Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8526

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
C/02/316937 FA RK 16-3562
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag, wijziging geslachtsnaam en wijziging voornaam. De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader toe en wijzigt de geslachtsnaam van de minderjarigen van de geslachtsnaam van de vader naar de geslachtsnaam van de stiefvader. De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van de voornaam van de minderjarige af, nu er geen sprake is van een zwaarwegend belang om de tweede voornaam van de minderjarige te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugdrecht

Locatie Breda

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/316937 FA RK 16-3562

20 december 2016

beschikking betreffende gezamenlijk gezag, wijziging geslachtsnaam en wijziging voornaam

in de zaak van

[moeder] EN

[stiefvader] ,

wonende te Breda,

hierna te noemen de moeder en de stiefvader,

advocaat mr. P.F.M. Gulickx,

en

[vader] ,

wonende op een onbekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen de vader.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2013;

- het op 13 juni 2016 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- de brief van de griffier van de rechtbank van 14 september 2016 aan de moeder en de stiefvader;

- de oproeping van de griffier van deze rechtbank van de vader in de Staatscourant van 28 september 2016;

- de uittreksels uit het gezagsregister betreffende na te noemen minderjarigen;

- de op 23 november 2016 ontvangen brief met bijlagen van de advocaat van de moeder en de stiefvader;

- het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2016.

Ter terechtzitting is aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

2 De verzoeken

De moeder en de stiefvader verzoeken de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

- dat de moeder en de stiefvader gezamenlijk het gezag over de hierna te noemen minderjarigen zullen uitoefenen;

- dat de geslachtsnaam van de minderjarigen zal worden gewijzigd in [achternaam stiefvader] ;

- dat de voornaam [naam miderjarige] wordt verwijderd en dat zijn voornamen voortaan zullen luiden [nieuwe naam minderjarige]

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat, op grond van de stellingen en overgelegde stukken, het hierna vermelde vast.

- De moeder en de vader hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren de minderjarigen:

1. [minderjarige 1] [geboortedatum] 2011,

2. [minderjarige 2] [geboortedatum] 2009,

3. [minderjarige 3] [geboortedatum] 2007.

- Bij beschikking van 14 februari 2013 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 3] voortaan aan de moeder alleen toekomt.

- De moeder heeft alleen het gezag over [voornaam minderjarige 3] .

- De moeder en de stiefvader zijn op 7 augustus 2015 met elkaar getrouwd.

3.2

De moeder en de stiefvader en de Raad hebben ter terechtzitting hun standpunten nader toegelicht. Op de standpunten van de moeder, de stiefvader en de Raad wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen via het bekende adres in de Basisregistratie Personen en via een bericht in de Staatscourant, niet ter zitting verschenen.

Wijziging gezag

3.3

In aanmerking genomen de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting overweegt de rechtbank als volgt. De moeder en de stiefvader verzoeken de rechtbank te bepalen dat zij gezamenlijk het gezag over de minderjarigen zullen uitoefenen.

Op grond van artikel 1:253t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Blijkens artikel 1:253t lid 2 BW kan dit verzoek slechts worden toegewezen in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, indien:

a. (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel253t/lid2/onderdeela) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel253t/lid2/onderdeelb) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Het verzoek wordt slechts afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (artikel 1:253t lid 3 BW).

Geconstateerd wordt dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staat. Onweersproken is gebleken dat de stiefvader en de moeder sinds november 2013 samenwonen. De stiefvader verzorgt en voedt de minderjarigen vanaf dat moment als behorende tot zijn gezin samen met de moeder op. Geconstateerd wordt dat de moeder sinds 14 februari 2013 alleen met het gezag over de minderjarigen is belast. Nu naar het oordeel van de rechtbank aan de formele vereisten is voldaan en nu niet is gebleken van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de belangen van de minderjarigen mede in het licht van de belangen van de andere ouder zouden worden geschaad, zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader tot verkrijging van het gezamenlijke gezag over de minderjarigen toewijzen.

Wijziging geslachtsnaam

3.4

Voorts verzoeken de moeder en de stiefvader primair dat de geslachtsnaam van de minderjarigen zal worden gewijzigd in [achternaam stiefvader] . Ter zitting hebben de moeder en de stiefvader de rechtbank subsidiair verzocht te bepalen dat de geslachtsnaam van de minderjarigen zal worden gewijzigd in [achternaam moeder] .

De rechtbank overweegt als volgt. Toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag houdt niet automatisch in dat ook het verzoek tot geslachtsnaamswijziging wordt toegewezen. Op grond van artikel 1:253t lid 5 BW kan het eerstgenoemde verzoek van de moeder en de stiefvader vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien:

a. (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel253t/lid5/onderdeela) het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;

b. (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel253t/lid5/onderdeelb) het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c. (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel253t/lid5/onderdeelc) het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

Nu de minderjarigen de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt en het verzoek van de moeder en de stiefvader ten aanzien van het gezamenlijk gezag wordt toegewezen, zal de rechtbank de vraag dienen te beantwoorden of het belang van de minderjarigen zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van de moeder en de stiefvader. De beoordeling of dit het geval is berust op een afweging van de omstandigheden, bij welke afweging aan het belang van de minderjarigen groot gewicht moet worden toegekend (HR 24 januari 2003, ECLI:HR:2003:AF0204).

De rechtbank stelt voorop dat de geslachtsnaam van een persoon tot diens identiteits- en

afstammingskenmerken, die altijd bij hem blijven, behoort, ook na de periode gedurende welke die persoon afhankelijk is van zijn verzorgers. Indien het verzoek om geslachtsnaamwijziging een minderjarig kind betreft, zijn de belangen van het gezin waarin dat kind opgroeit in beginsel ondergeschikt aan het belang van dat kind bij het behoud van zijn identiteit. Lichtvaardige aantasting van het recht op de geslachtsnaam van een minderjarig kind verdraagt zich niet met diens belang. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in beginsel terughoudend met een geslachtsnaamwijziging dient te worden omgegaan. Met name geldt dit in gevallen, waarin het gaat om het wijzigen van de geslachtsnaam van een minderjarige in die van de gezagdragende nieuwe partner van één van de ouders. Hoewel de identiteit van kinderen mede wordt gevormd door de verbondenheid met degene(n) die voor hen zorgt of zorgen, is een ander belangrijk facet van die identiteit gelegen in de wortels van het kind. Onverlet het vorenstaande kan onder omstandigheden een wijziging van de geslachtsnaam in het belang van de minderjarige zijn.

De rechtbank stelt vast dat onweersproken is gebleken dat er sinds februari 2012 geen contact meer is geweest tussen de vader en de minderjarigen. De minderjarigen waren op dat moment 1, 2 en 4 jaar oud en hebben naar het oordeel van de rechtbank dan ook slechts een beperkte band of hechting met de vader kunnen opbouwen. Zij kunnen zich derhalve maar zeer beperkt identificeren met de vader. De ouders zijn vanaf halverwege 2005 tot begin 2012 samen geweest. Bij de vader was sprake van persoonlijke problematiek. Nadat de vader is vertrokken hebben de minderjarigen rust gevonden. Vanaf november 2013 wonen de moeder en de stiefvader samen en worden de minderjarigen door hen beiden opgevoed. De minderjarigen hebben derhalve een groot deel van hun leven samengeleefd met de stiefvader en worden ook door hem verzorgd en opgevoed. De minderjarigen zien in de stiefvader een vaderfiguur. [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 3] gebruiken sinds 2012 de achternaam van de moeder. [voornaam minderjarige 3] gebruikt de achternaam van de stiefvader. Zij kennen naar de rechtbank begrijpt de geslachtsnaam [achternaambiologische vader] niet. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire verzoek van de moeder en de stiefvader om wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen in [achternaam stiefvader] dient te worden toegewezen.

De rechtbank merkt hierbij wel op dat de moeder en de stiefvader ter zitting hebben verklaard dat de vader altijd de vader van de minderjarigen zal blijven, maar dat over de achtergrond van de minderjarigen niet wordt gesproken. Indien de minderjarigen vragen naar de vader, zal worden aangegeven hoe de moeder over de vader denkt, aldus de moeder. De minderjarigen vragen niet naar de vader. Teneinde een goede identiteitsontwikkeling mogelijk te maken en de minderjarigen in staat te stellen goed groot te groeien, dienen de minderjarigen op de hoogte te worden gebracht van hun afstamming. In de jurisprudentie (HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452) is vastgesteld dat uit het recht op private life (artikel 8 EVRM), in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, eveneens voortvloeit dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02 (Phinikaridou/Cyprus)). Dat recht is tevens gewaarborgd in de artikel 7 en 8 IVRK. Artikel 1:247 lid 1 BW bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2). Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). De rechtbank geeft de moeder, net als overigens de Raad, nadrukkelijk mee dat zij de minderjarigen deze informatie dient te geven. De vader is en blijft de (biologische) vader van de minderjarigen. Zijn bestaan dient dan ook niet te worden verloochend. En de moeder dient er voor te waken dat zij de minderjarigen niet belast met haar persoonlijke ervaringen met de vader. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de moeder en de stiefvader zich ervan bewust dienen te zijn dat zij actief statusvoorlichting dienen te verlenen. Indien nodig, kunnen de moeder en de stiefvader hierbij worden ondersteund door een professional.

Wijziging voornaam [voornaam minderjarige 3]

3.5

De moeder en de stiefvader verzoeken de rechtbank tot slot te bepalen dat de tweede voornaam [naam miderjarige] wordt verwijderd en dat zijn voornamen voortaan zullen luiden [nieuwe naam minderjarige]

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:4 BW bepaalt dat een ieder de voornamen heeft die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven (lid 1) en dat wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan worden gelast door de rechtbank (lid 4). De rechtbank dient allereerst te beoordelen of er een voldoende zwaarwichtig belang bij de inwilliging van een verzoek tot voornaamswijziging is. Indien deze vraag door de rechtbank bevestigend wordt beantwoord, dient te worden nagegaan of de gevraagde naam geoorloofd is in het perspectief van de eisen van artikel 1:4 lid 2 BW.

De moeder en de stiefvader hebben aangevoerd dat er sprake is van een zwaarwegend belang om de tweede voornaam [tweede naam] te schrappen, omdat [voornaam minderjarige 3] in de stiefvader een vaderfiguur ziet en een emotionele band met hem heeft. De naam [tweede naam] roept bij [voornaam minderjarige 3] negatieve herinneringen aan zijn biologische vader op. De vader keek niet om naar de minderjarigen en bemoeide zich niet met hun verzorging. De moeder geeft aan dat zij, naast [voornaam minderjarige 3] , ook negatieve associaties heeft ten aanzien van de vader. De naam [tweede naam] wordt door beiden als onprettig ervaren en wordt niet langer meer gebruikt om de vader te eren.

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat [voornaam minderjarige 3] , mede gelet op zijn leeftijd, een negatieve herinnering heeft aan de tijd dat de vader nog in het gezin woonde en dat [voornaam minderjarige 3] hinder ondervindt van zijn voornaam. Hierbij heeft tevens te gelden dat de moeder ter zitting heeft onderkend dat het ook háár wens is om de naam van [voornaam minderjarige 3] te wijzigen en dat [voornaam minderjarige 3] geen last heeft van zijn tweede voornaam in het dagelijkse leven. [voornaam minderjarige 3] gebruikt in het dagelijkse leven alleen zijn eerste voornaam. Hierbij weegt de rechtbank tevens mee dat onvoldoende is gebleken dat het gebruik van de voornaam voor de vrouw dusdanig traumatiserend is dat dit een zware wissel trekt op de psychische gesteldheid van de vrouw. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een zwaarwegend belang om de tweede voornaam van [voornaam minderjarige 3] te verwijderen. De rechtbank geeft ook op dit punt iets aan de moeder mee. De moeder, en zij het in mindere mate ook de stiefvader, heeft veel invloed op eventuele negatieve associaties die [voornaam minderjarige 3] zou kunnen krijgen bij zijn tweede voornaam [tweede naam] Zorgvuldigheid in dat kader is geboden, in het belang van [voornaam minderjarige 3] . Hij zou hier niet mee belast moeten worden.

3.6

Nu de ouders een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de moeder en de stiefvader voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarigen

1. [minderjarige 1] 4 februari 2011,

2. [minderjarige 2] 21 juni 2009,

3. [minderjarige 3] 7 november 2007;

wijzigt de geslachtsnaam van voornoemde minderjarigen van [achternaambiologische vader] in [achternaam stiefvader] ;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Huiskamp, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016 in tegenwoordigheid van mr. Saelman, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.