Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8434

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7800
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

15/7800 en 15/7801

IB/PVV, art. 3.111, zesde lid, Wet IB 2001

Beroepsofficier die in 2010 is uitgezonden naar Duitsland, hield zijn eigen woning in Nederland aan maar kocht ook een woning in Duitsland. De rechtbank oordeelt dat de woning in Nederland dan geen eigen woning meer is in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 maar verhuist naar box 3. Anders dan belanghebbende meent, biedt de Wet geen mogelijkheid te kiezen welke woning belanghebbende als eigen woning wil aanmerken. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/237
V-N 2017/18.13 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2017/30
FutD 2017-0340
NTFR 2017/783 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/7800 en BRE 15/7801

uitspraak van 15 december 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 23 oktober 2015 op de bezwaren van belanghebbende tegen

- de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een verzamelinkomen van € 107.122 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] ), en

- de aan hem voor het jaar 2012 opgelegde aanslag IB/PVV naar een verzamelinkomen van € 111.429 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende was in 2011 en 2012 het hele jaar als beroepsofficier in de rang van kapitein-luitenant ter zee door het Ministerie van Defensie gestationeerd bij het Maritime Command NATO met als werklocatie [werklocatie] in Duitsland. Belanghebbende bezat een eigen woning in [plaats] (de woning in Nederland), waarin zijn twee kinderen zijn blijven wonen. In Duitsland heeft hij in 2010 een woning gekocht op 24 kilometer van zijn werklocatie (de woning in Duitsland).

2.2.

Beide woningen zijn deels gefinancierd met een hypothecaire lening.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften over 2011 en 2012 zowel de woning in Nederland als de woning in Duitsland vermeld als eigen woning in de zin van artikel 3.111, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), het eigenwoningforfait aangegeven en de hypotheekrente afgetrokken. Bij de aanslagregeling over 2012 zijn daarover vragen gesteld en is vervolgens de woning in Nederland niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet aangemerkt maar als bezitting voor het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen. Bij de aanslagregeling 2011 was de aangifte gevolgd; dat is via de navorderingsaanslag gecorrigeerd voor wat betreft de woning in Nederland.

2.4.

In geschil is of de correcties op de aangiften juist zijn. Belanghebbende stelt dat hij de woning in Duitsland heeft gekocht omdat dat voor zijn werkgever veel goedkoper was; bij huur van een woning in Duitsland zou de werkgever hem een huurvergoeding hebben moeten betalen. Belanghebbende wil de keuze hebben welke woning hij aanmerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet, en kiest dan voor de woning in Nederland waaraan een veel hoger bedrag aan hypotheekrente toerekenbaar is dan aan de woning in Duitsland.

2.5.

Artikel 3.111, eerste lid, van de Wet bepaalt, voor zover hier van belang, dat als eigen woning wordt aangemerkt een gebouw voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom. Dat is de hoofdregel voor toepassing van het eigenwoningregime van Afdeling 3.6 van de Wet. Belanghebbende is in 2010 uitgezonden naar Duitsland voor meerdere jaren en heeft in dat kader een huis gekocht in Duitsland. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de woning in Nederland voor hem nog een hoofdverblijf was in voornoemde zin. Dat betekent dat de woning in Nederland volgens de hoofdregel van de Wet geen eigen woning was.

2.6.

Indien volgens de hoofdregel van de Wet geen sprake is van een eigen woning, kan artikel 3.111, zesde lid, van de Wet soelaas bieden. Indien de eigen woning tijdelijk niet meer als hoofdverblijf is aan te merken, kan die woning toch als eigen woning worden beschouwd mits (onder meer) de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten geniet. De aankoop van een nieuwe eigen woning verhindert dus de toepassing van de eigenwoningregeling voor de oude woning. Dat is precies wat hier is gebeurd, doordat belanghebbende in Duitsland een eigen woning heeft gekocht. Nu belanghebbende zijn hoofdverblijf had in de woning in Duitsland, ging hij immers, naar de maatstaven van de Nederlandse wet, uit de woning in Duitsland inkomsten genieten. Daardoor verviel de mogelijkheid om de woning in Nederland als eigen woning aan te merken. Hieraan doet niet af dat belanghebbende niet was ingeschreven in de Duitse gemeente waar de woning in Duitsland staat, noch dat op grond van het NATO Statusverdag van emigratie naar Duitsland geen sprake was. Het gaat om de feitelijke situatie en feitelijk had belanghebbende in 2011 en 2012 zijn hoofdverblijf in Duitsland.

2.7.

De Wet biedt niet de door belanghebbende bepleite mogelijkheid om een vrije keuze te maken welke woning als eigen woning wordt aangemerkt. De eigen woning in Duitsland die hoofdverblijf is, wordt verplicht aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet. Dit alles betekent dat de inspecteur terecht de woning in Nederland heeft aangemerkt als bezitting en de daarop rustende hypothecaire schuld als schuld voor het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen. Daarvan uitgaande is niet in geschil dat beide aanslagen juist zijn.

2.8.

Belanghebbende heeft zich nog beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Hij meent dat hij ten onrechte slechter wordt behandeld dan zijn collega’s die ook hun woning in Nederland hebben aangehouden maar in Duitsland een huis hebben gehuurd. De situatie van een naar Duitsland uitgezonden militair die in Duitsland een woning heeft gehuurd en dus geen recht heeft op enige aftrek in verband met de woning in Duitsland, is echter niet hetzelfde als die van belanghebbende die in Duitsland een woning heeft gekocht en daarvoor wel aftrek claimt. De enige gelijkenis zit hem in het gegeven dat beide personen ook een woning aanhouden in Nederland. Dat zijn naar het oordeel van de rechtbank geen gelijke gevallen. Voor zover de situatie wel vergelijkbaar is, dient naar het oordeel van de rechtbank de keuze van de wetgever te worden aanvaard dat in de situatie van belanghebbende geen recht bestaat op dubbele renteaftrek (voor zowel de woning in Nederland als die in Duitsland) en niet de keuze wordt geboden welke woning als eigen woning wordt aangemerkt. Die keuze hangt samen met de vormgeving van het eigenwoningregime in de Wet en niet kan worden geoordeeld dat dat apert onredelijk is.

2.9.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.