gronden in dit gebied een overeenkomst met de Provincie Zeeland gesloten voor omvorming van deze gronden naar natuur.

Bij besluit van 22 april 2010 heeft de raad van de gemeente Hulst het bestemmingsplan “Buitengebied Zuid 7e herziening” vastgesteld. De percelen waarop het planschadeverzoek betrekking heeft, zijn in dit bestemmingsplan aangewezen voor de bestemming “Natuurgebied (N)” met de subbestemming Nb (Bos). De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en/of herstel van de aanwezige gronden landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of ten behoeve bam de waterhuishouding, en ter plaatse van de subbestemming Nb: bos. Het bestemmingsplan is op 15 juli 2010 in werking getreden en op 9 maart 2011 onherroepelijk geworden.

Bij brief van 28 juni 2013 hebben eisers een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend. Bij brief van 12 december 2013 heeft de [Naam stiching] (hierna: [Naam stiching] ) een concept advies aan het college uitgebracht. Hierin adviseert [Naam stiching] het college het verzoek om planschade af te wijzen omdat de planologische verslechtering behoort tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Bij brief van 30 december 2013 hebben eisers hun zienswijze op het conceptadvies naar voren gebracht. Zij stellen zich op het standpunt dat de planologische ontwikkeling – de wijziging van de bestemming van agrarisch naar natuur – waardoor zij schade lijden of zullen lijden, niet als normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden gezien waarmee zij rekening hadden kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag.

Het college heeft aan [Naam stiching] aangegeven in te kunnen stemmen met de uiteengezette en gemotiveerde conclusie van het conceptadvies.

Op 28 februari 2014 heeft [Naam stiching] een definitief advies omtrent de planschade uitgebracht. Dit met het conceptadvies overeenkomende advies luidt dat [Naam stiching] het college adviseert het verzoek om planschade af te wijzen omdat deze schade behoort tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro.

Bij besluit van 28 mei 2014, verzonden 4 juni 2014, (primair besluit) heeft het college het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in planschade, onder verwijzing naar het advies van [Naam stiching] , afgewezen.

Bij brief van 11 juli 2014 hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij brief van 22 september 2014 hebben eisers hun bezwaar aangevuld en een second-opinion opgesteld door [Naam adviesbureau] overgelegd.

Op 8 januari 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 12 mei 2015, verzonden 26 mei 2015, heeft het college een beslissing op bezwaar genomen waarin de bezwaren ongegrond zijn verklaard en het primaire besluit tot afwijzing van het planschadeverzoek wordt gehandhaafd.

Op 29 juni 2015 hebben eisers tegen deze beslissing beroep ingesteld. Bij besluit van 17 november 2015, verzonden 20 november 2015, heeft het college haar beslissing op bezwaar ingetrokken. Als reden heeft het college gegeven dat bij het beoordelen en bepalen van het normaal maatschappelijk risico ten onrechte geen taxatie heeft plaatsgevonden van de waarde van de betreffende percelen voor en na de planologische wijziging. Het college heeft aangegeven alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, eerst een nieuw planschade advies in te winnen.

Op 14 januari 2016 heeft [Naam bedrijf1] ( [Naam bedrijf1] ), in opdracht van het college, een conceptadvies planschade uitgebracht. Tog heeft het college geadviseerd het verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade toe te wijzen en aan hen een tegemoetkoming van € 412.500,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013) toe te kennen.

Eisers hebben hun beroep tegen het besluit van 12 mei 2015 ingetrokken.

Eisers hebben naar aanleiding van het conceptadvies van [Naam bedrijf1] , [Naam adviesbureau] ingeschakeld voor een second-opinion. [Naam adviesbureau] heeft op 11 februari 2016 een advies uitgebracht. [Naam adviesbureau] heeft aangegeven dat de schade als gevolg van de planologische wijziging € 1.515.000,-, doch in ieder geval minimaal € 1.481.300,- bedraagt.

Op 11 maart 2016 heeft [Naam bedrijf1] een definitief planschade-advies uitgebracht en het college geadviseerd aan eisers een tegemoetkoming in planschade toe te kennen van € 412.500,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013).

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Met verwijzing en overneming van het planschade-advies van 11 maart 2016 van [Naam bedrijf1] , wordt het verzoek om tegemoetkoming in planschade van 28 juni 2013 alsnog toegewezen tot een bedrag van € 412.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013). In plaats van een financiële schadevergoeding toe te kennen heeft het college besloten om een compensatie toe te kennen in natura. Dit betekent dat, op verzoek van eisers, de voorheen geldende bestemming “Agrarische doeleinden met de subbestemming landschappelijke en/of cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden” middels een bestemmingsplanwijziging opnieuw zal worden toegekend aan de percelen zoals genoemd in de aanvraag tegemoetkoming in planschade van 28 juni 2013. Aan deze compensatie wordt een aantal voorwaarden/garanties gekoppeld:

  • -

    het verzoek van eiseres dan wel hun rechtsopvolger om de voorheen geldende bestemming “Agrarische doeleinden met de subbestemming landschappelijke en/of cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden” middels een bestemmingsplanwijziging opnieuw toe te kennen aan de betreffende percelen dient schriftelijk binnen twee jaar na verzending van onderhavige beslissing op bezwaar aan het college kenbaar te worden gemaakt. Na afloop van deze termijn vervalt de mogelijkheid tot compensatie in natura en daarmee vervalt op dat moment ook het recht op een tegemoetkoming in planschade.

  • -

    Indien compensatie in natura niet mogelijk zal blijken te zijn om redenen gelegen buiten de macht van eisers dan wel hun rechtsopvolger, dan zal alsnog worden overgegaan tot vergoeding/compensatie van de planschade in geld ten bedrage van € 412,500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013).

  • -

    In verband met het herstellen van de voorheen geldende bestemming zullen geen kosten in rekening worden gebracht en zal ook geen planschadeverhaalovereenkomst worden verlangd.

Naar aanleiding van het bestreden besluit hebben diverse overleggen tussen partijen plaatsgevonden.

2. Eisers voeren – samengevat – in beroep aan dat het college het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van Tog. In de eerste plaats heeft [Naam bedrijf1] de taxatiewaarde niet op een correcte wijze bepaald. Eisers verwijzen naar de door hen ingebrachte second-opinion van [Naam adviesbureau] , die de waardedaling als gevolg van de planologische wijziging heeft getaxeerd op € 1.515.000,-.

Voorts kunnen eisers zich niet verenigen met het advies van [Naam bedrijf1] ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico. Zij zijn van mening dat hun schade niet behoort tot het normale maatschappelijke risico en dat derhalve niet 50% hun risico behoort te blijven.

Tot slot voeren eisers aan dat zij weliswaar in beginsel instemmen met het opnieuw toekennen van de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemmingen landschappelijke en/of cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden zoals die golden ten tijde van het bestemmingsplan “Buitengebied”, zij kunnen echter niet instemmen met de daaraan verbonden voorwaarden en garanties. Voor zover een compensatie in natura al mogelijk zou blijken, kan daarnaast een compensatie in geld niet achterwege blijven.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers procesbelang hebben. De rechtbank heeft geen aanleiding daar anders over te oordelen.

4. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan is.

Artikel 6.2 van de Wro luidt:

  1. Binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager;

  2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:

a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;

b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:

1˚ van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of

2˚ van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.

Ingevolge artikel 6.3 van de Wro betrekken burgemeester en wethouder, met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade, bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:

  1. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;

  2. de mogelijkheden van de aanvrager om schade te voorkomen of te beperken.

5. Ter beoordeling aan de rechtbank ligt de vraag voor of het college op goede gronden aan eisers om een tegemoetkoming in planschade heeft toegekend. Uit het bestreden besluit volgt dat het college aan de toekenning het planschadeadvies van 11 maart 2016 van [Naam bedrijf1] ten grondslag heeft gelegd. In plaats van een financiële schadevergoeding toe te kennen heeft het college besloten om een compensatie toe te kennen in natura. Mocht een compensatie in natura toch niet mogelijk zijn, dan zal aan eisers een tegemoetkoming in planschade worden toegewezen tot een bedrag van € 412.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013).

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij in beginsel kunnen instemmen met een compensatie in natura die inhoudt dat aan de gronden opnieuw toekennen de bestemming agrarische doeleinden – met de daarbij behorende sub bestemmingen – wordt toegekend. Ter zitting is duidelijk geworden dat eisers de voorwaarden die zijn verbonden aan de compensatie in natura niet toereikend vinden. Zij stellen zich op het standpunt dat ook misgelopen inkomsten en kosten van juridische bijstand vergoed dienen te worden door het college.

De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van gederfde inkomsten. Voor wat betreft de kosten van juridische bijstand blijkt uit het bestreden besluit dat de in bezwaar gemaakte kosten van juridische bijstand vergoed zijn conform de regels van het besluit proceskosten bestuursrecht. Voor zover nog andere kosten van juridische bijstand worden gevorderd, hebben eisers nagelaten deze juridische kosten voldoende te specificeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen, zodat verweerder reeds op die grond niet gehouden was deze te vergoeden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Voorts overweegt de rechtbank dat ingeval van toekenning van een planschadevergoeding in natura een schadevergoeding in geld achterwege kan blijven omdat de schade anderszins is verzekerd. Het bestreden besluit dient dan wel voldoende waarborgen in te houden dat de schade daadwerkelijk anderszins is verzekerd. In het voorliggende geval heeft het college het verzoek van eisers toegewezen en aan het bestreden besluit de voorwaarde gekoppeld dat indien compensatie in natura niet mogelijk zal blijken te zijn om redenen gelegen buiten de macht van eisers dan wel hun rechtsopvolger, het college alsnog zal overgegaan tot vergoeding van de planschade in geld ten bedrage van € 412,500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag (1 juli 2013). Door een dergelijke waarborg is de planschade in beginsel voldoende anderszins verzekerd.

7. Eisers hebben echter aangevoerd zich niet in dit schadebedrag en de gehanteerde taxatiewaarde te kunnen vinden. Voorts is het gehanteerde percentage voor wat betreft het normaal maatschappelijk risico volgens eisers onjuist.

Het college heeft zich gebaseerd op het advies van Tog. Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het college volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS; zie onder meer de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:766) een besluit op een aanvraag om tegemoetkoming in planschade mag baseren op een advies van een door het college ingeschakelde deskundige. Uit dat advies moet op objectieve en onpartijdige wijze blijken welke feiten en omstandigheden aan dat advies ten grondslag zijn gelegd en moeten de conclusies ervan niet onbegrijpelijk zijn. Dit is alleen anders wanneer concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht.

Gelet hierop kan de rechtbank het advies van [Naam bedrijf1] slechts terughoudend toetsen. Daarbij is de maatstaf bij de te verrichten toetsing niet de eigen waardering van de rechtbank, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het college, gelet op de motivering van het advies, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op het advies heeft kunnen baseren.

7.1.

Eisers hebben de juistheid van de taxatie van de hoogte van de schade – onder verwijzing naar de door hen overlegde rapporten van [Naam adviesbureau] – betwist. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de taxering van de schade in het rapport van [Naam bedrijf1] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Naam bedrijf1] voldoende inzicht gegeven in de gehanteerde taxatiemethode en de taxatiewaarde. [Naam bedrijf1] heeft daarbij rekening gehouden met gerealiseerde verkopen, dat op de betrokken percelen nog niet kaprijpe houtbestanden aanwezig waren en dat voor wat betreft een aantal omliggende percelen met de provincie Zeeland een beheerovereenkomst is gesloten. De maatregelen als gevolg van die overeenkomst leiden tot vernatting, hetgeen een waardeverminderend effect heeft.

7.2.

Daarnaast hebben eisers – onder verwijzing naar de door hen overgelegde rapporten van [Naam adviesbureau] – de conclusie van het college en [Naam bedrijf1] betwist dat deze schade voor 50% binnen het normaal maatschappelijk risico van eisers valt.

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS (zie onder meer de uitspraken van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2071 en van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668) moet de vraag of schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden. Dit houdt in dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. Verder volgt uit de uitspraak van de AbRS van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:381) dat indien een ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is, dit niet betekent dat de gevolgen van die ontwikkeling per definitie onder het normale maatschappelijke risico vallen.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling stelt de rechtbank verder voorop dat uit voornoemde vaste rechtspraak van de AbRS eveneens volgt dat de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het college is. Hieruit volgt dat het college bij deze vaststelling beoordelingsruimte heeft. Het college zal deze vaststelling naar behoren moeten motiveren, waarbij als uitgangspunt geldt dat naarmate een hoger percentage als drempel wordt gehanteerd, er zwaardere eisen aan de motivering worden gesteld. De rechter toetst deze motivering en kan de omvang van het normaal maatschappelijk risico vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

6.3

De rechtbank overweegt dat het college ter zitting nogmaals heeft bevestigd dat het zich op het standpunt stelt dat eisers de functiewijziging van de percelen naar een natuurbestemming hadden kunnen zien aankomen, gelet op het feit dat de omliggende percelen reeds die bestemming hadden. Deze verandering lag volledig in de lijn der verwachtingen. Echter gelet op de set-aside regeling en de regeling snel groeiend bos die op de percelen van toepassing zijn, is het college van mening dat toch 50% van de schade voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank acht deze motivering van het college onnavolgbaar. De ontwikkeling naar natuur lag juist niet in de lijn der verwachtingen. Niet in geschil is dat op de betreffende percelen, die sinds de jaren ’25 in bezit van de familie [Naam familie] zijn, sindsdien een agrarische bestemming rustte. Hoewel de omliggende percelen eerder een natuurbestemming hebben gekregen, geldt voor eisers percelen dat deze in het verleden juist bewust niet die bestemming hebben gekregen. Zij zijn daar steeds buiten gelaten. Bovendien hebben eisers met de provincie afspraken gemaakt over het tijdelijk gebruiken van deze agrarische gronden als natuur middels de set-asideregeling en de regeling snelgroeiend bos. De regelingen zijn tijdelijk, waarna het in de lijn der verwachting lag dat zij weer als agrarische gronden in gebruik zouden worden genomen.

In tegenstelling tot het college en [Naam bedrijf1] is de rechtbank dan ook van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om een hoger maatschappelijk risico aan te nemen dan het op grond van artikel 6.2, tweede lid, van de Wro geldende minimumforfait van 2%.

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat 50% van de schade in de vorm van een waardevermindering van € 412.500,- binnen het normaal maatschappelijk risico van eisers valt.

Als gevolg hiervan kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover deze ziet op de hoogte van het planschadebedrag in de garantie dat het college alsnog tot uitkering van de planschade zal overgaan indien compensatie in natura niet mogelijk blijkt. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat indien compensatie in natura niet mogelijk blijkt te zijn aan eisers op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend ter hoogte van een bedrag van € 808.500,-. Uit artikel 6.2, tweede lid, van de Wro volgt immers dat een waardevermindering van 2% tot het normaal maatschappelijk risico van eisers behoort.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

10. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1). De overige door eisers genoemde kosten, te weten de rapporten van [Naam adviesbureau] , komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten reeds in bezwaar vergoed zijn.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op een tegemoetkoming in planschade tot een bedrag van € 412.500,- in het geval dat compensatie in natura niet mogelijk blijkt te zijn;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat het college zal overgaan tot een tegemoetkoming in planschade tot een bedrag van € 808.500,- in het geval dat compensatie in natura niet mogelijk blijkt te zijn;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en

mr. S. Ketelaars-Mast en mr. R.P. Broeders, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.