Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1269

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/02/297965 / FA RK 15-2511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met verdeling. Art. 3:194 lid 2 BW. Man verbeurt zijn aandeel in het afkoopbedrag van de polis aan de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/297965 / FA RK 15-2511

zaaknummer / rekestnummer: C/02/312416 / FA RK 16-1300

Beschikking d.d. 3 maart 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: thans mr. I.M. van den Heuvel, gevestigd te Roosendaal,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: thans mr. A. van Vliet, gevestigd te Bergen op Zoom.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 20 april 2015 ingekomen verzoekschrift echtscheiding met

nevenvoorzieningen van de vrouw;

- het op 8 juli 2015 ingekomen verweerschrift tegen verzoekschrift tot echtscheiding

met nevenvoorzieningen tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man;

- het op 1 februari 2016 ingekomen verweerschrift op zelfstandige verzoeken van de vrouw;

- het op 1 februari 2016 door mr. Van den Heuvel ingediende formulier Verdelen en

Verrekenen;

- het op 1 maart 2016 door mr. Van Vliet ingediende Formulier Verdelen en Verrekenen;

- het op 3 maart 2016 ingekomen aanvullend verweerschrift inzake verdeling van de man;

- het proces-verbaal van de zitting op 26 april 2016;

- het op 6 juni 2016 door mr. Van den Heuvel ingediende F-formulier, met aanvullende stukken;

- de brief d.d. 6 juni 2016 van mr. Van Vliet met aanvullende stukken, ingekomen op 7 juni 2016;

- de brief d.d. 20 juni 2016 van mr. Van Vliet met aanvullende stukken, ingekomen op 21 juni 2016;

- de brief d.d. 21 juni 2016 van mr. Van den Heuvel, met aanvullende stukken;

- de brief d.d. 2 december 2016 van mr. Van Vliet, met aanvullende stukken;

- de brief d.d. 8 december 2016 van mr. Van den Heuvel met aanvullende stukken, ingekomen op 12 december 2016.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 december 2016.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van deze zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt.

1.3.

Nadien zijn, zoals ter zitting door de rechtbank met partijen besproken, de navolgende stukken ingediend:

- de brief d.d. 16 januari 2017 van mr. Van Vliet met aanvullende stukken, ingekomen op 17 januari 2017;

- de fax van 30 januari 2017 van mr. Van den Heuvel.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting erkend.

2.2.2.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Verdeling

2.3.1.

De man heeft verzocht de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. Beide partijen hebben daartoe een voorstel gedaan en de bij de verdeling te betrekken vermogensbestanddelen benoemd. Lopende de procedure is op een groot aantal van de onderdelen overeenstemming bereikt. De rechtbank zal hierna de diverse vermogensbestanddelen bespreken en waar nodig daarover beslissingen nemen.

2.3.2.

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap bij helfte moet worden gedeeld en dat ieder van partijen in gelijke mate moet delen in de baten van de gemeenschap en de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum omvang en samenstelling gemeenschap

2.3.3.

Partijen zijn het er over eens dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 20 april 2015, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, dient te gelden.

Peildatum waardering vermogensbestanddelen

2.3.4.

Ten aanzien van de peildatum voor de waardering van de tot de huwelijks-gemeenschap behorende vermogensbestanddelen, overweegt de rechtbank dat de hoofdregel is dat het moment waarop de verdeling plaatsvindt heeft te gelden als peildatum voor de waardering. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien partijen een andere datum zijn overeengekomen, of indien de rechter meent dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel dient te worden afgeweken. Voor zover van belang overweegt en beslist de rechtbank hierna omtrent de peildatum voor wat betreft de waardering van alle bestanddelen.

2.3.5

Tussen partijen bestaat er inmiddels overeenstemming over de navolgende bestanddelen van de gemeenschap en wel als volgt:

- de echtelijke woning te [woonplaats] , aan de [adres] staat te koop. Nadat de woning is verkocht en geleverd aan een derde, zal de verkoopopbrengst van die woning worden aangewend ter aflossing van de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening bij de SNS-bank met leningnummer [lening A] ten bedrage van € 185.000,=. De daarna – na aftrek van de verkoopkosten – resterende overwaarde zal tussen partijen bij helfte worden gedeeld;

- de auto [auto A] met kenteken [kenteken auto A] zal aan de vrouw worden toebedeeld voor een waarde van € 3.150,=, onder de verplichting om de helft van die waarde aan de man te voldoen;

- de auto [auto B] met kenteken [auto B] zal aan de man worden toebedeeld voor een waarde van € 10.000,=, onder de verplichting om de helft van die waarde aan de vrouw te voldoen;

- de vrouw houdt (en aan haar worden dus toegedeeld de saldi op) de op haar naam staande bankrekeningen bij de ABN-AMRO bank met rekeningnummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] en de bankrekening bij de ING-bank met rekeningnummer [rekeningnummer 4] , onder de verplichting om van de saldi van die rekeningen van respectievelijk € 347,01, € 1.145,87, € 4.037,28 en € 2.152,30 de helft aan de man te voldoen;

- het saldo van de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 5] per peildatum van € 18,91 wordt tussen partijen bij helfte verdeeld, waarna deze rekening zal worden opgeheven;

- de man houdt (en aan hem wordt dus toegedeeld het saldo op) de op zijn naam staande bankrekening bij de SNS-bank met rekeningnummer [rekeningnummer 6] met een saldo op de peildatum van € 0,=;

- de man houdt (en aan hem wordt dus toegedeeld het saldo op) de op zijn naam staande bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 7] , onder de verplichting om van het saldo per peildatum van € 1.057,47 de helft aan de vrouw te voldoen;

- de onderneming [De] V.O.F.’ wordt aan de vrouw toebedeeld tegen een waarde van nihil, onder de verplichting om de man te vrijwaren voor aanspraken rustend op deze onderneming.

Partijen zijn het er verder over eens dat de motor [Motor A] met kenteken [kenteken motor A] door de man met privégeld is aangeschaft na de peildatum en dat deze derhalve buiten de te verdelen gemeenschap valt.

Inboedel

2.3.6.

De man heeft verzocht de gehele inboedel aan de vrouw toe te bedelen, onder de

verplichting van de vrouw om wegens overbedeling op dit punt een bedrag van € 10.000,= aan de man te voldoen. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd. Volgens haar heeft de man na zijn vertrek uit de echtelijke woning meerdere spullen meegenomen en is de inboedel inmiddels geheel tussen partijen verdeeld. Ter zitting zijn vervolgens door de man een aantal goederen opgesomd die hij in ieder geval nog graag van de vrouw wenst te ontvangen, zoals het gereedschap, een oude damesfiets waar hij veel waarde aan hecht, het kookboek van zijn oma, pentekeningen van de binnenstad van Breda en erfstukken van zijn ouders. Daarop is door de vrouw aangegeven dat de man de oude damesfiets en het kookboek van zijn oma nog kan komen ophalen, maar dat zij de pentekeningen niet meer in haar bezit heeft en dat zij het merendeel van het gereedschap al aan de man heeft gegeven.

Zoals de rechtbank reeds ter zitting aan partijen heeft medegedeeld heeft zij op dit moment onvoldoende handvatten om de verdeling van de inboedel vast te stellen, nu zij uit het debat van partijen niet kan afleiden welke inboedelgoederen tot de gemeenschap behoren en, voor zover dat wel kan, welke goederen nog onverdeeld zijn gebleven en of er eventueel plaats is voor een overbedelingsvergoeding van de een aan de ander. Bovendien is onduidelijk wie welke goederen nog wenst te ontvangen. De rechtbank zal de verzoeken van partijen dan ook afwijzen en volstaan met de vaststelling dat partijen de inboedel in onderling overleg nog (nader) zullen verdelen en dat zij ter zitting reeds een begin van afspraken daarover hebben gemaakt.

Motor [B]

2.3.7.

In geschil is voorts nog de motor [B] met kenteken [kenteken motor B] . De man is van mening dat deze motor buiten de verdeling dient te blijven, nu deze motor in 2013 zou zijn verkocht en geëxporteerd naar België. De vrouw betwist dat de motor is verkocht en stelt dat deze enkel in België is gestald. Volgens haar dient de motor in de verdeling te worden betrokken voor een waarde van € 2.750,=.

De rechtbank stelt aan de hand van het door de man als productie 5 bij de brief van 20 juni 2015 van mr. Van Vliet overgelegde stuk van de RDW vast dat de motor op 27 mei 2013 is geëxporteerd naar het buitenland. Hoewel uit genoemde productie niet kan worden afgeleid dat de motor ook daadwerkelijk is verkocht, gaat de rechtbank er, gelet op hetgeen de man hierover ter zitting heeft verklaard en waartegen de vrouw onvoldoende heeft ingebracht, vanuit dat dit wel het geval is. De man heeft ter zitting toegelicht dat de motor is verkocht aan een raceteam uit België voor ongeveer € 2.800,= en dat de vrouw aanwezig was toen de motor werd opgehaald, hetgeen door de vrouw onvoldoende is weersproken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de motor [B] op de peildatum geen onderdeel meer uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat deze niet in de verdeling dient te worden betrokken.

Polis Avéro Achmea en spaarrekening van de man

2.3.8.

Partijen hadden verder een polis bij Avéro Achmea met polisnummer [X] .

Tussen partijen is niet in geschil dat, nu de polis vóór de peildatum is afgekocht, deze polis niet meer tot de te verdelen gemeenschap behoort. De vraag die thans nog voorligt is of de afkoopwaarde van die polis op de peildatum nog onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap en aldus nog in de verdeling dient te worden betrokken.

De man stelt dat partijen de afkoopwaarde van de polis geheel hebben uitgegeven en dat er van die waarde op de peildatum niets meer resteerde om nog te verdelen. Volgens (de laatste lezing van) de man hebben partijen het bedrag aangewend voor de aankoop van een nieuwe, geheel op maat gemaakte hoevestijl keuken. Partijen hadden volgens de man een klusjesman daarvoor ingeschakeld die deze werkzaamheden verrichtte zonder factuur. De man stelt op 7 april 2015 een bedrag van € 21.000,= te hebben overgemaakt van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening. Dit bedrag stelt hij contant in ontvangst te hebben genomen in coupures van € 200,= en vervolgens aan de vrouw te hebben overhandigd die in de auto wachtte. De vrouw zou volgens de man de klusjesman betalen. Voor zover nodig biedt de man aan zijn stelling op dit punt te bewijzen door het doen horen van de vrouw en hemzelf als getuigen.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelde aanvankelijk dat de afkoopwaarde van de hier bedoelde polis tot de gemeenschap behoort en moet worden verdeeld. In reactie op de stellingen van de man stelt zij zich thans daarnaast op het standpunt dat de man opzettelijk het afkoopbedrag voor haar heeft verzwegen en dat hij daarmee zijn aandeel in dit bedrag aan haar verbeurt. Volgens de vrouw heeft de man haar en de rechtbank proberen te misleiden door eerst tijdens de procedure, zonder voorbehoud en onder verwijzing naar een door hem overgelegd aankoopfactuur, te stellen dat de afkoopwaarde is aangewend voor de aankoop van een auto, terwijl deze lezing aantoonbaar onjuist was, om zich vervolgens op het – naar mening van de vrouw eveneens onjuiste – standpunt te stellen dat het bedrag is aangewend voor de aankoop van een keuken. Ten aanzien van dit laatste merkt de vrouw op dat zij betwist dat zij, wachtend in een auto, (het) contant(e) geld van de man overhandigd heeft gekregen en ook dat daarvoor een keuken zou zijn gekocht. Volgens de vrouw bevindt zich in een woning een keuken van Ikea uit 2013 en heeft deze een paar duizend euro gekost.

2.3.9.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen staat vast dat de polis bij Avéro Achmea op 24 september 2014 voor een bedrag van € 20.548,01 is afgekocht, dat voornoemd bedrag op 26 september 2014 is uitbetaald op de bankrekening [rekeningnummer 7] bij de Rabobank op naam van de man en dat de man diezelfde dag nog een bedrag van € 20.000,= heeft doorgestort naar zijn spaarrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 8] . Verder staat vast dat op 31 december 2014 op voormelde spaarrekening van de man nog een bedrag van

€ 22.874,57 stond, terwijl het saldo van diezelfde rekening op de peildatum van 20 april 2015 nog slechts € 2.079,84 bedroeg. Uit de na de zitting van 13 december 2016 door de man overgelegde bankafschriften is gebleken dat de man op 7 april 2015, derhalve kort vóór de peildatum, een bedrag van € 21.000,= in contanten heeft opgenomen van zijn rekening bij de Rabobank. Over wat er evenwel nadien met dit bedrag is gebeurd, geeft de man diverse lezingen. De (meest recente) verklaring van de man dat het bedrag door partijen gezamenlijk zou zijn aangewend voor de aankoop van een hoevestijl keuken acht de rechtbank in ieder geval, in het licht van het hiernavolgende, volstrekt ongeloofwaardig. Allereerst neemt zij in aanmerking dat ter gelegenheid van de tien minuten-zitting op 26 april 2016 door de vrouw onweersproken is gesteld dat de man op (of omstreeks) 9 maart van dat jaar de echtelijke woning heeft verlaten. Verder is gebleken dat niet lang na de opname van het geldbedrag de echtscheidingsprocedure door de vrouw aanhangig is gemaakt. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk dat partijen in diezelfde periode nog tot aanschaf van een nieuwe, geheel op maat gemaakte keuken zijn overgegaan. Om diezelfde reden acht de rechtbank ook de verklaring van de man over de wijze waarop de betaling van de keuken zou hebben plaatsgevonden niet aannemelijk. Voorts weegt de rechtbank mee dat de man gedurende de procedure zeer wisselend heeft verklaard over de besteding van de afkoopwaarde en niet in staat is gebleken die verklaringen met stukken te onderbouwen. Zo bleek ter zitting van 13 december 2016 de aanvankelijke stelling van de man dat partijen de afkoopwaarde van de polis hadden aangewend voor de aanschaf van een auto [auto B] aantoonbaar onjuist. Vervolgens heeft de man ter zitting, desgevraagd en zonder onderbouwing, aangegeven dat het geld (mede) was gebruikt ten behoeve van de aanschaf van bouwmaterialen in verband met grote verbouwingen in de echtelijke woning en de reparatie van een auto. Na de zitting van 13 december 2016 is de man vervolgens gekomen met de stelling over de aanschaf van een keuken, doch ook daarvan ontbreken opnieuw concrete bewijzen. De man heeft in zijn laatste brief van 16 januari 2017 weliswaar alsnog bewijs aangeboden van deze stelling, doch de rechtbank ziet, in het licht van al het vorenstaande, geen aanleiding om de man nog tot dit bewijs toe te laten. Bovendien heeft de man inmiddels ruimschoots de gelegenheid gehad om zijn stellingen op dit punt te onderbouwen, zulks ook nog na de zitting op 13 december 2016. Nu de man niet heeft aangetoond dat de afkoopwaarde van de polis bij Avéro Achmea is uitgegeven, moet het er aldus voor worden gehouden dat de man de gelden terzake op de peildatum van 20 april 2015 nog steeds onder zich hield en dat deze dus tot de te verdelen gemeenschap behoren. In beginsel zal deze waarde dus tussen partijen bij helfte moeten worden verdeeld.

De vrouw beroept zich thans voorts op artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoekt maakt of verborgen houdt, zijn aandeel verbeurt in die goederen aan de andere deelgenoot. Zij stelt recht te hebben op het hele bedrag van € 21.000,=.

Gelet op de hiervoor weergegeven wisselingen in standpunt van de man omtrent de besteding van de afkoopwaarde en de hiervoor beargumenteerde ongeloofwaardigheid van de laatste lezing, moet worden vastgesteld dat de man opzettelijk heeft verzwegen dat het bedrag terzake de afkoop van de polis nog tot de te verdelen gemeenschap behoort danwel dat hij dit bedrag verborgen heeft gehouden. Gevolg van die handelwijze moet, gelet op alle hiervoor overwogen omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank zijn, dat hij daarmee zijn aandeel in dit bedrag aan de vrouw heeft verbeurd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de man het bedrag van € 20.548,01 aan de vrouw dient te voldoen.

De spaarrekening op naam van de man bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 8] zal tot slot aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting om van het saldo per peildatum van € 2.079,84 de helft aan de vrouw te voldoen.

Polissen Aegon

2.3.10.

Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de polis bij Aegon met kenmerk [polisnummer Y] voor een waarde van € 10.096,51 aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de helft van die waarde aan de vrouw te betalen. Tussen partijen is nog in geschil of in genoemd bedrag ook de waarde van de Aegon Renterekening met rekeningnummer [rekeningnummer 9] inbegrepen zit of dat (de waarde van) deze rekening nog afzonderlijk in de verdeling dient te worden betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het ene financiële product bij Aegon een kapitaalverzekering betreft en het andere financiële product een renterekening en dat zij ieder een ander kenmerk hebben. Verder constateert de rechtbank dat in de waardebepaling, die als productie 2 bij de brief van 6 juni 2016 van mr. Van Vliet is overgelegd, uitsluitend wordt gesproken over de belegde waarde van een kapitaalverzekering per 20 april 2015 en niet van een saldo op een rekening en dat daarnaast enkel het kenmerk van de kapitaalverzekering wordt genoemd. Dit alles brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat moet worden aangenomen dat sprake is van twee financiële producten die ieder afzonderlijk in de verdeling dienen te worden betrokken. De stelling van de man dat de waarde van de Aegon Renterekening reeds zit verdisconteerd in de waarde genoemd in voormelde waardebepaling wordt derhalve als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

De rechtbank zal de Aegon Renterekening (ook) aan de man toedelen, onder de verplichting om de helft van de waarde van die rekening per 20 april 2015 aan de vrouw te voldoen.

2.3.11.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gelasten zoals hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.3.5. tot en met 2.3.10. is vermeld en het meer of anders verzochte afwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk;

gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.5. tot en met 2.3.10. van deze beschikking;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2017 in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Lavrijssen, griffier.

1KL

1 Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.