Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8423

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5620
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

15/5620 t/m 15/5624

Art. 14 WVA, afdrachtvermindering onderwijs.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van beroepspraktijkvorming, zodat geen recht bestaat op vermindering van afdracht loonheffing in het kader van de WVA. Naheffingsaanslagen terecht. Nu ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend, zijn de beroepen in zoverre gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/284
FutD 2017-0317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/5620 tot en met BRE 15/5624

uitspraak van 15 december 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 december 2013 en 6 augustus 2014 aan

belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2012 naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. Daarbij is bij elke naheffingsaanslag heffingsrente- respectievelijk belastingrente in rekening gebracht. Gelijktijdig met de naheffingsaanslagen zijn over de jaren 2009 tot en met 2012 bij beschikking vergrijpboeten aan belanghebbende opgelegd. Het betreft de volgende naheffingsaanslagen en beschikkingen.

Zaaknr.

Jaar

Aanslagnr.

LH

heffings-

rente

belasting-

rente

vergrijp-

boete

15/5620

2008

[aanslagnummer] .A.01.850.1

€ 6.450

€ 900

-

-

15/5621

2009

[aanslagnummer] .A.01.950.0

€ 4.698

€ 601

-

€ 1.174

15/5622

2010

[aanslagnummer] .A.01.050.4

€ 5.793

€ 597

-

€ 1.448

15/5623

2011

[aanslagnummer] .A.01.150.0

€ 28.849

€ 2.199

-

€ 7.212

15/5624

2012

[aanslagnummer] .A.01.250.0

€ 14.208

-

€ 752

€ 3.552

1.2.

De inspecteur heeft bij zijn in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3

augustus 2015 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de over de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegde vergrijpboeten verminderd tot nihil. Het verzoek om een kostenvergoeding is daarbij afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 18 augustus 2015, door de rechtbank

ontvangen op 20 augustus 2015, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De beroepen zijn gemotiveerd bij brief van 16 september 2015.

1.4

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Bij brief van 1 november 2016 heeft de gemachtigde van belanghebbende

aangekondigd getuigen mee te brengen en getuigenaanbod gedaan en een formulier proceskosten overgelegd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2016 te Maastricht.

Daarbij zijn de beroepen met zaaknummers 15/5620 tot en met 15/5624 gelijktijdig behandeld. De rechtbank heeft aan het slot van die zitting het onderzoek gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijk met het afschrift van de uitspraak aan partijen verzonden.

1.7.

Na de zitting heeft de rechtbank van de inspecteur het bericht ontvangen dat hij

niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd. Dit vormde voor de rechtbank een reden het onderzoek te heropenen en het vooronderzoek te hervatten. Op 14 november 2016 heeft de inspecteur de eerder niet overgelegde gegevens per e-mail alsnog ingebracht. Een kopie van deze gegevens zijn per e-mail verstrekt aan de wederpartij. De rechtbank heeft de aanvullende stukken tot de processtukken gerekend en deze betrokken bij haar beslissing. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau, dat zich bezighoudt met het uitlenen van voornamelijk Poolse werknemers in (onder meer) de voedingsindustrie.

2.2.

In de onderhavige jaren heeft zij haar werknemers, die werkzaam waren bij [A BV] (hierna: [A BV] ), een scholingstraject aangeboden. Hiertoe heeft zij met [opleidingsinstituut] te [plaats] (hierna: [het opleidingsinstituut] ) een overeenkomst gesloten voor het volgen door de medewerkers van de beroepsbegeleidende leerweg van de opleiding “Assistent medewerker voedingsindustrie, niveau 1 met Nederlands als tweede taal (NT 2)” (hierna: de opleiding).

2.3.

De opleiding is geregistreerd in het Centraal register Educatie en Beroepsopleidingen (hierna: Crebo) onder nummer [X] . De deelnemers worden in dit kader opgeleid voor het behalen van het MBO-diploma Assistent Voedingsindustrie. [A BV] is daarbij opgetreden als praktijkopleider.

2.4.

Belanghebbende heeft in haar loonaangiften over de jaren 2008 tot en met 2012 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) voor de in 2.2 bedoelde werknemers de afdrachtvermindering onderwijs toegepast.

2.5.

Op 19 februari 2013 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht werd de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012. Met dagtekening 10 juli 2014 is een rapport opgemaakt van dit boekenonderzoek. De controlerend ambtenaar heeft geconcludeerd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. De bestreden naheffingsaanslagen betreffen correcties van de eerder toegepaste afdrachtvermindering onderwijs.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast. Het geschil beperkt zich tot het antwoord op de vragen of voor de betreffende werknemers van belanghebbende sprake is geweest van beroepspraktijkvorming in de zin van een beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e van de WEB bedoelde beroepsopleiding (BBL-opleiding) en, zo dat het geval is, of het praktijkdeel 60% of meer van de studieduur betrof.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen daar ter zitting aan is toegevoegd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de naheffingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Toepasselijke wetgeving (teksten 2008 – 2012)

WVA

Artikel 3

1. De inhoudingsplichtige kan de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met:

(…)

c. de afdrachtvermindering onderwijs;

(…)

3. De afdrachtvermindering onderwijs en (…) komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Artikel 14

1. De afdrachtvermindering onderwijs is van toepassing met betrekking tot:

a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven;

(…)

Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)

Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

i. beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 7.2.4, eindtermen zijn vastgesteld [tekst met ingang van 1 januari 2012: beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid];

(…)

m. beroepsbegeleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b;

Artikel 7.1.2 Opleidingen [tekst met ingang van 1 januari 2012]

2. Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

Artikel 7.1.3 Eindtermen

Eindtermen zijn als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de doorstroming naar vervolgonderwijs. [tekst met ingang van 1 januari 2012: Artikel 7.1.3 Kwalificatie Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier].

Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen

1. De volgende beroepsopleidingen worden onderscheiden:

a. de assistentopleiding,

(…)

2. De in het eerste lid bedoelde opleidingen bestaan uit:

a. een beroepsopleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van ten minste 20% en minder dan 60% van de studieduur, of

b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan wel

c. zowel de onder a als de onder b bedoelde leerweg.

3. De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met e, richten zich op de kwalificatie voor opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, waarbij de assistentopleiding is gericht op het eerste (…) niveau van beroepsuitoefening [tekst met ingang van 1 januari 2012: De assistentopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. (…)].

(…)

Artikel 7.2.8. De beroepspraktijkvorming

1. Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit [tekst met ingang van 1 januari 2012: Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de deelnemer is ingeschreven voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier].

2. De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:

a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,

b. de begeleiding van de deelnemer,

c. dat deel van de eindtermen dat de deelnemer tijdens de praktijkperiode dient te realiseren en de beoordeling daarvan, en [tekst met ingang van 1 januari 2012: dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen, en de beoordeling daarvan, en]

d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

3. Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de deelnemers binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de deelnemer het in het tweede lid, onder c, bedoelde deel van de eindtermen heeft gerealiseerd. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels [tekst met ingang van 1 januari 2012: Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de deelnemers binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de deelnemer het in het tweede lid, onder c, bedoelde deel van de kwalificatie heeft behaald. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels].

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende voor geen enkele werknemer, die de opleiding heeft gevolgd, recht heeft op aftrek van loonheffing ingevolge de WVA. Belanghebbende meent dat zij in alle gevallen recht heeft op de aftrek. Geen der partijen heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de WVA-aftrek gedeeltelijk terecht zou zijn geclaimd. Het is dus – zoals partijen ter zitting hebben bevestigd – een kwestie van alles of niets.

5.2.

In de eerste plaats moet beoordeeld worden of voor de werknemers van belanghebbende, wier namen zijn vermeld als deelnemer aan de opleiding, sprake is geweest van beroepspraktijkvorming in de zin van een beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de WEB bedoelde beroepsopleiding. In dit geval gaat het dan om de assistentopleiding (onderdeel a).

5.3.

De inspecteur heeft gesteld dat niet is gebleken dat bij belanghebbende sprake is geweest van beroepspraktijkvorming in de zin van de WVA (zie 5.2) en, zo daarvan al sprake zou zijn geweest, dat het praktijkdeel 60% of meer van de studieduur betrof. Daartoe heeft de inspecteur onder meer aangevoerd dat er voor de jaren 2008 tot en met 2010 – afgezien van de beroepspraktijkvormings- en de onderwijsovereenkomsten – niets in belanghebbendes administratie is aangetroffen waarmee zij aannemelijk heeft gemaakt dat de beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden. De door belanghebbende overgelegde stukken zijn gedeeltelijk niet ingevuld, gedateerd of ondertekend en geven overigens geen inzicht in de wijze waarop de praktijkopleiding heeft plaatsgevonden, aldus de inspecteur.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van belanghebbende ligt om, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van beroepspraktijkvorming in de zin van de WVA (zie 5.2). Belanghebbende beroept zich daartoe onder meer op de – ongedateerde en niet-ondertekende – (digitale) opleidingsdossiers van verschillende werknemers. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit slechts worden afgeleid dat bij de werknemers op bepaalde onderdelen werd getoetst. Deze opleidingsdossiers bieden echter geen inzicht of, noch in de manier waarop de verschillende onderdelen zijn onderwezen, en evenmin wanneer en hoe is getoetst of beoordeeld, zodat daaruit, zonder nader bewijs, niet kan worden afgeleid dat en zo ja in hoeverre er beroepspraktijkvorming in de zin van de WVA heeft plaatsgevonden. De door belanghebbende overgelegde verklaringen van haar werknemers, een medewerkster van [het opleidingsinstituut] en praktijkopleiders van [A BV] maken dit niet anders. De rechtbank overweegt daarbij dat belanghebbende geen voortgangsrapportages of andere vastleggingen heeft overgelegd waaruit volgt dat leerdoelen zijn gesteld volgens de betreffende Crebo-code en dat sprake was van enige (tussentijdse) waarborging van het behalen daarvan. Ook hetgeen de heren [persoon A] en [persoon B] ter zitting hebben verklaard over de begeleiding van de beroepspraktijkvorming in de onderhavige jaren door [A BV] , is onvoldoende om in de bewijslast te slagen, omdat die verklaringen slechts een algemeen beeld geven en onvoldoende zeggen over de feitelijke beroepspraktijkvorming per werknemer. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank weliswaar aannemelijk dat sprake is geweest van enige opleiding van de betreffende werknemers, maar acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige jaren sprake is geweest van beroepspraktijkvorming in de zin van de WVA. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om tot een ander bewijsoordeel te komen.

5.5.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft de vraag of het praktijkdeel 60% of meer van de studieduur betrof dan geen beantwoording meer.

5.6.

Ter zitting heeft belanghebbende in verband met de kostenvergoeding bezwaar aangevoerd dat in de bezwaarfase wél een verzoek om kostenvergoeding was gedaan. De rechtbank begrijpt hieruit dat belanghebbende de afwijzende beslissing over de kostenvergoeding in de bezwaarfase bestrijdt. De rechtbank is het op dit punt met belanghebbende eens. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende heeft verzocht om kostenvergoeding. De inspecteur heeft een vergoeding geweigerd met als motivering dat geen sprake was van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Uit de stukken blijkt dat de boeten waren opgelegd met als motivering (onderdeel 6 controlerapport): “Ik ben van mening dat in onderdelen 3.2.7 Beroepspraktijkvorming, 3.2.8 Begeleiding, 3.3.1 Nederlandse les kwalificeert niet als beroeps opleiding van het rapport, fouten zijn opgenomen die als vergrijp kwalificeren.” De hier bedoelde “fouten” zijn kennelijk het ontbreken van ingevulde werkplekopdrachten of ingevulde BPV opdrachtenboeken en onvoldoende vastlegging van de beroepspraktijkvorming (3.2.7), het gegeven dat [persoon C] onder leiding feitelijk de praktijkbegeleiding deed terwijl hij niet was geregistreerd als praktijkopleider (3.2.8.) en het gegeven dat Nederlandse les niet kwalificeert als beroepsopleiding (3.3.1). Naar het oordeel van de rechtbank kan uit geen van deze constateringen worden afgeleid dat belanghebbende grove schuld kan worden verweten ten aanzien van het claimen van de afdrachtvermindering ter zake van de praktijkopleiding. Naar het oordeel van de rechtbank was op dit punt sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Nu bij de uitspraken op bezwaar de boeten zijn vernietigd, had de inspecteur een kostenvergoeding moeten toekennen.

5.7.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard doch uitsluitend in verband met de beslissing over de kostenvergoeding in de bezwaarfase. Wat betreft de naheffingsaanslagen dienen de uitspraken op bezwaar in stand te blijven.

6 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.410,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1,5 punt voor het tweemaal verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1, factor 1,5 voor samenhang).

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar doch uitsluitend voor zover het gaat om de daarbij genomen beslissingen omtrent de kostenvergoeding;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.410,50;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof. mr. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.