Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:1106

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
C/02/314295 / HA ZA 16-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil in politieke partij in Reimerswaal. Lid van die partij stelt dat hij ten onrechte geroyeerd is. De rechtbank toetst of de gronden van het ontslag besluit, genoemd in een email, het besluit tot ontzetting kunnen dragen. Duidelijk is dat de verhoudingen verstoord zijn. De aangevoerde gronden zijn echter onvoldoende. Het besluit wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/314295 / HA ZA 16-279

Vonnis van 25 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Yerseke,

eiser,

advocaat mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen,

tegen

de vereniging

LEEFBAAR REIMERSWAAL,

gevestigd te Rilland,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.A. Dielissen te Wouw.

Partijen zullen hierna [eiser] en LR worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 juni 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was sinds oktober 2013 lid van LR. LR is een politieke partij die actief is in de gemeente Reimerswaal. [eiser] was actief voor LR als fractievolger en adviseur. De bestuurs- en fractievoorzitter van LR is [voorzitter] .

Zowel [eiser] als [voorzitter] was respectievelijk is daarnaast lid van de vereniging Partij voor Zeeland (hierna: PvZ). PvZ is een politieke partij die actief is in de provincie Zeeland.

LR en PvZ zijn formeel niet met elkaar verbonden.

[eiser] en [voorzitter] stonden begin 2015 beiden voor PvZ op de kieslijst voor de Waterschaps- en Statenverkiezingen van 2015. Degenen die deel gaan uitmaken van de fractie van PvZ in de Provinciale Staten, ontvangen daarvoor een vergoeding.

2.2.

Artikel 7 van de statuten van LR bepaalt, voor zover van belang:

1. Het lidmaatschap eindigt:

(…)

d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

2.3.

Op 22 januari 2015 heeft het bestuur van LR besloten [eiser] te royeren als lid van LR. Dit besluit is [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 meegedeeld.

2.4.

In dit e-mailbericht van 24 januari 2015 staat:

Het bestuur heeft kennis genomen van het e-mail verkeer tussen u en de PvZ. Wij hebben deze e-mails geanalyseerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen.

  • -

    Binnen Leefbaar Reimerswaal is fractievoorzitter [voorzitter] zeer gewaardeerd. Wij kunnen dan ook niet toe staan dat hij door u, richting de Partij voor Zeeland in naam word aangetast.

  • -

    De kritiek uwerzijds richting Leefbaar Reimerswaal dient binnen de partij opgelost te worden en niet via e-mail aan derden (PvZ bestuur).

  • -

    Onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden.

  • -

    U criminaliseerd personen in een reactie op de aan u aangeboden geldelijke vergoeding, het stond u vrij deze vergoeding en functie te weigeren, maar u beschuldigd personen van zelfverrijking.

  • -

    Door uw handelen heeft u Leefbaar Reimerswaal in diskrediet gebracht bij de PvZ.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het royementsbesluit van 24 januari 2015 nietig verklaart, althans vernietigt, alsmede LR veroordeelt tot betaling van zijn buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,- en de proceskosten, beide te vermeerderen met wettelijke rente.

[eiser] wenst eerherstel. Hij heeft bij aangetekende brief een beroepschrift ingediend bij LR, maar LR heeft deze brief niet in ontvangst genomen, zodat hij genoodzaakt is deze zaak aan de civiele rechter voor te leggen.

[eiser] stelt dat het royementsbesluit van LR niet voldoet aan de wettelijke en statutaire eisen. Hij heeft niet in strijd gehandeld met de statuten, reglementen of besluiten van LR en evenmin LR op onredelijke wijze benadeeld. Het royementsbesluit vermeldt ten onrechte niet om welke e-mailberichten het gaat en is op grond daarvan niet met voldoende redenen omkleed. [eiser] weet niet van e-mailberichten waaruit de in het besluit opgesomde gedragingen zijn af te leiden. De wrijving die in de aanloop naar de provinciale verkiezingen van 2015 tussen hem en [voorzitter] was ontstaan, had alleen betrekking op PvZ.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit zijn de kosten van werkzaamheden die door zijn raadsman zijn verricht voor het hoger beroep bij LR.

3.2.

LR voert verweer. Zij stelt dat na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014, waarin [eiser] geen plaats in de gemeenteraad kreeg, omdat een lager geplaatst lid met voorkeursstemmen zijn zetel innam, een kentering in het gedrag van [eiser] optrad en onderbouwt dat als volgt.

  • -

    Na de verkiezingen trad [eiser] voor haar op in Opinie- en Themaraden. [eiser] maakte daarin met regelmaat opmerkingen over de – in zijn ogen – te strakke kleding van de fractievoorzitster van een andere partij en over de vrouwelijke leden van LR. [voorzitter] heeft hem daarop meermalen aangesproken.

  • -

    In juli 2014 meldde steunfractielid mevr. [naam] aan [voorzitter] dat [eiser] zich ongevraagd in haar huwelijksleven mengde. LR verwijst naar een door mevr. [naam] op 19 februari 2016 opgemaakte verklaring.

  • -

    Op 21 augustus 2014 ontving [voorzitter] een e-mail van [eiser] , naar aanleiding van een e-mail van dhr. [naam] , lid van LR, aan hem met daarin een bericht dat [naam] aan de gemeenteraad en het college had gestuurd over het begraafplaatsenbeleid van de gemeente. [naam] had gezien dat in plaats van naast, op graven bordjes waren geplaatst ‘zo ongeveer tussen de benen’. [eiser] schreef aan [voorzitter] onder meer: Sommige van de overledenen (m n vrouwen) zullen het zelfs na hun verscheiden niet erg vinden ‘zoals op de foto’s te zien is zo ongeveer ‘tussen de benen’ post-mortem als zodanig te worden opgesierd, echter we gaan uit van de gangbare fatsoensnormen terzake. Ook hierop heeft [voorzitter] hem aangesproken.

  • -

    Op 31 augustus 2014 schreef [eiser] een zeer vreemde e-mail aan [voorzitter] . Deze e-mail heeft als onderwerp: Waarom LR beslist niet werd genoemd! [eiser] begint deze e-mail met het navolgende: LR kon niet worden genoemd, want er is sprake van een oorlogsverklaring, die SGP, CDA en CU inmiddels wel gelezen zullen hebben. Het moest uit eigen kring komen van een Bijbelgetrouwe, die niet van sympathie voor LR laat blijken. Hij vervolgt met anderhalve pagina tekst uit Matteüs 23:1-39.

  • -

    Met ingang van oktober 2014 liet [eiser] zowel naar LR als naar PvZ wispelturig en oncollegiaal gedrag zien. Hij stelde [voorzitter] in een kwaad daglicht bij PvZ, terwijl [voorzitter] door PvZ als fractievoorzitter werd voorgesteld. In de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en leden van PvZ is hij beledigend over [voorzitter] en LR, alsmede over andere met name genoemde personen. Hij schreef daarin onder meer, terugkomend op de fractievergoeding PvZ: De hoogte der vergoeding laat ik wel ik in jullie handen ( [naam] en [voorzitter] ) ter bepaling, gelet op de groeiende cordiale samenwerking die al langer werd verwacht en die jullie aan het verzilveren zijn zo met zijn tweeën. (…) Die vergoeding is mede afhankelijk en gerelateerd aan de vergoeding die eerder mevrouw [naam] (rechtbank: eerder door PvZ geroyeerd) ontving en staat daarmee wel in redelijke verhouding. Per slot van rekening kreeg te ’s Heerenhoek de PVZ een bijna doodklap, terwijl jullie inmiddels tweede man [naam] op allebei de lijsten gelukzoeker bleek te zijn en bijgevolg alle opties open liet (inclusief de staatsgreep met de alleszins obscure [naam] ). Het is toch warempel wel ik geweest die voor jullie de doorstart heeft voorbereid zodat jullie nummers 1 en 2 (die door [voorzitter] liefkozend “De enig hooggeboren Baby [naam] ” wordt genoemd) zo’n riante uitgangspositie thans kregen. Dat ik daarbij toch zeker voor de voorman van Leefbaar Reimerswaal zijn terugkeer in PS heb voorbereid om het gemodder op plaatselijk niveau met enige eer wat achter zich te kunnen laten. (…) Voorts heb ik mij er bijzonder mee vermaakt dat onze nieuw lijsttrekker (rechtbank: [voorzitter] ) ‘zijn pragmatisch politieke ideologie’ menigvuldig vooraf laat gaan door een autobiografisch exposé, waarbij hij als het ware aan de door hem uitgediepte levenspassages een feestelijke zelfanalyse van zijn afkomst en levensgeschiedenis toevoegt. Rest mij nog mijn welzeker gemeende erkentelijkheid uit te spreken aan het adres van de heren (rechtbank: volgen 4 namen van mensen die in deze zaak geen rol spelen). Ik vind het altijd fijn te ervaren dat er, net als ik, ook nog mensen zijn met een enkelvoudige agenda. Vermeld dient vanzelfsprekend te worden om het welbekende gegeven toe te voegen dat ik steeds door de nu optrekkende kompanen [voorzitter] en [naam] met de meest genereuze vriendelijkheid ben bejegend.(…)

  • -

    In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft [eiser] zijn e-mail van 18 januari 2015 toegelicht en ten aanzien van verschillende personen wederom ‘op de man gespeeld’.

  • -

    Op 13 januari 2015 belde [eiser] ’s avonds naar het woonhuis van [voorzitter] , terwijl hij wist dat [voorzitter] op dat moment naar een vergadering in het gemeentehuis was. De echtgenote van [voorzitter] , die van Indonesische afkomst is, nam op en zei dat [voorzitter] niet thuis was. Vervolgens begon hij tegen haar over getinte vrouwen, dat hij die ook wel wilde, maar dan wel met lange benen. De echtgenote van [voorzitter] heeft daarop geschrokken de telefoon neergelegd.

Deze laatste gebeurtenis was voor [voorzitter] de bekende ‘druppel’. Hij heeft daarop het bestuur van LR bijeen geroepen. De bestuursvergadering waarop tot royement van [eiser] is besloten, heeft op 22 januari 2015 plaatsgevonden.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat beide partijen ter comparitie te kennen hebben gegeven voorbij te willen gaan aan de – formeel voorliggende – procedure ten overstaan van de ledenraadvergadering van LR en de zaak voor te willen leggen aan de rechtbank. [eiser] kan dan ook in zijn vordering worden ontvangen.

4.2.

Zowel op grond van art. 7 lid 1 aanhef en sub b van de statuten als op grond van art. 2:35 lid 1 aanhef en sub d juncto 2:35 lid 3 BW kan het bestuur van LR besluiten [eiser] uit zijn lidmaatschap te ontzetten als er sprake is van handelen in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging dan wel handelen waardoor de vereniging op onredelijke wijze wordt benadeeld. Uit de laatste in r.o. 2.4 aangehaalde zinsnede van het besluit leidt de rechtbank af dat het bestuur van LR zijn besluit tot ontzetting van [eiser] heeft gebaseerd op de laatst aangehaalde ontzettingsgrond.

4.3.

Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat LR in haar conclusie van antwoord 12 gronden voor de ontzetting heeft gesteld, terwijl in het ontzettingsbesluit 5 gronden zijn opgenomen. De rechtbank volgt hem daarin niet. Met LR oordeelt zij dat de in de conclusie aangevoerde feiten en omstandigheden moeten worden gekwalificeerd als onderbouwing van de redenen die LR aan haar besluit, zoals dat aan [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 is meegedeeld, ten grondslag heeft gelegd.

4.4.

De stelling van [eiser] dat gebeurtenissen van geruime tijd voordat het besluit tot ontzetting werd genomen, niet aan dat besluit ten grondslag kunnen worden gelegd, gaat in haar algemeenheid evenmin op. Niet kan worden uitgesloten dat een veelheid aan gebeurtenissen in een beperkt tijdsbestek opbouwt tot een situatie waarin een daarop komende gedraging de bekende ‘druppel’ is die ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigt.

4.5.

De gedragingen die [eiser] worden verweten, zouden hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat hij zitting nam in de Opinie- en Themaraden. Dit was, zo heeft [voorzitter] namens LR ter comparitie onweersproken verklaard, kort na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze op 19 maart dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder baseert LR zich op voorvallen in juli 2014, augustus 2014, oktober 2014 en januari 2015. Het ontzettingsbesluit is op 22 januari 2015 door het bestuur genomen. Hieruit volgt dat de verweten gedragingen in circa 10 maanden, zouden hebben plaatsgevonden. Daarmee is sprake van een beperkt tijdsbestek, als bedoeld in r.o. 4.4.

4.6.

Dat LR in het ontzettingsbesluit verwijst naar e-mailberichten, zonder deze specifiek aan te halen, leidt er op zichzelf niet toe dat het besluit met onvoldoende redenen is omkleed. De redenen die voor LR de grondslag voor de ontzetting vormden zijn in het besluit uitgeschreven. Bij haar conclusie van antwoord heeft LR alsnog diverse e-mailberichten van [eiser] overgelegd. Daarmee staat het bestaan van de e-mailberichten van zijn hand voldoende vast.

4.7.

Aan de orde is dan of de redenen die in de e-mail van 24 januari 2015 aan [eiser] staan opgesomd, al dan niet in onderlinge samenhang, het besluit tot ontzetting kunnen dragen. Of de onder de ‘gedachtenbolletjes’ geformuleerde redenen louter uit een analyse van e-mailberichten voortkomen, is daarbij niet doorslaggevend. Het gaat niet om een taalkundige toetsing van het besluit, maar om de logische inhoud daarvan.

4.8.

Getoetst zal eerst worden of, als ervan wordt uitgegaan dat de gedragingen die [eiser] worden verweten, aangehaald in dit vonnis onder 3.2., hebben plaatsgevonden – [eiser] betwist dat ten dele – en ervan wordt uitgegaan dat die gedragingen de onderbouwing zijn van de onder de gedachtenbolletjes geformuleerde redenen, die gedragingen ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigen.

4.8.1.

[eiser] heeft opmerkingen gemaakt tegen LR-lid mevr. [naam] over haar huwelijk, die mogelijk ongepast waren en in ieder geval door haar niet op prijs werden gesteld. Deze opmerkingen zijn mogelijk te scharen onder de onder het derde gedachtenbolletje geformuleerde reden: onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden. Dit geldt echter niet voor de vrouwonvriendelijke opmerkingen in de Opinie- en Themaraden tegen de fractievoorzitster van een andere partij. LR noemt verder wel dat ook tegen vrouwelijke partijleden opmerkingen over hun kleding werden gemaakt, maar concretiseert dit niet. Zij noemt geen namen en legt geen verklaringen over.

4.8.2.

De reactie van [eiser] aan [voorzitter] op de e-mailcorrespondentie met [naam] is als smakeloos te kwalificeren, maar is aan [voorzitter] op zijn e-mailadres gestuurd. Niet staat vast dat deze e-mail anderen heeft bereikt.

4.8.3.

De inhoud van de e-mail van 31 augustus 2014 is weliswaar merkwaardig, maar zonder nadere uitleg, welke ontbreekt, is onduidelijk ter onderbouwing van welke reden voor ontzetting zij is aangehaald en hoe LR daarmee is geschaad.

4.8.4.

Het telefoongesprek met de echtgenote van [voorzitter] op 13 januari 2015 is ongepast, echter gesteld noch gebleken is hoe LR daardoor is benadeeld. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de echtgenote van [voorzitter] lid van LR is, zodat ook niet is vast te stellen dat dit gesprek valt onder ‘onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden’.

4.8.5.

LR stelt dat dit gesprek de spreekwoordelijke druppel is geweest en de aanleiding voor het bijeenroepen van de bestuursvergadering van 22 januari 2015. Tussen het telefoongesprek en de vergadering heeft [eiser] nog de e-mail d.d. 18 januari 2015 gestuurd en de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 toegesproken.

4.8.6.

De toon en inhoud van de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en verschillende leden van PvZ, onder wie [voorzitter] , is weinig respectvol. [eiser] laat zich tegenover hen negatief uit over LR en diffamerend over [voorzitter] , [naam] , [naam] en [naam] . In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft hij deze mail nader toegelicht aan de hand van de als productie 7 bij de conclusie van antwoord overgelegde aantekeningen. Hij heeft zijn diffamerende uitlatingen niet teruggenomen, eerder herhaald. Van de door [eiser] genoemde personen heeft alleen [voorzitter] banden met LR. De overige genoemde personen zijn of waren gelieerd aan PvZ. Niet zonder meer valt in te zien, wat de schadelijke werking van deze uitlatingen is jegens LR. Ter comparitie heeft [voorzitter] toegelicht dat hij in die periode door de voorzitter van PvZ was gevraagd om lijstaanvoerder te zijn en PvZ te ondersteunen met LR, alsmede dat zijn kansen voor PvZ en daarmee de positie van PvZ aanzienlijk slechter worden als hij en/of LR negatief in het nieuws komen bij PvZ. Hij heeft verklaard dat door de negatieve opmerkingen aan PvZ over hem, [eiser] zijn positie bij PvZ onmogelijk maakte en dat als [voorzitter] bij PvZ onderuit gaat, ook zijn positie bij LR en vervolgens de positie van LR in de lokale politiek onder druk komt te staan.

4.8.7.

Uit het voorgaande is af te leiden dat in ieder geval de verhoudingen tussen [eiser] en [voorzitter] verstoord zijn geraakt en, ten gevolge van de gebeurtenissen beschreven onder 4.8.5, [eiser] zich ook bij PvZ mogelijk van een negatieve kant heeft laten zien. Niet is uit te sluiten dat de opstelling van [eiser] bij PvZ irritatie wekte. Of en in hoeverre de positie van [voorzitter] bij PvZ daardoor negatief werd beïnvloed en LR daardoor werd benadeeld is echter onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is gebleven wat het belang van LR is, om positief bij PvZ te boek te staan, anders dan het persoonlijke belang van [voorzitter] , een positie bij die partij te kunnen bekleden.

4.8.8.

Voorstelbaar is, gegeven de beschreven voorvallen voor zover juist, dat er sprake is geweest van een oplopende graad van irritatie bij [voorzitter] , waarin ook de overige bestuursleden van LR zijn betrokken. De stelling van LR dat het telefoongesprek van [eiser] , wat daar verder van zij, de bekende druppel was en leidde tot de bestuursvergadering waarop tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR is besloten, wijst daar ook op. Dit is echter niet genoeg. De gestelde en hiervoor besproken gedragingen leveren noch ieder afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang voldoende grond op voor ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR. De rechtbank oordeelt van doorslaggevende betekenis dat LR niet heeft gesteld wat het effect van de gedragingen van [eiser] was op (het functioneren van) LR. Aldus is onvoldoende komen vast te staan dat de belangen van LR door [eiser] zo ernstig en onredelijk zijn benadeeld dat daardoor de maatregel van ontzetting uit het lidmaatschap is gerechtvaardigd.

4.9.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de verweten gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

4.10.

De vordering tot vernietiging van het ontzettingsbesluit van [eiser] zal worden toegewezen. Voor nietigverklaring van het besluit ingevolge art. 2:14 BW is geen grond, nu gesteld noch gebleken is dat het besluit in strijd is met de wet of statuten. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 904,00 zal worden afgewezen. De aangevoerde feiten, kosten van hoger beroep bij LR, leveren daarvoor geen toereikende grondslag op.

4.11.

LR zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiser] worden tot dusver begroot op:

  • -

    griffierecht € 288,00

  • -

    explootkosten dagvaarding € 99,87

  • -

    salaris advocaat € 904,00 (2 punten à € 452,00; liquidatietarief II)

totaal € 1.291,87

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het besluit van het bestuur van LR tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR, genomen op 22 januari 2015 en aan [eiser] meegedeeld bij e-mailbericht van 24 januari 2015;

5.2.

veroordeelt LR in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dusver vastgesteld op € 1.291,87, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt LR in de na dit vonnis ontstane kosten van [eiser] , begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.