Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:871

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
AWB 15_5688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:2867, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/5688 WW

uitspraak van 9 februari 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: [gemachtigde eiser] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 augustus 2015 (bestreden besluit) van het UWV inzake de korting van het (pre)pensioen op zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was in dienst van de [werkgever] (werkgever). Hij heeft per 1 maart 2015 de omvang van zijn dienstbetrekking met 10% teruggebracht tot een werktijdfactor van 0,9. Eiser heeft per 1 maart 2015 10% van het ABP-keuzepensioen opgenomen. De arbeidsovereenkomst tussen eiser en zijn werkgever is ontbonden per 1 april 2015.

Bij besluit van 23 maart 2015 heeft het UWV aan eiser een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 april 2015. De WW-uitkering is gebaseerd op een gemiddeld aantal uren van 33 uur per week. Het dagloon is door het UWV bepaald op € 156,06.

Eiser heeft in mei 2015 een herzieningsverzoek ingediend. In dit herzieningsverzoek vraagt eiser om het dagloon te herzien en vast te stellen op € 170,61. Daarnaast is de gemiddelde betrekkingsomvang gedurende de referteperiode van 26 weken volgens eiser 36,25 uur. Eiser heeft daarom het UWV gevraagd om de omvang van de werkloosheid vast te stellen op 36,25 uur.

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het UWV de WW-uitkering van eiser herzien. Het besluit van 23 maart 2015 komt te vervallen. Eiser krijgt met ingang van 1 april 2015 een WW-uitkering. De WW-uitkering is gebaseerd op een gemiddeld aantal uren van 37 uur per week. Eisers dagloon bedraagt € 173,70. Daarnaast heeft het UWV besloten om de maandelijkse bruto pensioeninkomsten in mindering te brengen op eisers WW-uitkering.

Op 16 juni 2015 heeft het UWV een beslissing genomen die gelijkluidend is aan het besluit van 9 juni 2015. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing van 16 juni 2015.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de beslissing van 16 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van het UWV van 16 juni 2015. Deze beslissing kan echter niet worden aangemerkt als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het niet is gericht op enig rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is immers al ingetreden met de (gelijkluidende) beslissing van 9 juni 2015. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat het bezwaar geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 9 juni 2015. Nu er ten aanzien van dit besluit sprake is van een ontvankelijk bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep verder inhoudelijk te beoordelen.

3. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiser heeft per 1 maart 2015 de omvang van zijn dienstbetrekking met 10% teruggebracht tot een werktijdfactor van 0,9. Eiser heeft per 1 maart 2015 10% van het ABP-keuzepensioen opgenomen. Eisers dienstbetrekking is beëindigd per 1 april 2015. Eisers werkloosheid treedt in binnen zes maanden na de eerdere urenvermindering. De eerdere urenvermindering is daarom van invloed op de latere werkloosheid. Om deze reden is de uitzondering in artikel 3:5, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Inkomensbesluit) niet van toepassing. Het (pre)pensioen dient derhalve op de WW-uitkering in mindering te worden gebracht.

4. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Artikel 3:5 van het Inkomensbesluit stelt als enige voorwaarde dat het pensioen voor de uitkering van de werkloosheid moet worden ontvangen en dat het betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. De interpretatie van het UWV dat het eerdere arbeidsurenverlies geheel los moet staan van het latere verlies waaruit recht op een WW-uitkering is ontstaan, blijkt uit niets. Eiser verwijst verder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2014:3504). Daarnaast heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een beslissing van het UWV in een andere zaak.

5. Op grond van artikel 34 van de WW wordt inkomen geheel in mindering gebracht op de uitkering. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen wordt verstaan.

6. Artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit bepaalt dat tot het inkomen wordt gerekend een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Op grond van artikel 3:5, derde lid, van het Inkomensbesluit wordt niet tot het inkomen gerekend de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

7. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 3:5, derde lid, van het Inkomensbesluit blijkt dat het artikel is bedoeld voor de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van de werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geding is dat als er WW-uitkering wordt gevraagd voor het volledige aantal uren het prepensioen wel in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering.

8. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij in zijn herzieningsverzoek niet heeft gevraagd om een WW-uitkering voor het volledige aantal uren, maar voor 36,25 uur. Volgens eiser gaat het weliswaar om een miniem verschil, maar het volledige aantal uren bedraagt 36,86 uur. Nu eiser heeft gevraagd om een WW-uitkering voor de resterende uren, is hij van mening dat het prepensioen niet in mindering mag worden gebracht op zijn uitkering.

9. Volgens het UWV is eisers recht op uitkering op 1 april 2015 ontstaan door de samentelling van het niet-relevante verlies van 3,69 uur per 1 maart 2015, met het resterende verlies van 33,17 uur per 1 april 2015. Dit is in totaal 36,86 uur, afgerond 37 uur. Ter zitting heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat aan eiser een WW-uitkering is toegekend voor het volledige aantal uren (37 uur). De omvang van het recht is volgens het UWV niet door eiser bestreden en valt dan ook buiten de omvang van het geding.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn herzieningsverzoek weliswaar heeft gevraagd om een WW-uitkering voor 36,25 uur, maar dat aan hem een WW-uitkering is toegekend voor 37 uur (36,86 uur). De omvang van het recht is geen onderwerp van geschil geweest tussen partijen. Pas ter zitting heeft eiser gewezen op zijn oorspronkelijke verzoek.

Dit is tardief aangevoerd. Met het UWV is de rechtbank daarom van oordeel dat de omvang van het recht (37 uur) buiten de omvang van het geding valt. De rechtbank zal dit recht in deze procedure dan ook als een vaststaand gegeven beschouwen. Nu aan eiser een WW-uitkering voor 37 uur is toegekend, dient het prepensioen op zijn uitkering in mindering te worden gebracht. Dit volgt immers uit artikel 3:5, derde lid, van het Inkomensbesluit. Het beroep van eiser kan op dit punt niet slagen.

11. Eiser heeft nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Het UWV heeft in zijn brief van 17 december 2015 op dit punt gereageerd. Volgens het UWV was er in eerste instantie geen sprake van gelijke gevallen, en voor zover daarvan inmiddels wel sprake zou zijn, is dat het gevolg van een incidentele en niet nadrukkelijk beoogde onjuiste wetstoepassing. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van het UWV, zodat het beroep van eiser op dit punt evenmin kan slagen.

12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.