Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8497

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
C/02/311465 / HA ZA 16-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersrecht. Aansprakelijkheid gemeente voor ongeval. Fietser is tegen een stalen, rood-wit geblokt paaltje gereden en daarbij ten val gekomen. Paaltje was volgens fietser niet goed zichtbaar en voor de aanwezigheid was onvoldoende gewaarschuwd. Volgens de rechtbank voldeed het paaltje en de plaatsing ervan aan de te stellen eiser, gezien de omstandigheden. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/117
AR 2017/1138
PS-Updates.nl 2017-0227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/311465 / HA ZA 16-102

Vonnis van 7 december 2016

in de zaak van

[eiser]

wonende te Goes,

eiser,

advocaat mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GOES,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juni 2016 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van de op 29 september 2016 gehouden comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van een ongeval op 6 juli 2014 geleden en te lijden schade, vermeerderd met kosten.

2.2.

De gemeente voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

  1. Op 6 juli 2014 om ongeveer 09.00 uur is [eiser] (geboren op 16 januari 1938), rijdende op zijn racefiets, in aanraking gekomen met een stalen, rood-wit gekleurd paaltje. [eiser] reed (alleen) over het fietspad dat via een tunnel onder de Ringbaan Oost te Goes doorgaat en, gezien vanuit de rijrichting van [eiser] , uitkomt op de hoek van de Bosdijklaan en de Oude Singel in een woonwijk van Goes. Juist voor het einde van het fietspad komt een ander fietspad aan de rechterzijde uit op het fietspad waarop [eiser] reed. Het fietspad waarop [eiser] reed is bestemd voor fietsverkeer in twee richtingen en heeft een onderbroken witte streep in het midden. Het paaltje waar [eiser] mee in aanraking is gekomen, bevond zich in het midden van het fietspad, gezien vanuit de rijrichting van [eiser] aan het eind van het fietspad, op de scheiding van het fietspad met de Bosdijklaan en de Oude Singel. Het paaltje werd (in beide rijrichtingen) ingeleid door een witte, naar het paaltje toe uitwijkende ononderbroken streep van ongeveer 1,5 meter lang. Op dezelfde hoogte van het paaltje bevonden zich direct naast het wegdek van het fietspad eveneens paaltjes. Fietsers die vanaf het fietspad de Bosdijklaan/Oude Singel willen oprijden, dienen voorrang te verlenen aan het op de Bosdijklaan/Oude Singel rijdende verkeer. Op het wegdek van de Bosdijklaan/Oude Singel bevinden zich in verband daarmee haaientanden.

  2. Als gevolg van de aanrijding met het paaltje is [eiser] van zijn fiets gevallen en heeft hij letsel opgelopen.

  3. De gemeente beheert het fietspad. Na het ongeval heeft zij het paaltje een tiental meters naar achteren verplaatst.

  4. [eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering op artikel 6:174 BW dan wel artikel 6:162 BW. Daartoe voert [eiser] aan dat het paaltje niet goed zichtbaar was en op een gevaarlijke plaats stond, terwijl fietsers voor de aanwezigheid van het paaltje onvoldoende werden gewaarschuwd. Volgens [eiser] was het paaltje grotendeels rood en viel er schaduw van omliggende bomen op het paaltje waardoor het paaltje niet goed zichtbaar was. Verder was het paaltje volgens [eiser] verkleurd en vies waardoor het eveneens minder goed zichtbaar was. De verkeerssituatie ter plaatse is onoverzichtelijk omdat het fietspad uitkomt op een “autorijbaan” en een ander fietspad ter plekke uitkomt op het fietspad waarop [eiser] reed. De aandacht van fietsers die bij het einde van het fietspad de Oude Singel naderen, is daarom gericht op eventueel naderend verkeer waardoor het paaltje eenvoudig over het hoofd wordt gezien, zo stelt [eiser] . [eiser] stelt verder dat het fietspad onder meer wordt gebruikt door racefietsers die in groepen plegen te fietsen met een relatief hoge snelheid, waardoor het gevaar bestaat dat fietsers in zo’n groep het paaltje eveneens over het hoofd zien. Met verwijzing naar de aanbevelingen van CROW-Fietsberaad (‘Keuzeschema sanering palen op fietspaden’, december 2014) stelt [eiser] dat een ribbelmarkering van ten minste vijf meter nodig was geweest om het paaltje in te leiden en fietsers attent te maken op de aanwezigheid van het paaltje. Volgens [eiser] beveelt CROW aan paaltjes die wegens schaduw niet goed zichtbaar zijn voor minimaal de helft wit te maken. Verder stelt [eiser] dat CROW aanbeveelt om de paaltjes te plaatsen op plekken waar over een afstand van 15 tot 10 meter voor en na de verkeerspaaltjes geen verstoringen mogen zijn, zoals kruispunten of overgangen in het profiel. In ieder geval had de gemeente volgens [eiser] een waarschuwingsbord moeten plaatsen die fietsers attent maakt op de aanwezigheid van het paaltje. Bij het een en ander wijst [eiser] erop dat het paaltje zonder noodzaak was geplaatst. Om te voorkomen dat auto’s van het fietspad gebruik maken, volstonden volgens [eiser] de paaltjes die naast het fietspad waren geplaatst.

3.3.

De gemeente bestrijdt dat het fietspad met het fietserspaaltje gebrekkig was en dat zij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Zij beroept zich op eigen schuld van [eiser] .

3.4.

Artikel 6:174 lid 1 BW bepaalt dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt aansprakelijk is, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel rust de aansprakelijkheid bij openbare wegen als het fietspad waarop [eiser] reed op de gemeente als wegbeheerder. Op grond van het zesde lid van voornoemd artikel dient ook het paaltje op het fietspad onder de openbare weg te worden begrepen.

3.5.

Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Zie HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236.

3.6.

Wat de functie van het paaltje betreft, heeft de gemeente aangevoerd dat het paaltje aan het begin van het fietspad is geplaatst om fietsers die het fietspad vanaf de Bosdijklaan/Oude Singel oprijden en fietsers die het fietspad daar verlaten van elkaar te scheiden en dat het paaltje daarnaast is bedoeld om auto’s die het fietspad als sluiproute willen gebruiken te weren. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het paaltje de gestelde functies had. De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan de stelling van [eiser] dat de paaltjes die direct naast het fietspad zijn geplaatst volstonden om sluipverkeer tegen te gaan. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat auto’s het fietspad kunnen oprijden indien er een doorgang is van 1,40 meter. Ter zitting heeft [eiser] naar voren gebracht dat het fietspad “ongeveer 1,50 à 1,60 of 1,80 meter” breed is. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het fietspad 1,50 meter breed is – volgens de gemeente is de breedte ongeveer 2,5 meter – dan kunnen auto’s derhalve gebruik maken van het fietspad en zijn de paaltjes aan de zijkant van het fietspad onvoldoende om sluipverkeer tegen te gaan. Anders dan [eiser] heeft betoogd, oordeelt de rechtbank derhalve dat het paaltje op de plaats waar het stond een functie had. Zoals de gemeente terecht naar voren heeft gebracht, diende het paaltje daarmee tevens ter bevordering van de veiligheid van het fietsverkeer dat van het fietspad gebruik maakt.

3.7.

De gemeente heeft foto’s overgelegd van de situatie ter plaatse van het paaltje ten tijde van het ongeval en heeft betwist dat de verkeerssituatie onoverzichtelijk is en het paaltje niet goed zichtbaar. De rechtbank overweegt dat op de foto’s te zien is dat de verkeerssituatie ter plekke, ondanks de door [eiser] genoemde omstandigheden, overzichtelijk is en dat fietsers die uit de richting van [eiser] komen eventueel verkeer op de Bosdijklaan/Oude Singel of van rechts komende fietsers van enige afstand kunnen zien aankomen. Als onweersproken staat bovendien vast dat de Bosdijklaan/Oude Singel in een woonwijk van Goes liggen, waar geen intensief autoverkeer plaatsvindt. Voorts is op de foto’s te zien dat het paaltje, ook omdat dit als het ware een rij vormt met de paaltjes die aan de zijkant van het fietspad staan, duidelijk zichtbaar is. Daaraan doen de door [eiser] gestelde omstandigheden (voornamelijk rode kleur van het paaltje, verkleuring, schaduw, viezigheid op het paaltje) niet af. De rechtbank verwerpt mitsdien de stelling van [eiser] dat de verkeerssituatie ter plaatse onoverzichtelijk is en dat het paaltje voor fietsers die gebruik maken van het fietspad niet goed zichtbaar is. [eiser] heeft zijn stelling dat het paaltje wegens de verkeerssituatie ter plaatse eenvoudig over het hoofd kan worden gezien onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank die stelling passeert.

3.8.

De wegbeheerder dient bij de inrichting van de weg te beseffen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Zie HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547. De gemeente mocht er in het onderhavige geval evenwel van uitgaan dat fietsers als [eiser] die het einde van het fietspad en de voorrangsweg Oude Singel/Bosdijklaan naderen, hun blik op de weg voor zich zouden richten en daarmee het paaltje tijdig zouden opmerken. Daarbij komt dat, naar de gemeente onweersproken heeft gesteld, paaltjes als die waartegen [eiser] is aangereden, aan het begin of eind van een fietspad, in Nederland (en Goes) niet ongebruikelijk zijn.

3.9.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er met enige regelmaat ongelukken gebeuren doordat fietsers tegen paaltjes op een fietspad aanrijden. Dat is ook de reden dat CROW aanbevelingen heeft gedaan ten aanzien van het plaatsen van paaltjes op fietspaden. Aangenomen moet worden dat, zoals [eiser] met verwijzing naar de aanbevelingen van CROW stelt, de gemeente meer had kúnnen doen om fietsers, die niet steeds de vereiste voorzichtigheid in acht nemen en bijvoorbeeld hun blik even naar beneden hebben gericht, te waarschuwen voor de aanwezigheid van het paaltje, bijvoorbeeld door het aanbrengen van ribbelmarkering of langere inleidende belijning op het wegdek. Het een en ander brengt evenwel nog niet mee dat het fietspad in dit geval niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen dan wel dat de gemeente in dit geval onrechtmatig handelt. Niet iedere kans op schade brengt mee dat de gemeente bij verwezenlijking van zo’n kans aansprakelijk is.

3.10.

De hiervoor onder 3.5. genoemde factoren, zoals hierboven uitgewerkt, tegen elkaar afwegende, oordeelt de rechtbank dat het fietspad met het paaltje in dit geval voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en derhalve niet gebrekkig was als bedoeld in artikel 6:174 BW, terwijl de gemeente ook niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat de kans op ongevallen in de gegeven situatie zo groot was dat de gemeente het paaltje ter plekke niet had mogen neerzetten of de fietsers anders dan zij heeft gedaan had moeten waarschuwen voor de aanwezigheid daarvan. Dat de gemeente het paaltje na het ongeval iets verder naar achteren heeft verplaatst – volgens de gemeente ten behoeve van de fietsers die van het fietspad gebruik maken dat uitkomt op het fietspad waar [eiser] op reed –, maakt dit niet anders.

3.11.

De vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij in de kosten van het geding worden veroordeeld, aan de zijde van de gemeente tot heden begroot op € 619,00 aan verschotten en € 904,00 aan salaris (2 punten tariefgroep II).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente begroot op € 619,00 aan verschotten en € 904,00 aan salaris;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2016.1

1 type: coll: