Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:847

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
02/800190-15 en 02/665539-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:555, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor

1) ronselen voor IS in Syrië door het aanspreken en opzoeken van een minderjarige asielzoeker,

2) witwassen van een substantieel geldbedrag van 56.325 euro dat veroordeelde op Schiphol bij zich had op reis naar Egypte met eindbestemming Jemen en

3) bijstandsfraude door het bezit van dit geldbedrag alsmede zijn genoten vakanties niet op te geven aan de uitkeringsinstantie.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02/800190-15 en 02/665539-15 (gevoegd ter terechtzitting)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [datum en plaats] ,

thans verblijvende in de PI Vught te Vught,

raadsman mr. Kizilicak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Hendriks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De heer [naam deskundige] van Reclassering Nederland is als deskundige gehoord.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

Parketnummer 02/800190-15:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 maart 2015, in elk geval in de periode van 20 februari 2015 tot en met 18 maart 2015 te Tilburg, gemeente Tilburg, in elk geval in Nederland, zonder toestemming van de Koning,

[voornamen] [naam 1 verworven persoon] en/of [naam 2 verworven persoon] en/of [naam 3 verworven persoon] heeft geworven voor de gewapende terroristische strijd, door hen (zakelijk weergegeven)

- te vertellen dat ISIS goed is en/of

- te vertellen dat ze zich aan moeten sluiten bij ISIS en/of

- te vertellen dat ze met hem mee moeten gaan naar Syrië en/of Irak en/of

- te vertellen dat het niet goed voor hen in Nederland is en/of

- te vertellen dat ze Amerikanen zouden gaan vermoorden;

artikel 205, derde lid, Wetboek van Strafrecht

artikel 83b Wetboek van Strafrecht;

art 205 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 02/665539-15:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 65.875,- Euro en/of 225,- GBP) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhulden/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden had/hadden

en/of

een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 65.875,- Euro en/of 225,- GBP) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 31 oktober 2011 tot en met 30 mei 2014 te Den-Haag in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten (volledig) te melden aan de dienst szw (Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten) Gemeente Den-Haag dat hij, verdachte, in voornoemde periode (althans in delen daarvan):

- ( over) vermogen bezat/beschikte en/of heeft bezeten en/of heeft beschikt (te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 100.000 Euro (in contanten)

en/of

- een of meermalen in het buitenland (onder meer Egypte) verbleef en/of heeft verbleven

zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,

terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

art 227b Wetboek van Strafrecht

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 31 oktober 2011 tot en met 30 mei 2014 te Den Haag, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichtingen), heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte (telkens) verzwegen voor en/of nagelaten (volledig) te melden aan de dienst szw (Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten) Gemeente Den Haag dat hij, verdachte, in voornoemde periode (althans in delen daarvan):

  • -

    (over) vermogen bezat/beschikte en/of heeft bezeten en/of heeft beschikt (te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 100.000 Euro (in contanten) en/of

  • -

    een of meermalen in het buitenland (onder meer Egypte) verbleef en/of heeft verbleven.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 02/800190-15:

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard, namelijk voor zover het de zinsnede in de tenlastelegging “en/of tot nog toe onbekend gebleven jongeren” betreft. Het is verdachte met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging niet duidelijk waartegen hij zich moet verweren, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op dit punt voldoende duidelijk is en het verweer dient te worden gepasseerd. Met onbekend gebleven jongeren worden de minderjarige asielzoekers uit het asielzoekerscentrum in Oisterwijk bedoeld, aldus de officier van justitie.

De rechtbank heeft reeds ter terechtzitting als volgt geoordeeld. Het vereiste van een feitelijke omschrijving van hetgeen verdachte wordt verweten, waarborgt dat voor verdachte en de rechtbank duidelijk is welk verwijt aan de verdachte wordt gemaakt. De officier van justitie heeft naast een aantal met name genoemde jongeren ook de zinsnede “en/of tot nog toe onbekend gebleven jongeren” in de tenlastelegging opgenomen. Zowel voor de rechtbank als voor de verdediging is thans onvoldoende duidelijk bepaald op welke jongeren dit deel van de tenlastelegging betrekking heeft. Gelet hierop kan van verdachte niet verwacht worden dat hij zich ten aanzien van betreffende zinsnede op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van de zinsnede “en/of tot nog toe onbekend gebleven jongeren”, niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding is ten aanzien van dit onderdeel dan ook (partieel) nietig verklaard.

De rechtbank verklaart de dagvaardingen voor het overige geldig, zodat deze inhoudelijk kunnen worden behandeld.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 02/800190-15 baseert hij zich onder meer op de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [naam 2 verworven persoon] en in het bijzonder op die van [naam 1 verworven persoon] . Daarnaast baseert de officier van justitie dit op de bij de huiszoeking in de woning van verdachte op 21 maart 2015 aangetroffen tablet met daarop een filmpje van een executie van zeven mannen en ander IS-materiaal.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 02/665539-15 baseert de officier van justitie zich onder meer op het aantreffen van het geldbedrag van ruim € 68.000,= bij verdachte tijdens de controle op Schiphol, het feit dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de hoeveelheid van het geld, de herkomst van het geld en de veelheid van grote coupures van € 500,= die normaliter alleen in het criminele circuit worden gebruikt. Ook de vader van verdachte heeft wisselende verklaringen over de hoogte van het geldbedrag afgelegd en verdachte noch zijn vader zijn met verifieerbare verklaringen over de legale herkomst van het geld gekomen. Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

De officier van justitie is van mening dat voor feit 2 in de primaire variant voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is, gelet op het feit dat verdachte over vermogen beschikte terwijl hij een uitkering had en hij (voor een langere periode) naar het buitenland is gereisd zonder dit op te geven. Dat hij opzet heeft gehad op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken, blijkt volgens de officier van justitie uit de verklaring van verdachte bij de politie dat hij niets over het geld wilde melden, omdat hij een uitkering had en die dan zou kunnen kwijtraken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het feit tenlastegelegd onder parketnummer 02/800190-15 heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat door de politie zeer leidende vragen zijn gesteld, nu aan getuigen de vragen zijn gesteld “wanneer zij de ronselaar hebben gezien” en “hoe zij voor het eerst in contact kwamen met de ronselaar.” Door reeds te spreken over de ronselaar ligt beïnvloeding van getuigen voor de hand en dit druist in tegen de onschuldpresumptie. De verdediging verzoekt de rechtbank met dit vormverzuim rekening te houden.

Verder is ten aanzien van dit feit door de verdediging betoogd dat verdachte bij Kompaan aanwezig was om naar huisvesting te vragen. Voor de overtuiging geldt dat verdachte een timide persoon is die soms angstig is en weinig contact zoekt en dus moeilijk als “ronselaar” kan worden gezien. Alleen [voornamen] [naam 1 verworven persoon] heeft verklaard zelf te hebben gehoord dat verdachte over IS heeft gesproken en over het helpen van IS. Er is dus maar één getuigenverklaring in het dossier die redengevend kan zijn voor het bewijs. Verder zijn er door de politie bij dit verhoor leidende vragen gesteld, hetgeen de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1 verworven persoon] aantast. Ook overigens is de verklaring van [naam 1 verworven persoon] onvoldoende betrouwbaar, nu de andere getuigen slechts zeggen dat verdachte IS sympathisant zou zijn en niet bevestigen dat verdachte met hen over het helpen van IS heeft gesproken. [getuige 3] heeft ook niet bevestigd dat [naam 1 verworven persoon] tegen hem heeft gezegd dat hem zou zijn gevraagd zich aan te sluiten bij ISIS. De verklaring van [getuige 3] komt pas een week later en is minder betrouwbaar vanwege het tijdsverloop. Dan kan er ook nog sprake zijn geweest van een taalbarrière tussen verdachte en [naam 1 verworven persoon] . Het is niet aannemelijk dat verdachte een Yezidi zou benaderen om mee te doen aan de gewapende strijd. Ook kan niet worden uitgesloten dat [naam 1 verworven persoon] de verklaring heeft aangedikt in het kader van zijn gezinsherenigingsprocedure. Door de verdediging is voorts betwist dat verdachte zou hebben gezegd dat [naam 1 verworven persoon] mee moest gaan om Amerikanen te vermoorden (vijfde gedachtestreepje) en dat hij zou hebben gezegd dat hij zich aan moest sluiten bij IS. Uit het getuigenverhoor kan ook begrepen worden dat alleen verdachte zelf zich wilde aansluiten. Het tweede en vijfde gedachtestreepje binnen de tenlastelegging kunnen niet bewezen worden.

Ten slotte is betoogd dat, als de verklaring van [naam 1 verworven persoon] wel voor het bewijs kan worden gebruikt, de genoemde handelingen in de tenlastelegging onder gedachtestreepje één, drie en vier niet onder werven voor de gewapende strijd vallen nu verdachte alleen over het helpen van IS heeft gesproken en dit op meerdere manieren kan gebeuren dan alleen door het voeren en helpen van de gewapende strijd en dus niet is gebleken dat verdachte heeft gevraagd aan de getuige om juist bij de gewapende strijd te helpen.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde feit onder parketnummer

02/665539-15 is door de verdediging in de eerste plaats betoogd dat het bedrag in Britse ponden niet onder de noemer witwassen kan worden geschaard nu dit om een klein bedrag gaat in kleine coupures en verdachte over de herkomst van dit geld een heldere verklaring heeft afgelegd. Verder is betoogd dat verdachte heeft verklaard dat het geld van zijn vader is en dat hij niet wist hoeveel geld het was. De vader van verdachte is alleen telefonisch gehoord. Ten onrechte is het verzoek om de vader nogmaals als getuige te horen op een vorige zitting afgewezen en de vader wordt ook niet wordt vervolgd voor witwassen. Het verhaal van verdachte dat het geld van zijn vader is, is gelet hierop, onvoldoende verifieerbaar. De verdediging heeft (voorwaardelijk) verzocht de vader van verdachte alsnog te horen als getuige, indien de verklaring van de vader in belastende zin voor verdachte bij de bewijsmiddelen wordt betrokken. Verder staat niet vast dat het geld afkomstig is van enig misdrijf. Verdachte dient derhalve van het feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primaire feit voor wat betreft de opzet op het nalaten het geld op te geven. Immers, verdachte had geld dat niet aan hem maar aan zijn vader toebehoorde en hij wist niet dat hij het behoorde op te geven. Hij beheerste de Nederlandse taal onvoldoende en heeft blijkens de verklaring van zijn zus een laag IQ. Ten aanzien van het primaire feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor het tweede gedachtestreepje, het niet opgeven van zijn vakantie. Indien dat onderdeel van de tenlastelegging bewezen kan worden, komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiair tenlastegelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 02/800190-15:

[naam medewerker] , medewerker van Kompaan en De Bocht, heeft bij de politie gemeld dat er op vrijdag 20 februari 2015 en maandag 23 februari 2015 een man bij Kompaan en De Bocht, gevestigd in Tilburg, was geweest. Volgens [naam medewerker] zou de man een paar jongens uit de opvang hebben opgezocht en met hen hebben gesproken over IS. Op vrijdag 27 februari 2015, om 23.05 uur, kwam er een melding binnen bij de politie van [getuige 1] , medewerker van Kompaan en De Bocht, dat de man weer voor de deur stond. [getuige 1] gaf het signalement van een kalende man, ongeveer 1.80m, een flinke baard of sik en lichte kleding.

Op de camerabeelden van Stadstoezicht van 27 februari 2015 werd door een medewerker van Stadstoezicht gezien dat er rond dat tijdstip een man die voldeed aan dat signalement, op de Spoorlaan in Tilburg stond. De Spoorlaan ligt op ongeveer 270 meter van het adres Antoniusstraat 5 te Tilburg, waar Kompaan en De Bocht gevestigd is. Op zondag 1 maart 2015 is er een melding van Kompaan en De Bocht gekomen dat de man weer langskwam en met een rode fiets was vertrokken richting de binnenstad. Op 18 maart 2015 wordt een man aangehouden op een rode fiets, die verdachte blijkt te zijn en hij wordt aan zijn ogen, gezicht huidskleur en baard herkend door de politie als zijnde de man op de camerabeelden van 27 februari 2015.1 [getuige 1] herkent bij een fotobewijsconfrontatie verdachte als de man die meermalen bij hen aan de deur is geweest. 2

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de man twee keer heeft gezien. De eerste keer was op vrijdag 27 februari 2015 en de tweede keer was op 1 maart 2015. Op 27 februari 2015 vroeg de man of de Arabische jongeren thuis waren en hij vroeg specifiek om de jongeren waar hij eerder mee had gesproken. Op 1 maart 2015 kwam de man opnieuw aan de deur. Getuige heeft hem toen gevraagd waar hij voor kwam. De man verklaarde dat hij voor de Arabische jongens en vooral voor de Iraakse jongeren kwam. Hij zei dat hij afscheid wilde nemen van een jongen die binnenkort zou vertrekken. Beide keren is de man niet binnengelaten. [voornaam] [naam 1 verworven persoon] heeft op een ander moment wel met de man gesproken, aldus [getuige 1] .3

[getuige 6] [getuige 7] [getuige 2] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij samen met een ander op straat was, dat hij de man tegenkwam op straat en dat hij uit het niets door de man werd aangesproken. De man wilde mee naar hun huis en toen hebben zij hem meegenomen naar Kompaan en De Bocht. De man heeft met twee jongens gesproken. 4

Getuige [getuige 3] , medewerker bij Kompaan en De Bocht, heeft verklaard dat de man met [getuige 6] meekwam en dat hij met [naam 1 verworven persoon] , [voornaam] , [naam 2 verworven persoon] en [naam 3 verworven persoon] heeft gesproken. [naam 1 verworven persoon] had hem verteld dat de man positief ten opzichte van IS stond en negatief ten opzichte van Amerika. [getuige 3] heeft verklaard dat [naam 1 verworven persoon] degene was die met de man in gesprek was. Dit gesprek had plaatsgevonden op een maandag eind februari 2015. 5

[naam 3 verworven persoon] is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat de man twee keer bij hen is geweest en dat de man in het Arabisch zei dat hij van IS was.67

[voornamen] [naam 1 verworven persoon] is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat de man hem een keer heeft geroepen op straat, dat de man een keer bij Kompaan en De Bocht is geweest en dat hij toen met de man heeft gesproken. De man had hem gezegd dat “ISIS een goede zaak was, dat hij van ISIS houdt en dat hij naar ISIS gaat.” De man had hem gezegd: “We gaan samen terug naar Syrië of Irak.” De man had gezegd dat hij zich ging aansluiten bij ISIS en de man had gezegd: “Kom maar met mij mee naar ISIS toe.” De man zei ook dat hij ging vechten en zei tegen hem; “We gaan Amerikanen vermoorden, we laten niemand daar leven.” 8

[voornaam] [naam 1 verworven persoon] heeft verklaard dat hij bang was.9

De woning van verdachte is doorzocht. Er zijn onder meer diverse mobiele telefoons, diverse simkaarten en een tablet Samsung Galaxy tab in beslag genomen. 10

Op de tablet Galaxy tb3 stonden 41 video’s die zijn bekeken door de politie. Op filmpje 2 staan mannen met bivakmutsen en wapens in de hand en foto’s van overleden mensen. Op filmpje 8 is te zien dat 7 mannen geknield op de grond zaten. Een man zegt een gebed op en zegt meerdere keren “Allah” en “Jihad”. De zeven mannen worden vervolgens doodgeschoten. 11

Tijdens de fouillering van verdachte is er een tablet aangetroffen, die is geregistreerd onder IBN code 15-412-04. Op de tablet stonden videobestanden die zijn uitgegeven door het aan IS gelieerde mediabedrijf Itisaam. 1213

Verdachte heeft tijdens de zitting in raadkamer op 1 april 2015 verklaard dat hij bij Kompaan en De Bocht was geweest14

De rechtbank overweegt als volgt.

Juridisch kader

Ingevolge artikel 205, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt strafbaar gesteld “hij die zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie.”

In het derde lid van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht wordt de in lid 1 bepaalde gevangenisstraf verhoogd indien de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf is als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht.

Met de invoeging van het bestanddeel “gewapende strijd” in het eerste lid van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht werd beoogd ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake is van deelname aan enige groep of samenwerkingsverband. De werving moet daadwerkelijke deelname aan de strijd beogen; enkel financiële ondersteuning valt daar niet onder. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat onder het begrip “strijd” als hiervoor bedoeld ook de “jihad” kan worden begrepen omdat een jihad kan worden geduid als islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitisch geloof – de Koran en de Soenna – staat vermeld. De verwezenlijking van een wereld volgens een bepaald model door het ontplooien van geweldsactiviteiten kan niet anders dan (ook) met ingrijpend geweld worden gerealiseerd, aldus de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de “strijd” zich kenmerkt door de toepassing van ernstig geweld als voornaamste methode om ongeacht welk (geo)politiek, religieus of ideologisch doel te bereiken. Een strijd is volgens de wetgever “gewapend” wanneer de (uiteindelijk) beoogde toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerillasituatie.

De strafmaat is, zo volgt ook uit de wetsgeschiedenis, - onder meer - ingegeven door de verscherpte afkeuring van werven voor de “jihad”, volgens de wetgever een bijzonder kwalijke en bedreigende vorm van rekrutering, een vorm die mogelijk desastreuze gevolgen heeft voor de betrokkene en de mogelijke slachtoffers.

Blijkens de wetgeschiedenis kan onder “werven” worden begrepen: het “bespelen” en het “beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen”. Deze handelingen kunnen vis-a-vis plaatsvinden, maar ook met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite.

Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele werven van personen voor de gewapende (terroristische) strijd. Het komt aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven, op dat moment tegenover de strijd staat en of het werven resultaat heeft of niet. Het werven is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard. Het hoeft hierbij niet te gaan om een concreet verzoek tot deelname aan de gewapende strijd. Het werven zal over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen (maar uitgesloten is dit niet), maar omvat veeleer een geleidelijk proces.

Bewijsoverwegingen

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het werven van personen voor de gewapende strijd.

In dat kader dient de rechtbank allereerst het verweer te bespreken van de verdediging, dat de politie tijdens haar verhoren van de getuigen leidende, suggestieve vragen heeft gesteld waardoor er beïnvloeding van de getuigen heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft daartoe onder ander verwezen naar de pagina’s 75, 114, 395 en 434 in het dossier.

Dit zou in strijd zijn met de onschuldpresumptie en als vormverzuim gekwalificeerd dienen te worden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaringen noch uit het verbatim uitgewerkte getuigenverhoor van [naam 1 verworven persoon] is gebleken van dermate richtinggevende vragen dat daardoor van een onrechtmatige beïnvloeding sprake zou zijn geweest. Ten aanzien van de door de raadsman aangehaalde bladzijden overweegt de rechtbank dat de verklaringen waarnaar de raadsman verwijst niet voor het bewijs zijn gebruikt. Van een vormverzuim is de rechtbank niet gebleken.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat de getuigenverklaringen van [naam 1 verworven persoon] en [naam 3 verworven persoon] , waarop de officier van justitie zich bij zijn bewijsvoering met name heeft gebaseerd, onvoldoende betrouwbaar zijn. Er zou sprake zijn van innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van beide getuigen, de verklaringen zijn niet consistent met elkaar en met hetgeen door andere getuigen achteraf is verklaard over hetgeen zij van de getuigen hebben gehoord over verdachte.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer. Getuige [naam 1 verworven persoon] is tweemaal gedetailleerd gehoord en is tijdens het tweede verhoor bij zijn verklaring zoals afgelegd tijdens het eerste verhoor gebleven. Ook getuige [naam 3 verworven persoon] heeft voldoende duidelijk verklaard over hetgeen hij heeft gehoord. De verklaringen van overige getuigen ondersteunen de verklaringen van [naam 1 verworven persoon] en [naam 3 verworven persoon] op de relevante punten zoals hierboven blijkt uit de aangehaalde bewijsmiddelen.

Het betoog dat het onlogisch zou zijn geweest dat verdachte een Yezidi zou benaderen voor de gewapende strijd en dat getuige [naam 1 verworven persoon] vanwege een gezinsherenigingsprocedure de zaak zou hebben aangedikt, wordt niet gevolgd door de rechtbank nu dit niet is onderbouwd met concrete, objectieve gegevens en niet is gebleken dat verdachte er op het moment van het benaderen van [naam 1 verworven persoon] van op de hoogte was dat [naam 1 verworven persoon] een Yezidi is.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van zowel [naam 1 verworven persoon] als [naam 3 verworven persoon] voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Verdachte is blijkens verklaringen in ieder geval op 20 februari 2015, 23 februari 2015, 27 februari 2015 en 1 maart 2015 bij Kompaan en De Bocht aan de deur geweest. Getuige [getuige 1] , die verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie heeft herkend, heeft verklaard dat verdachte op 27 februari 2015 en 1 maart 2015 bij Kompaan aan de deur is geweest en dat verdachte op 27 februari 2015 vroeg de Arabische jongeren te spreken waarmee hij eerder had gesproken en op 1 maart 2015 afscheid wilde nemen van een jongen die terug zou gaan. De man is op beide data niet naar binnen geweest. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte op een maandag heeft gesproken met vooral [naam 1 verworven persoon] in aanwezigheid van [naam 3 verworven persoon] .

Hiermee staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat het verdachte is die bij Kompaan en De Bocht is geweest. Hij is meermalen aan de deur geweest om met jongeren te spreken. Hij heeft de jongeren ook op straat aangesproken. Dit duidt op een planmatig handelen, gericht op het in gesprek komen met de jongens. [naam 3 verworven persoon] heeft verklaard dat verdachte over ISIS heeft gesproken. Deze getuigenverklaring ondersteunt op dit punt de verklaring van [naam 1 verworven persoon] die, zoals hiervoor is overwogen, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over hetgeen verdachte tegen hem heeft gezegd. De rechtbank vindt bovendien ondersteuning voor de verklaring van [naam 1 verworven persoon] in de verklaring van [getuige 3] dat [naam 1 verworven persoon] degene is die echt met verdachte heeft gesproken en [naam 1 verworven persoon] tegen hem zei dat de man gek was, omdat hij voor ISIS was.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen jegens getuige [voornamen] [naam 1 verworven persoon] heeft geuit. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesteund door de omstandigheid dat zowel [naam 1 verworven persoon] als [naam 3 verworven persoon] bang waren voor verdachte.

De rechtbank neemt in haar overtuiging voorts mee dat tijdens de doorzoeking in de kamer van verdachte en in zijn fouillering tablets zijn gevonden waarop zich filmpjes van liquidaties in verband met IS en audiobestanden die afkomstig waren van een mediabedrijf dat banden heeft met IS, bevonden. Dit is redengevend om aan te nemen dat verdachte sympathiseerde met IS. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij deze filmpjes alleen had om in een goed blaadje te komen en te blijven bijzijn streng islamitische zwager en hij geen sympathie heeft voor ISIS, wordt door de rechtbank niet geloofwaardig geacht. Verdachte heeft eveneens ter terechtzitting verklaard dat dit speelde toen hij in Den Haag woonde in de periode van 2006 tot 2010. Het aantreffen van deze bestanden in het voorjaar van 2015 houdt naar het oordeel van de rechtbank geen verband met de door verdachte gegeven verklaring.

Verdachte heeft verklaard dat hij naar Kompaan en De Bocht is gegaan, omdat hij een kamer zocht. Deze – uiterst summiere – verklaring heeft verdachte afgelegd tijdens het verhoor in de raadkamer. Verdachte heeft zich tijdens de zitting op zijn zwijgrecht beroepen en deze verklaring niet nadere toegelicht. De verklaring van verdachte vindt naar het oordeel van de rechtbank geen ondersteuning in de bewijsmiddelen. Getuige [getuige 1] heeft immers verklaard dat verdachte meermalen bij Kompaan de Bocht is geweest en steeds heeft gevraagd contact te krijgen met de jongeren. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt niet dat verdachte heeft gevraagd naar de mogelijkheid bij Kompaan een kamer te huren. Ook [getuige 3] heeft hierover niet verklaard. Ook uit de overige verklaringen van de gehoorde getuigen blijkt niet dat verdachte heeft geïnformeerd naar een kamer. Dat genoemde verklaring van verdachte niet wordt ondersteund, klemt te meer nu deze verklaring uiterst summier is en afgelegd is tijdens het verhoor in de raadkamer. De rechtbank zal deze verklaring van verdachte dan ook als ongeloofwaardig verwerpen.

Kwalificatie

Vervolgens speelt bij de rechtbank de vraag of het uiten van deze bewoordingen door verdachte jegens [naam 1 verworven persoon] gekwalificeerd kan worden als “werven voor de gewapende terroristische strijd.”

De rechtbank zoekt hiertoe onder andere aansluiting bij hetgeen in de wetsgeschiedenis is opgenomen. Onder werven wordt blijkens deze wetsgeschiedenis begrepen het “bespelen” en “het beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen”. Het werven hoeft niet tot resultaat te hebben geleid. Het werven zal over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen, maar uitgesloten is dit niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door de bewoordingen die hij jegens [naam 1 verworven persoon] heeft geuit, [naam 1 verworven persoon] bewogen tot het meedoen aan de gewapende terroristische strijd. Verdachte heeft [naam 1 verworven persoon] gevraagd zich aan te sluiten bij ISIS, mee te gaan naar Syrië en of Irak en hem verteld dat ze Amerikanen zouden gaan vermoorden. Deze bewoordingen kunnen niet anders worden uitgelegd dan als uitingen door verdachte, gericht op het bewegen van [naam 1 verworven persoon] tot het meedoen aan de gewapende strijd.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte, nadat hij onder andere met [naam 1 verworven persoon] had gesproken nog tweemaal aan de deur is geweest bij Kompaan en De Bocht en heeft gevraagd naar de jongens waarmee hij eerder had gesproken. Tevens heeft verdachte getuige [naam 1 verworven persoon] twee maal op straat benaderd. Deze handelingen worden door de rechtbank geduid als onderdeel van het wervingsproces. De handelingen en uitingen van verdachte waren gericht op beïnvloeding van getuige [naam 1 verworven persoon] . Dat er slechts een gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [naam 1 verworven persoon] doet daar niet aan af.

Dat de door verdachte aan [naam 1 verworven persoon] verzochte hulp niet zou zien op de gewapende strijd maar op andere hulp aan IS, zoals door de raadsman is betoogd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Volgens [naam 1 verworven persoon] heeft verdachte verklaard dat ze Amerikanen zouden gaan vermoorden. Deze zinsnede kan bezwaarlijk worden beschouwd als gericht op het verlenen van andere hulp aan IS.

Voor het werven van [naam 2 verworven persoon] en [naam 3 verworven persoon] , zoals in de tenlastelegging is opgenomen, is geen wettig en overtuigend bewijs nu deze personen niet over wervende handelingen van verdachte jegens hen hebben gesproken. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Ten aanzien van parketnummer 02/665539-15:

Feit 1:

Medewerkers van de Koninklijke Marechaussee kregen op 23 mei 2014 melding van de douane op luchthaven Schiphol dat er een passagier was aangetroffen met meer dan

€ 10.000,=. Deze passagier bleek verdachte te zijn. Hij had in totaal € 68.675,= en 225 Britse ponden bij zich. Het geld zat in twee ING-enveloppen, drie portemonnees en in een blauw tasje. Het ging om verschillende coupures, onder meer 89 biljetten van € 500,=. 15

De biljetnummers van het bij verdachte [getuige 4] inbeslaggenomen geld zijn gescand. Het waren in totaal 325 biljetten in de coupures van € 500,=, € 200,=, € 100,= , € 50,=, € 20,= en € 10,=. Veertig biljetten zijn in de periode 23 mei 2013 tot 23 mei 2014 minimaal een keer door de Nederlandsche Bank geregistreerd.16

Blijkens informatie van de Belastingdienst was het inkomen van verdachte in 2007

€ 6.796,=, in 2008 € 18.361,=, in 2009 € 16315,=, in 2010 € 13.018,=, in 2011 € 15.243,=, in 2012 € 14.729,=, in 2013 € 14.442,= en in 2014 tot mei 2014 € 2.990,=. In de periode 2011 tot 2014 zijn de inkomsten afkomstig van een uitkering van de gemeente Den Haag.17

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende voorwerpen (in dit geval geldbedragen) middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat niet zelden via de luchthaven Schiphol grote bedragen in contanten, die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld brengt grote risico’s met zich mee en zijn hoogst onwaarschijnlijk indien het geld op legale wijze is verkregen. Criminaliteit gaat veelal gepaard met grote hoeveelheden contant geld in diverse, vaak ook grote coupures terwijl coupures van € 500,= in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat iemand die al jaren enkel een uitkering geniet, zoals verdachte, normaliter niet over zulke grote contante geldbedragen kan beschikken.

Verdachte heeft wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over de herkomst van het bij hem aangetroffen geld. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet precies wist hoeveel geld hij vervoerde. Deze wisselende verklaringen van verdachte, de genoemde feiten en omstandigheden en de omstandigheid dat voldaan is aan een aantal witwastypologieën rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen.

Gelet op voornoemd vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte, toen hij werd aangesproken door de douane, heeft verklaard dat hij niet wist hoeveel geld het was. Een geldbedrag van € 1.350,= was van verdachte zelf, een bedrag van € 11.000,= kwam van de as-Soennah moskee en het overige geld was van de vader van verdachte. De vader van verdachte wordt niet vervolgd, dus kennelijk gaat het Openbaar Ministerie ervan uit dat vader dat geld eerlijk heeft verdiend. Derhalve kan niet hard worden gemaakt dat het geld van misdrijf afkomstig is. De raadsman heeft verzocht om, indien de verklaringen van de vader van verdachte in belastende zin tegen verdachte worden gebruikt, de vader van verdachte alsnog te horen over de herkomst van het geld. Voor het verhullen van geldbedragen is naar de mening van de verdediging in ieder geval geen bewijs nu hij het geld gewoon in zijn koffers had zitten.

De rechtbank overweegt dat het aan verdachte is om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring te geven voor het bij hem aangetroffen geld. De rechtbank overweegt dat verdachte wisselend heeft verklaard over de hoogte en herkomst van de bij hem aangetroffen bedragen. In eerste instantie heeft hij verklaard dat het geld van zijn vader was. Hij verklaarde dat hij € 11.000,= bij zich had van de as-Soennah Moskee en dat hij wist van nog € 22.000,=. Bij zijn eerste verhoor verklaarde hij dat hij niet wist hoeveel geld hij bij zich had en bij het derde verhoor verklaarde hij dat hij ongeveer € 100.000,= van zijn vader had gekregen en daarvan geld had uitgegeven zodat er nog € 60.000,= resteerde. Bij het vijfde verhoor verklaarde hij dat zijn vader € 40.000,= heeft achtergelaten bij hem en dat hij twee keer naar Jemen is geweest en toen ongeveer

€ 20.000,= heeft gekregen van zijn vader.
Verdachte heeft verder verklaard dat hij het geld van zijn vader heeft bewaard. Uit gegevens van de Nederlandsche Bank blijkt echter dat een aantal van de biljetten die verdachte op Schiphol bij zich had in de periode van mei 2013 tot mei 2014 in omloop zijn geweest. Behalve dat verdachte wisselend heeft verklaard over wie het geld heeft meegenomen, waar het geld vandaan kwam en voorts wisselend heeft verklaard over de hoogte van de bedragen, is gelet op de gegevens van de Nederlandsche Bank ook zijn verklaring dat hij het geld bewaard heeft in huis, niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat de afgelegde verklaringen van de verdachte hoogst ongeloofwaardig zijn.

Voor de verklaringen van verdachte kan geen steun worden gevonden in de door de vader van verdachte, getuige [getuige 4] , afgelegde verklaringen. Ook getuige [getuige 4] verklaart wisselend over de hoogte en de herkomst van het geld dat verdachte bij zich had. Voorts heeft hij – hoewel daarnaar door de politie is gevraagd – geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over personen van wie hij dit geld heeft ontvangen.

Verzocht is om getuige [getuige 4] te horen als getuige. Dit verzoek, ter terechtzitting gedaan, moet worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakscriterium. Beantwoord moet worden de vraag of het noodzakelijk is om getuige [getuige 4] te horen. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het is verdachte die met concrete en verifieerbare gegevens moet komen over de herkomst van het bij hem aangetroffen geld. Getuige [getuige 4] , zijn vader, is gehoord in het kader van de verificatie van de verklaringen die verdachte heeft afgelegd. In dit kader is het verzoek van de raadsman van verdachte onvoldoende concreet. Voorts acht de rechtbank zich thans voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen. Het verzoek om getuige [getuige 4] te horen wordt dan ook afgewezen.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat een groot gedeelte van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig moet zijn en dat de verdachte dat ook wist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte een groot geldbedrag voorhanden heeft gehad en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. De rechtbank dient vast te stellen hoe hoog dit bedrag is.

Verdachte heeft een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het bedrag van € 11.000,=. Blijkens de verklaringen van getuige [getuige 5] en van de vader van verdachte, getuige [getuige 4] , is dit bedrag afkomstig van de as-Soennah moskee. Deze verklaringen worden ondersteund door een schuldbekentenis en een verklaring van afgifte van het geldbedrag aan verdachte in oktober 2013.

Ook de herkomst van het bedrag van € 1.350,=, volgens verdachte van hem afkomstig en bestemd voor het maken van de reis, is naar het oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken voor het onderdeel op de tenlastelegging dat ziet op het bedrag aan 225 Britse ponden dat bij hem is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij op vakantie is geweest in Engeland en toen dat geld heeft gewisseld. Nu dit geldbedrag is aangetroffen in kleine coupures, hetgeen ook niet duidt op witwassen, is de verklaring van verdachte op dit punt naar het oordeel van de rechtbank een voldoende concrete onderbouwing voor de aanwezigheid van dit geldbedrag.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen van deze bedragen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van, en daarmee het witwassen van een geldbedrag van in totaal
€ 56.325,=.

Voor het verbergen en verhullen van het geldbedrag, zoals is tenlastegelegd, is geen wettig en overtuigend bewijs. Het bij verdachte aangetroffen geld zat in zijn bagage en was niet verstopt. Van verhullen of verbergen van het geldbedrag op of omstreeks 23 mei 2014 is onder die omstandigheden geen sprake. Voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Feit 2:

De heer [naam rechercheur] , in dienst bij de sociale recherche van de gemeente Den Haag, kreeg op 5 juli 2014 een telefoontje van de Koninklijke Marechaussee dat verdachte op Schiphol was aangehouden met een geldbedrag van € 65.000,= aan contanten. De Koninklijke Marechaussee had vastgesteld dat verdachte een uitkering genoot via de gemeente Den Haag. Na onderzoek bleek dat verdachte op 15 juli 2010 een inlichtingenformulier inkomstenvoorziening (Wij) had ingevuld en op 20 juni 2011 een aanvraag algemene bijstand heeft gedaan. In de beschikking van 28 juni 2011 is verdachte gewezen op de inlichtingenverplichting. Verdachte heeft geen melding gemaakt van het feit dat hij beschikte over een vermogen boven de toegestane inkomensgrens. Blijkens de kopieën van de paspoorten van verdachte heeft hij van 24 juni 2013 tot 22 september 2013 verbleven in het buitenland en hij heeft dit bij de uitkeringsinstantie niet opgegeven. Verdachte heeft bij het instituut waar hij taallessen volgde op 16 januari 2014 vakantie aangevraagd en toestemming gekregen voor vakantie in de periode 14 februari 2014 tot en met 13 maart 2014. De ten onrechte genoten uitkering over de periode 31 oktober 2011 tot en met 30 mei 2014 voor een bedrag van bruto € 35.659,32 wordt teruggevorderd.18

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld nooit op de bank heeft gezet, omdat hij een uitkering heeft en ze dan zijn uitkering stop zouden zetten. Verdachte heeft verklaard geld van zijn vader te hebben gebruikt om schulden te betalen. 19

Gelet op voornoemde omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk nalaten van het opgeven van de benodigde gegevens, zoals primair ten laste is gelegd.

Door de verdediging is enerzijds betoogd dat verdachte het geld niet op hoefde te geven nu het niet zijn geld was en anderzijds dat verdachte niet de opzet heeft gehad op het nalaten van opgeven van de gegevens nu hij nauwelijks scholing heeft gehad en geen hoog IQ heeft.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op het dossier is verdachte meermalen gewezen op zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken over zijn vermogenspositie. Voorts heeft verdachte zelf verklaard dat hij het geld dat hij in zijn bezit had, niet op de bank heeft gezet omdat hij een uitkering had en die dan zou worden stopgezet. Verdachte was derhalve wel degelijk op de hoogte van zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken en kende ook de consequenties van het niet nakomen van zijn verplichting. Dat het geld niet van hem was, ontslaat verdachte niet van de verplichting het op te geven nu hij er blijkens zijn eigen verklaring wel vrijelijk over kon beschikken.

Dat verdachte niet wist dat dat hij toestemming moest vragen voor verblijf in het buitenland komt de rechtbank ongeloofwaardig voor. Verdachte heeft immers in 2014 een dergelijke toestemming verzocht en gekregen voor de periode 14 februari 2014 tot en met 13 maart 2014.

Het verweer van de raadsman wordt gelet op het vorenstaande verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02/800190-15:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 18 maart 2015, in elk geval in de periode van 20 februari 2015 tot en met 18 maart 2015 te Tilburg, gemeente Tilburg, in elk geval in Nederland, zonder toestemming van de Koning,

[voornamen] [naam 1 verworven persoon] en/of [naam 2 verworven persoon] en/of [naam 3 verworven persoon] en/of tot nog toe onbekend gebleven jongeren heeft geworven voor de gewapende terroristische strijd, door hen hem (zakelijk weergegeven)

- te vertellen dat ISIS goed is en/of

- te vertellen dat ze hij zich aan moeten sluiten bij ISIS en/of

- te vertellen dat ze hij met hem mee moeten gaan naar Syrië en/of Irak en/of

- te vertellen dat het niet goed voor hen hem in Nederland is en/of

- te vertellen dat ze Amerikanen zouden gaan vermoorden;

Parketnummer 02/665539-15:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 65.875,- Euro en/of 225,- GBP) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhulden/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden had/hadden

en/of

een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 56.325,= - Euro en/of 225,- GBP) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen dat voorwerp geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2. primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 31 oktober 2011 tot en met 30 mei 2014 te Den-Haag in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten (volledig) te melden aan de dienst SZW (Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten) Gemeente Den-Haag dat hij, verdachte, in voornoemde periode (althans in delen daarvan):

- (over) vermogen bezat/beschikte en/of heeft bezeten en/of heeft beschikt (te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 100.000 Euro (in contanten)

en/of

- een of meermalen in het buitenland (onder meer Egypte) verbleef en/of heeft verbleven

zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,

terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

art 227b Wetboek van Strafrecht

De schuingedrukte delen zijn tekstuele wijzigingen door de rechtbank aangebracht. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de betoogde vrijspraken, dient naar de mening van de verdediging geen straf te worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het werven van [voornamen] [naam 1 verworven persoon] voor de gewapende terroristische strijd van IS, aan het witwassen van een groot geldbedrag en aan bijstandsfraude.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en zijn strafblad.

Het werven acht de rechtbank een zeer ernstig feit nu door IS de rechten van andersdenkenden op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door de strijdgroepen van IS worden mensenrechtenschendingen begaan en terroristische misdrijven gepleegd. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat niet in Nederland plaatsvindt. Het benaderen van kwetsbare jongeren teneinde hen over te halen zich te mengen in die gewapende strijd is een laakbaar feit, temeer nu het in de onderhavige zaak ging om een minderjarige asielzoeker, [voornamen] [naam 1 verworven persoon] , die juist gevlucht was voor het geweld in die regio. Dit heeft bij [naam 1 verworven persoon] voor angstgevoelens gezorgd.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door witwassen wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als de verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan bijstandsfraude door opzettelijk geen melding te maken van het feit dat hij over vermogen beschikte. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Indien het misbruik maken van deze voorzieningen op grote schaal plaats zou vinden, zou aan het sociale stelsel afbreuk worden gedaan en zouden uiteindelijk de mensen die op een dergelijke uitkering zijn aangewezen daarvan de dupe worden.

Het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft onderzoek gedaan naar de persoon van verdachte. Verdachte heeft beperkt willen meewerken aan het onderzoek en heeft niet het achterste van zijn tong willen laten zien aan de onderzoekers. Veel vragen werden niet of onvoldoende door verdachte beantwoord. Hierdoor heeft het PBC niet kunnen beoordelen of er bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het PBC heeft wel gesteld dat er evidente aanwijzingen zijn voor problemen op verschillende levensgebieden, zoals ten aanzien van werk, inkomen, wonen. Verdachte heeft een beperkt sociaal netwerk. Dit wordt door de reclassering ook vermeld in het advies van 21 januari 2016. Normaliter zouden deze problemen door een (deels) voorwaardelijk strafoplegging met bijzondere voorwaarden in een plan van aanpak opgenomen kunnen worden. Echter, een plan van aanpak is volgens de reclassering niet uitvoerbaar omdat verdachte met terugwerkende kracht de Nederlandse nationaliteit is ontnomen. Hij heeft thans geen verblijfstitel en derhalve kan er geen plan van aanpak worden opgesteld. Dit is wel mogelijk als hij asiel aanvraagt. De reclassering kan blijkens de aanvullende verklaring van de deskundige ter zitting in dat geval beperkt bijzondere voorwaarden opleggen.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waarop geen eerdere soortgelijke feiten zijn vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende sanctie is. Strafverminderend acht zij daarbij het feit dat het werven in een korte periode heeft plaatsgevonden. Ook in strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte de voorlopige hechtenis in een zwaar regime op de terroristen afdeling van de penitentiaire inrichting in Vught heeft gezeten hetgeen verdachte heel zwaar is gevallen. In strafvermeerderende zin weegt de rechtbank mee dat het witwassen ziet op een groot bedrag waarbij voor de rechtbank van belang is dat verdachte geen enkele openheid van zaken heeft gegeven. Tegelijkertijd heeft verdachte gedurende lange tijd een bijstandsuitkering genoten waarbij door de uitkeringsinstantie is aangegeven dat verdachte een bedrag van € 35.659,32 aan ten onrechte genoten uitkering heeft verkregen.

Alles afwegend legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Ondanks de mogelijkheid dat de uitvoering van het reclasseringstoezicht vanwege de onzekere verblijfstatus van verdachte van zeer beperkte omvang kan zijn, is de rechtbank van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte in beeld is en blijft van de reclassering nu er op diverse leefgebieden problemen zijn en zijn status in Nederland thans erg onzeker is.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

7.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.3

De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 33, 33a, 205, 227b en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding, parketnummer 02/800190-15

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover het de woorden “en/of tot nog toe onbekend gebleven jongeren” betreft;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02/800190-15:

Zonder toestemming van de Koning, iemand voor de gewapende terroristische strijd werven;

Parketnummer 02/665539-15

feit 1: Witwassen;

feit 2 primair: In strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde zal naleven;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op;

Beslag

Verbeurdverklaring:

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 69 tot en met 75, met uitzondering van het geldbedrag van in totaal € 12.350,=;

Teruggave aan verdachte:

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 12 tot en met 64 en van 77 tot en met 105;

- gelast de teruggave aan verdachte van het geldbedrag van € 1.350,=;

Teruggave aan de rechthebbende:

- gelast de teruggave van een geldbedrag van € 11.000,= aan de vader van verdachte, te weten [voornamen vader] [getuige 4] .

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. De Weert en mr. Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 februari 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2015049722 van de politie Zeeland West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 602. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 46, 47 en 48

2 Het proces-verbaal tonen selectie bij fotobewijsconfrontatie, p. 127.

3 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 64 en 65.

4 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p.72, 73 en 74.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , p. 78, 79, 80, 81.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 3 verworven persoon] , p. 99.

7 Het proces-verbaal bevindingen, p. 102.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2016, inzake de woordelijke uitwerking van het verhoor van getuige [voornamen] [naam 1 verworven persoon] d.d. 20 maart 2015, als losse bijlage bij het proces-verbaal gevoegd.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [voornamen] [naam 1 verworven persoon] , p. 87.

10 Het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, p. 177 en 178.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 225.

12 Het proces-verbaal bevindingen Arabische teksten, p. 256 en 257.

13 Het proces-verbaal bevindingen duiding inhoud digitaal beslag, p. 265.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte in raadkamer van 1 april 2015, als losse bijlage in het dossier gevoegd.

15 Wanneer hierna wordt verwezen naar ene proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer 28-154021 “dossier witwassen Metford,”van het SVLM (Samenwerkingsverband Liquide Middelen), opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 526. Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht, p. 23 tot en met p. 27.

16 Het proces-verbaal bevindingen Nederlandsche Bank aangetroffen bankbiljetten, p. 242.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 250.

18 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met dossiernummer DSZW/BO-SR/2014/0014 van de Dienst Sociale zaken en werkgelegenheidsprojecten sociale recherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 352. Het proces-verbaal van bevindingen relaas van onderzoek, p. 1 tot en met 9.

19 Het proces-verbaal derde verhoor verdachte [getuige 4] , p. 87 en 88 van het eindproces-verbaal , met dossiernummer 28-154481 “dossier witwassen Metford,” van het SVLM (Samenwerkingsverband Liquide Middelen.