Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:868

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
AWB- 16_787 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet, softdrugs, sluiting woning.

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het gestelde belang bij schorsing van het bestreden besluit is onvoldoende, omdat verzoekster niet meer woonachtig is in de woning en deze grotendeels leegstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/787 WET VV

uitspraak van 18 februari 2016 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de burgemeester van de gemeente Etten-Leur, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2016 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van haar woning per 12 februari 2016 voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 februari 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is eigenaresse van de woning aan de [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] .

Nadat op 10 maart 2015 in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij met 304 planten is aangetroffen, heeft de burgemeester verzoekster een formele waarschuwing gegeven waarin kenbaar is gemaakt dat bij een volgende overtreding overwogen zal worden om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.

Op 17 december 2015 is in de woning wederom een in werking zijnde hennepkwekerij met 121 planten en 215 hennepstekken aangetroffen.

Bij besluit van 4 februari 2016 (primair besluit) heeft de burgemeester verzoekster gelast de woning te sluiten voor een periode van drie maanden met ingang van 12 februari 2016.

Bij brief van 8 januari 2016 heeft de burgemeester verzoekster medegedeeld voornemens te zijn om gebruik te maken van haar bevoegdheid om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, inhoudende dat de woning voor de duur van drie maanden moet worden gesloten en afgesloten moet worden gehouden.

Bij brief van 21 januari 2016 heeft verzoekster haar zienswijze over het voornemen kenbaar gemaakt. Zij heeft zich samengevat op het standpunt gesteld dat gelet op haar bijzondere situatie moet worden afgeweken van het door de burgemeester gehanteerde beleid voor toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet.

De burgemeester heeft in de zienswijze van verzoekster geen aanleiding gezien om af te wijken van haar voornemen. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekster gelast om de woning te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden met ingang van 12 februari 2016.

2. Verzoekster heeft, samengevat en mede onder verwijzing naar de zienswijze, aangevoerd dat de burgemeester op grond van bijzondere omstandigheden van haar beleid kan afwijken. In het geval van verzoekster is sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat de burgemeester van woningsluiting had dienen af te zien. Daartoe voert verzoekster aan dat zij door het bestreden besluit voor de derde keer het slachtoffer wordt van omstandigheden waar zij geheel buiten haar schuld in verzeild is geraakt. Doordat anderen misbruik hebben gemaakt van haar psychische toestand, haar kinderen zijn vermoord en de financiƫle situatie waarin zij verkeerde, is zij een slachtoffer. Verzoekster wil het dramatische verleden zo snel mogelijk achter zich laten en zich richten op een nieuw leven. Indien de woning wordt gesloten voor een duur van drie maanden kan verzoekster al die tijd de woning niet verkopen en blijft het leed haar achtervolgen.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de burgemeester bezwaar tegen het bestreden besluit aanhangig is, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing op dat bezwaar. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandig spoedeisend belang bij een te treffen voorlopige voorziening.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit strekt tot het per 12 februari 2016 sluiten van de woning voor de duur van drie maanden. De spoedeisendheid van de gevraagde voorziening heeft verzoekster onderbouwd door te stellen dat zij het leedtoevoegend karakter van het besluit wil voorkomen en dat zij het dramatische verleden zo snel mogelijk achter zich wil laten en zich wil richten op een nieuw leven.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster vanaf 22 januari 2016 niet meer woonachtig is aan de [adres verzoekster] . Uit de stukken blijkt verder dat verzoekster in gesprek is met een makelaar teneinde de woning zo spoedig mogelijk te verkopen. Vooruitlopend op de verkoop van de woning heeft eiseres deze inmiddels grotendeels leeggehaald.

Nu verzoekster niet meer woonachtig is in de woning en deze grotendeels leegstaat is, acht de voorzieningenrechter het gestelde belang bij schorsing van het bestreden besluit onvoldoende spoedeisend voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Op grond van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M.B. van Overdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.