Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1142

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/02/317046 / FA RK 16-3605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en lijdelijkheid van de rechter. De man voert verweer zonder bijstand van een advocaat. De rechtbank stelt een door de man te betalen kinderbijdrage vast voor de twee kinderen van partijen. Tussen het oudste kind en de man geldt een zorgregeling, tussen het jongste kind en de man is er thans nog een beperkt contact. De man heeft over de zorgkorting voor het jongste kind niets naar voren gebracht. Hij heeft echter wel verklaard dat het zijn intentie is op termijn te komen tot een zelfde zorgregeling voor beide kinderen. De rechtbank houdt - nu er op voorhand geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan op termijn niet een zelfde zorgregeling voor de beide kinderen kan gaan gelden - bij het vaststellen van de kinderbijdrage daarom gelet op het bovenstaande op termijn rekening met een gelijke zorgkorting voor beide kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Middelburg

zaak/rekestnr: C/02/317046 / FA RK 16-3605

beschikking d.d. 28 februari 2017

in de zaak van

[de moeder] (hierna: de vrouw),

uitdrukkelijk woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat,

verzoekster,

advocaat: mr. R. Zwamborn te Goes ,

tegen

[de vader] (hierna: de man),

wonende te [adres] ,

verweerder.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 16 juni 2016 ingekomen verzoekschrift tot vaststelling hoofdverblijf, zorg- en contactregeling en kinderalimentatie, met bijlagen;

- het op 17 augustus 2016 ingekomen F9-formulier van mr. Zwamborn;

- het op 7 december 2016 ingekomen aanvullend verzoekschrift tot vaststelling hoofdverblijf en kinderalimentatie, met bijlagen.

1.2

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 2 februari 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig de heer [vertegenwoordiger] namens de Raad.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014;

- [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016.

2.2

De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

2.3

De man heeft de minderjarigen erkend.

2.4

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 1] . De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 2] uit.

3 Het geschil

3.1

De vrouw verzoekt thans, na schriftelijke aanvulling van haar verzoek:

- te bepalen dat de minderjarige [kind 1] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;

- een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarige [kind 1] , waarbij hij bij de man zal verblijven gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdag 13:00 uur (na het kinderdagverblijf) tot en met zondagavond 18:00 uur. In de andere week verblijft hij bij de man vanaf donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur, alsmede waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen zullen worden verdeeld;

- te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1] € 357,= per maand zal bedragen, zulks met ingang van 13 mei 2016, dan wel een zodanige bijdrage en ingangsdatum te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- te bepalen dat de minderjarige [kind 2] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;

- te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2] € 357,= per maand zal bedragen, zulks met ingang van [geboortedag kind 2] 2016, dan wel een zodanige bijdrage en ingangsdatum te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kinderbijdrage en verzoekt dit verzoek dit verzoek af te wijzen.

Ter zitting heeft de man mondeling verzocht de zorgregeling tussen hem en de minderjarige [kind 1] uit te breiden en een zorgregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige [kind 2] .

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Hoofdverblijf en zorgregeling

4.1.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke onder meer kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en een toedeling aan ieder er ouders van de zorg- en opvoedingstaken. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.

Ouderschapsplan

4.1.2

Ingevolge artikel 1:247a dienen de ouders, indien het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind(eren) in het gezagsregister is aangetekend, een ouderschapsplan op te stellen. Nu de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen over de minderjarige [kind 1] , dienen zij een ouderschapsplan op te stellen. Indien ouders hieraan niet hebben voldaan, houdt de rechter de beslissing op een verzoek ex artikel 1:253a, tweede lid, BW aan totdat aan die verplichting is voldaan. Aanhouding blijft slechts achterwege indien het belang van het kind dit vergt.

4.1.3

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het de ouders niet lukt een ouderschapsplan op te stellen. Het is in het belang van de minderjarige dat er duidelijke afspraken betreffende hem komen. De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken derhalve in het belang van de minderjarige [kind 1] niet aanhouden in afwachting van een door partijen op te stellen ouderschapsplan en op de verzoeken van de vrouw beslissen.

Hoofdverblijf

4.1.4

De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] bij haar te bepalen. De man stemt hiermee in.

4.1.5

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van [kind 1] als op de wet gegrond toewijzen, nu de man hiermee instemt en niet is gebleken dat het belang van [kind 1] zich hiertegen verzet. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van [kind 2] afwijzen, nu zij het eenhoofdig gezag over hem uitoefent en als gezaghebbende ouder derhalve alleen de beslissingen over [kind 2] kan nemen, waaronder de beslissing waar [kind 2] woont.

Zorg- c.q. omgangsregeling

4.1.6

De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarige [kind 1] , waarbij hij bij de man zal verblijven gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdag 13:00 uur (na het kinderdagverblijf) tot en met zondagavond 18:00 uur. In de andere week verblijft hij bij de man vanaf donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur, alsmede waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen zullen worden verdeeld.

4.1.7

De man heeft aangegeven dat het uit praktisch oogpunt wenselijk is dat de minderjarige van donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:30 uur bij hem verblijft. De vrouw stemt hiermee in. Voorts heeft de man mondeling ter zitting verzocht een uitgebreidere regeling vast te stellen tussen hem en [kind 1] en voorts een (opbouwende) regeling vast te stellen tussen hem en [kind 2] . Hij wenst op termijn een zelfde regeling voor wat betreft het gezamenlijk ouderlijk gezag en de zorgregeling voor [kind 2] als thans geldt voor [kind 1] . De vrouw is het niet eens met de door de man voorgestelde contactregeling met [kind 2] . De man ziet [kind 2] nu wekelijks bij de vrouw in haar woning gedurende twee uur per week. Ter zitting kon tussen partijen op dit punt van de omgang met de minderjarige [kind 2] geen overeenstemming worden bereikt. De man heeft voorts aangegeven bereid te zijn samen met de vrouw deel te nemen aan een traject voor ouderschapsbemiddeling. De vrouw acht dit echter niet zinvol. Aan partijen is – mede door de Raad voor de Kinderbescherming – in overweging gegeven in het belang van de minderjarigen zo’n bemiddelingstraject wel in te gaan.

4.1.8

Nu een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige [kind 2] enkel kan worden ingediend door tussenkomst van een advocaat, dient de rechtbank de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn mondelinge verzoeken. De rechtbank zal de door de vrouw verzochte zorgregeling vaststellen, waarbij de minderjarige [kind 1] in plaats van tot en met vrijdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:30 uur bij de man verblijft, nu partijen het hierover eens zijn.

4.2

Kinderbijdrage

4.2.1

De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man betwist de hoogte van de verzochte kinderbijdrage(n).

4.2.2

De rechtbank zal de verplichting tot betaling van een eventuele bijdrage ten behoeve van de minderjarige doen ingaan op ingaan op 16 juni 2016, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bijdrage en ter zitting ook is gebleken dat de man omstreeks juni is gestart met het betalen van een bijdrage ten behoeve van [kind 1] aan de vrouw. De verplichting tot betaling van een eventuele bijdrage ten behoeve van de minderjarige zal de rechtbank doen ingaan op [geboortedag kind 2] 2016, zijnde de datum van zijn geboorte, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bijdrage en ter zitting ook is gebleken dat de man vanaf dat moment is gestart met het betalen van een bijdrage ten behoeve van [kind 2] aan de vrouw.

4.2.3

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.

4.2.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarige [kind 1] , voordat [kind 2] is geboren, € 357,= per maand bedraagt. De rechtbank al deze bijdrage derhalve vaststellen voor de periode van 16 juni 2016 en tot [geboortedag kind 2] 2016.

4.2.5

Tussen partijen is in geschil de door de man totaal te betalen bijdrage in de kosten van beide minderjarigen vanaf het moment dat [kind 2] geboren is. De rechtbank is met de man van oordeel dat, anders dan de vrouw heeft gesteld, de behoefte van de minderjarige [kind 2] niet kan worden gelijkgesteld aan de behoefte van de minderjarige [kind 1] , gelet op de uitgangspunten van de Expertgroep Alimentatienormen. Een van de uitgangspunten voor het bepalen van de behoefte van de minderjarigen is – onder meer – dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel per kind lager wordt naarmate er meer kinderen zijn, wat wordt veroorzaakt doordat de kinderbijslag per kind stijgt naarmate er meer kinderen zijn. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk.

4.2.6

Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen, is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) ten tijde van de samenleving van partijen. Partijen hebben nooit gezamenlijk in gezinsverband met de minderjarige [kind 2] samengeleefd. In beginsel wordt voor het bepalen van de behoefte dan de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget). De rechtbank zal voor het bepalen van de behoefte van de minderjarigen van beide minderjarigen echter uitgaan van netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) ten tijde van de samenleving van partijen, nu de situatie van beide minderjarigen nauw samenhangt en naar het oordeel van de rechtbank niet reëel is te veronderstellen dat aan de minderjarige die niet in gezinsverband met partijen heeft samengeleefd, minder van het NBI zal worden besteed dan aan de minderjarige die wel in gezinsverband met partijen heeft samengeleefd. Daarbij komt dat partijen gedurende de periode dat de vrouw zwanger was van [kind 2] , nog enige tijd hebben samengeleefd en de geboorte van [kind 2] niet lang na het uiteengaan van partijen heeft plaatsgevonden.

4.2.6

De rechtbank gaat ter bepaling van dat gezinsinkomen uit van het door de vrouw in haar verzoekschrift becijferde netto besteedbaar inkomen van partijen van € 4.745,= per maand op basis van de inkomens van partijen in 2016, nu dit door de man niet is betwist. Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert een tabelbedrag op van € 1.134,= per maand, oftewel € 567,= per kind per maand.

4.2.7

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt bij inkomens vanaf € 1.550,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 890,=)].

4.2.8

De vrouw heeft blijkens de jaaropgaaf over 2016 een bruto inkomen van € 20.006,=. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten en de tarieven 2016-2 becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.077,= per maand, inclusief het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waar zij thans voor in aanmerking komt.

4.2.9

De man heeft blijkens de jaaropgaaf over 2016 een bruto inkomen van € 60.034,=. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten en de tarieven 2016-2 becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.243,= per maand.

4.2.10

De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 395,= per maand. De draagkracht van de man bedraagt, volgens de formule € 966,= per maand. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.361,= en is hoger dan de hiervoor becijferde behoefte van de kinderen van € 1.134,= per maand.

De verdeling van de kosten van de kinderen over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 966 / € 1.361 x € 1.134 = € 805,=

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 395 / € 1.361 x € 1.134 = € 329,=.

4.2.11

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage met een percentage van 25% ten aanzien van beide minderjarigen. De vrouw gemotiveerd bezwaar ten aanzien van de toepassing van een zorgkorting ten aanzien van de minderjarige [kind 2] . De man heeft thans gemiddeld twee keer per week een uur omgang met de minderjarige [kind 2] bij de vrouw thuis. De rechtbank is van oordeel dat de man derhalve thans dusdanig beperkte kosten dient te maken ten behoeve van [kind 2] , dat deze niet dienen te worden verdisconteerd in enige zorgkorting.

4.2.12

Het aandeel van de man bedraagt € 805,= per maand, € 403,= per kind per maand. Nu de behoefte van de minderjarige [kind 1] € 567,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 142,= per maand. Het aandeel van de man wordt voor wat betreft de minderjarige [kind 1] verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 261,= per maand voor de minderjarige [kind 1] . Daarnaast kan de man de door de vrouw verzochte bijdrage van € 357,= per maand voor de minderjarige [kind 2] betalen. Het standpunt van de man dat hij ten aanzien van [kind 2] - op dezelfde wijze als bij [kind 1] - een deel van zijn verplichting tot onderhoud wil invullen met een (gefaseerde) identieke zorgregeling acht de rechtbank redelijk en billijk. De rechtbank schat in dat de man in ieder geval vanaf 1 januari 2018 na een geleidelijke opbouw van de contacten met [kind 2] in staat is en ook in de gelegenheid gesteld kan worden om deze wijze inhoud te gaan geven aan zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige. Daarom zal de rechtbank ook vanaf 1 januari 2018 rekening houden met een zorgkorting van 25% en de onderhoudsbijdrage voor [kind 2] vanaf die datum – net als bij [kind 1] – stellen op een bedrag van € 261,= per maand.

4.2.13

De rechtbank zal deze bijdragen vaststellen met ingang van [geboortedag kind 2] 2016.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn mondeling ter zitting gedane verzoeken;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, bij de vrouw zal zijn;

bepaalt dat er in het kader van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken omgang is tussen de man en de minderjarige [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, waarbij de minderjarige bij de man zal verblijven:

  • -

    gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdag 13:00 uur (na het kinderdagverblijf) tot en met zondagavond 18:00 uur;

  • -

    in de andere week vanaf donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:30 uur;

waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen zullen worden verdeeld;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014:

  • -

    op € 357,= per maand voor de periode van 16 juni 2016 tot [geboortedag kind 2] 2016 en

  • -

    op € 261,= per maand met ingang van [geboortedag kind 2] 2016;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016:

  • -

    op € 357,= per maand met ingang van [geboortedag] 2016 tot 1 januari 2018; en

  • -

    op € 261,= per maand vanaf 1 januari 2018;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. Koens, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017 in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier.

1LW

1 Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.