Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:896

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 2656
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blh bestrijdt een naheffingsaanslag mrb omdat hij van mening is dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de openbare weg tijdens schorsing van het kenteken. De rechtbank is van mening dat er wel sprake is van een openbare weg nu de desbetreffende steeg feitelijk voor het openbare rijverkeer openstaat. Ook vordert blh een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. De beslistermijn eindigde op 29 december 2014 op welke dag ook de ingebrekestelling is ontvangen. Dat is één dag te vroeg maar omdat belanghebbende door het hoorgesprek wist dat de termijn voor uitspraak met meer dan 14 dagen zou worden overschreden, is de ingebrekestelling niet prematuur en is de inspecteur een dwangsom verschuldigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/24.17.8
V-N Vandaag 2016/824
FutD 2016-1004
FutD 2016-1005
NTFR 2016/1531 met annotatie van mr. J. Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/2656

uitspraak van 19 februari 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 30 januari 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) en de bij gelijktijdige beschikking opgelegde verzuimboete (aanslagnummer [aanslagnummer]Y.4.90001).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn gemachtigde

[gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Heerlen, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het het niet toekennen van een dwangsom betreft;

- stelt vast dat de inspecteur in verband met het te laat doen van uitspraken op bezwaar een dwangsom is verbeurd van € 370;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage

van € 248;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van
€ 45 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is sinds 14 juli 2006 houder van een auto met kenteken [kenteken]. Op 8 april 2014 is geconstateerd dat deze auto tijdens een voor die auto geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) was geparkeerd in een steeg, genaamd [adres 1] te [woonplaats]. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB opgelegd over de periode van

14 januari tot en met 13 april 2014 van € 481. Bij gelijktijdige beschikking is een verzuimboete van € 481 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door de inspecteur afgewezen.

2.2.

Tussen partijen is in geschil (i) of het beroep ontvankelijk is, (ii) of de [adres 1] een openbare weg is en (iii) of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

Ontvankelijkheid

2.3.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt, voor zover te dezen van belang, aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de AWR). Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid van de Awb). Bij verzending per post is een beroepschrift nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid van de Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). De uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend 30 januari 2015. Dit betekent dat de beroepstermijn is aangevangen op 1 februari 2015 en is geëindigd op 13 maart 2015. Het beroepschrift is op 28 april 2015 en dus te laat door de rechtbank ontvangen.

2.4.

Belanghebbende stelt dat hij het beroepschrift tijdig, althans voor 13 maart 2015, ter post heeft bezorgd maar dat hij het op 21 april 2015 van PostNL retour heeft ontvangen. Ten bewijze daarvan heeft hij een envelop overgelegd, geadresseerd aan de rechtbank met datumstempel 11 maart 2015, met daarop een sticker waaruit blijkt dat deze envelop retour afzender (naar het huisadres van de gemachtigde) is gestuurd. Volgens belanghebbende heeft hij de envelop op 21 april 2015 terugontvangen waarna hij het beroepschrift nogmaals aan de rechtbank heeft toegestuurd.

2.5.

Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij de verklaring van belanghebbende geloofwaardig vindt en dat er naar zijn mening sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank ziet geen reden anders te oordelen en zal het beroep inhoudelijk behandelen.

Inhoudelijk

2.6.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) wordt de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW 1994. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW 1994 de belasting worden nageheven. Artikel 5 van de Wet MRB bepaalt dat in de Wet MRB en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder weg: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.

2.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat de [adres 1] geen openbare weg is, omdat de steeg niet uitkomt op een wegenlegger, er door de gemeente geen afzonderlijk besluit is genomen dat de steeg een openbare weg is, de steeg nog geen 10 jaar in onderhoud is bij de gemeente en niet voorkomt op de plattegrond van het bestemmingsplan. Hij heeft verder aangevoerd dat de steeg alleen wordt gebruikt voor het bereiken van de achterkant van een vijftal woningen en de parkeergarage van een nabijgelegen flatgebouw.

2.8.

Van een openbare weg is sprake indien de weg feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat (Hoge Raad 11 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4801).

Met hetgeen de inspecteur heeft ingebracht heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat de steeg een openbare weg is in de zin van artikel 5 van de Wet MRB. Uit de bij het verweerschrift gevoegde kaart blijkt dat de [adres 1] evenwijdig loopt aan de [adres 2] en met twee uitwegen daarmee verbonden is. Uit de foto’s die tot de stukken van het geding behoren blijkt bovendien dat de auto geparkeerd stond in een met een onderbroken witte streep afgebakend parkeervak – zoals een parkeervak op de openbare weg er pleegt uit te zien. Niet is aannemelijk geworden dat er borden staan of dat fysieke barrières zijn aangebracht waaruit zou volgen dat een vrije toegang van het verkeer in de steeg niet is toegestaan of niet mogelijk is.

2.9.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de steeg feitelijk voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaat. Dit houdt in dat de auto van belanghebbende geparkeerd stond op een voor openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg.

2.10.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat de inspecteur niet voldoende voortvarend is geweest met het opleggen van de naheffingsaanslag nu de overtreding op 8 april 2014 is geconstateerd, de aankondiging met dagtekening 21 augustus 2014 is verstuurd en de naheffingsaanslag is gedagtekend 2 oktober 2014. Dat kan echter niet leiden tot nietigheid of vernietiging van de naheffingsaanslag of van de boete. MRB is een aangiftebelasting. Op grond van het bepaalde in artikel 20, derde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot naheffing na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De naheffingsaanslag is verstuurd binnen zes maanden nadat de overtreding is geconstateerd. Dat is tijdig.

Verzuimboete

2.11.

De inspecteur heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 70 in samenhang met artikel 37 van de Wet MRB alsmede artikel 67c van de AWR en paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) een verzuimboete opgelegd van 100% van het bedrag van de naheffingsaanslag.

2.12.

Er zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden die aanleiding geven voor vermindering van de opgelegde verzuimboete. De rechtbank acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.

Dwangsom

2.13.1.

Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Op 3 november 2014 heeft belanghebbende het bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft belanghebbende gesteld dat de naheffingsaanslag onrechtmatig is omdat geen sprake was van een openbare weg, en tevens gevraagd om toezending van stukken waaruit de bevoegdheid bleek van de behandelend inspecteur. De inspecteur heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift maar heeft belanghebbende niet verzocht de verzuimen te herstellen. Op 18 december 2014 is de gemachtigde gehoord. Bij brief van 29 december 2014 heeft de gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld; in de aanhef van de brief staat: “GRONDEN VAN BEZWAAR” en in het slot van de brief is aangegeven dat belanghebbende zich niet kan verenigen met overschrijding van de beslistermijn en is verzocht binnen 14 dagen een beslissing te nemen op het bezwaar.

2.13.2.

Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de beslistermijn aanvangt op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Dat betekent dat de beslistermijn is aangevangen op 13 november 2014 (de dag welke zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet ligt) en dat deze, met inachtneming van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, is geëindigd op 29 december 2014. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om de termijn in dit geval te verlengen: het bezwaarschrift bevatte een motivering, conclusie en handtekening en was dus geen ‘pro forma’ bezwaarschrift zoals de inspecteur meende. Geen van de overige in artikel 7:10 van de Awb genoemde omstandigheden die kunnen leiden tot opschorting van de beslistermijn heeft zich hier voorgedaan en van verdaging is ook geen sprake geweest.

2.13.3.

Artikel 4:17, derde lid van de Awb bepaalt dat een dwangsom verschuldigd wordt vanaf de eerste dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van uitspraak is verstreken en de inspecteur van de belastingplichtige een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. De datum waarop de inspecteur in gebreke kon worden gesteld is dus één dag na 29 december 2014 of 30 december 2014. De ingebrekestelling van 29 december 2014 is prematuur ingediend.

2.13.4.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de Circulaire wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen (hierna: de Circulaire). Daarin staat dat de rechter zou kunnen oordelen dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, zoals in casu het geval is, toch geldt. De Circulaire verwijst daarvoor naar de parlementaire behandeling van de Wet Dwangsom bij niet tijdig beslissen. In de parlementaire behandeling is hierover het volgende gezegd:

“De heer Wolfsen (initiatiefnemers van het wetsvoorstel):

(…) Kun je dan al wel een ingebrekestelling sturen om het bestuur te waarschuwen dat zij een dwangsom kwijt zijn als het de termijn overschrijdt? In dit wetsvoorstel is het uitgesloten. Wij hebben het volgende opgenomen. De ingebrekestelling kan worden verzonden zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een beslissing te geven. Het is dus gekoppeld aan de wettelijke beslistermijnen. Als een brief een dag te vroeg binnenkomt, zal het ook als een ingebrekestelling kunnen worden gezien. Wil het in werking treden, dan moet de termijn verstreken zijn. Zou je het anders willen regelen, dan moet je het echt expliciet in de wet opnemen. (…)

De heer Van der Staaij (SGP): Ik wil terugkomen op de opmerking over de premature ingebrekestelling. Ik proefde uit de woorden van de heer Wolfsen dat een dag te vroeg moet kunnen. De vraag is natuurlijk of de termijn van de dwangsom dan wel gaat lopen, want strikt genomen gaat het systeem ervan uit dat de dwangsom alleen verschuldigd is in het geval dat er een ingebrekestelling is verzonden nadat de termijn is afgelopen.

De heer Wolfsen: Dank voor deze precisering. Dat zal inderdaad het geval zijn. Je ziet het ook wel eens bij mensen die te vroeg in beroep gaan, terwijl de termijn nog niet loopt, dan blijven de termijnen ook intact. Als mensen te vroeg schrijven, gaat de dwangsom niet eerder lopen dan na die veertien dagen.”

(Kamerstukken 29934, Handelingen II, 2005/06, 80, p. 4981-4982).

2.13.5.

De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat het niet zo is dat in alle gevallen een één dag te vroeg ingestuurde ingebrekestelling als tijdig moet worden beschouwd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dat in dit geval wel te doen, omdat belanghebbende door het hoorgesprek op 18 december 2014 redelijkerwijs kon menen dat vaststond dat de uitspraaktermijn met meer dan veertien dagen zou worden overschreden. In zoverre trekt de rechtbank een parallel met het bepaalde in artikel 6:10 van de Awb.

2.13.6.

De inspecteur heeft de uitspraken op bezwaar gedaan op 30 januari 2015 en daarbij geen dwangsom toegekend. De rechtbank beschouwt dat als een besluit tot het niet toekennen van een dwangsom waarover zij in beroep kan beslissen (artikel 4:19 Awb). De eerste dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van uitspraken is verstreken, is 13 januari 2015. Gelet op de datum van de uitspraken op bezwaar van 30 januari 2015 waren er toen 17 dagen verstreken. De inspecteur is dan een dwangsom verschuldigd van € 370 (14 dagen a € 20 en 3 dagen a € 30 (artikel 4:17, tweede lid, van de Awb)). Het beroep is in zoverre gegrond.

2.14.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de naheffingsaanslag en de verzuimboete en gegrond voor zover het betrekking heeft op de dwangsom.

2.15.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 248 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank merkt de zaak aan als zeer licht nu het beroep uitsluitend gegrond is wegens de toekenning van een dwangsom. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch aannemelijk gemaakt. Er bestaat geen recht op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase nu de uitspraken op bezwaar niet zijn vernietigd.

Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.